landschap met schapen © Veronique De Smedt

Bos en Hei

BE2100017 - Bos- en heidegebieden ten oosten van Antwerpen

1 Inleiding

Het Natura 2000-netwerk is een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Deze zijn aangewezen op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen om Europees beschermde habitattypes en soorten de kans te geven duurzaam te overleven en zo de Europese biodiversiteit te bewaren. In Vlaanderen zijn 62 Natura 2000-gebieden aangeduid, ook speciale beschermingszones (hierna: SBZ) genoemd. Deze gebieden zijn essentieel voor het bereiken van de gunstige staat van instandhouding van Europees te beschermen habitats en soorten. Voor Vlaanderen gaat het om 47 habitattypes, 49 dier- en plantensoorten en 58 vogelsoorten. 

Alle lidstaten van de Europese Unie zijn verplicht om de nodige maatregelen te nemen om een ‘gunstige staat van instandhouding’ te realiseren voor Europees te beschermen habitats en soorten. Om deze maatregelen in te vullen heeft de Vlaamse Regering instandhoudingsdoelstellingen (hierna: doelen) op Vlaams niveau en per SBZ bepaald. Op Vlaams niveau zijn dit de zogenaamde gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen (hierna: G-IHD) en per SBZ zijn dit de zogenaamde specifieke instandhoudingsdoelstellingen (hierna: S-IHD). Deze S-IHD zijn, na een intensief overlegproces tussen 2010 en 2013, vastgesteld in aanwijzingsbesluiten (de S-IHD-besluiten) door de Vlaamse Regering op 23 april 2014. 

De realisatie van de doelen wordt gefaseerd en programmatisch aangepakt. Vlaanderen moet elke zes jaar aan Europa rapporteren, daarom is ook voor de realisatie gekozen voor cycli van maximaal zes jaar. Per cyclus of planperiode wordt een Vlaams Natura 2000-programma opgemaakt met een Vlaamse taakstelling en acties voor de komende periode. Het programma omschrijft ook welke organisaties betrokken zijn en geeft een raming van de uitgaven voor de uitvoering van het programma.  

Focus Vlaams Natura 2000 programma 2016–2020

Omdat Vlaanderen in 2020 aan Europa moet rapporteren, loopt de eerste cyclus van het Vlaams Natura 2000-programma van 2016 tot 2020. Op het moment van publicatie van dit voortgangsdocument bestaat er nog geen nieuw Vlaams Natura 2000-programma voor de volgende planperiode (2021-2026), zodat het bestaande programma volgens de regelgeving geldig blijft.  

Voor deze eerste cyclus is vertrokken van de Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 en van het Pact 2020. In het Vlaams Natura 2000-programma zijn een bindende en een richtinggevende taakstelling geformuleerd als een gefaseerd kader voor de realisatie van de doelen.

Het bindend deel van de taakstelling in het Vlaams Natura 2000-programma omvat:

  • het stoppen of vermijden van de verdere achteruitgang van Europees te beschermen habitattypes of soorten (stand still);
  • dat 16 van de 47 Europees te beschermen habitattypes in een gunstige staat verkeren of zijn verbeterd ten opzichte van 2007 (zie bijlage 5 van het Vlaams Natura 2000-programma).

Het bindend deel van de taakstelling moet tegen 2020 worden gerealiseerd.

Het richtinggevende deel van deze taakstelling omvat:

  • dat tegen 2020 voor alle Europees te beschermen habitattypes en soorten samen 70% van de inspanningen operationeel zijn, zodat alle habitats en soorten in een gunstige staat van instandhouding kunnen worden gebracht tegen 2050. Voor soorten die extra oppervlakte leefgebied nodig hebben, moet een derde van de extra oppervlakte gerealiseerd zijn door inrichting en beheer.

De maatregelen nodig om het richtinggevende deel van de taakstelling te realiseren, kunnen al in deze planperiode opgestart worden of, indien al in planning of uitvoering, verder lopen. Deze maatregelen moeten niet noodzakelijk afgerond zijn tijdens de looptijd. In de inspanningsmatrix (hoofdstuk 4 van het voortgangsdocument) is voor elke actie aangegeven of deze behoort tot het bindend of het richtinggevend deel van taakstelling van het Vlaams Natura 2000-programma.

Doelstelling van het voortgangsdocument

Het voortgangsdocument wordt opgemaakt met het oog op:

  • het gradueel realiseren van de S-IHD;
  • het vermijden of stoppen van de verslechtering van de Europees te beschermen habitats en de leefgebieden van Europees te beschermen soorten;
  • het vermijden of het stoppen van de betekenisvolle verstoring van de Europees te beschermen soorten.

Het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna: het ANB) maakt het voortgangsdocument op en beheert het. Dit voortgangsdocument beschrijft de inspanningen die volgens de inventaris hiervan in 2017 geleverd worden door de organisaties voor wie het beheren en ontwikkelen van natuur een maatschappelijke opdracht is. Dit zijn het ANB, de verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen. Tevens biedt het een overzicht van de openstaande taakstelling en van de acties die, volgens de huidige plannen en inzichten, nodig zijn voor de realisatie ervan. Zo vormt het voortgangsdocument het vertrekpunt en de inspiratiebron voor het bereiken van de doelen voor iedereen die daaraan kan bijdragen.

Situering van het SBZ

2 Taakstelling

Voor elke SBZ werden door de Vlaamse Regering de specifieke doelen voor Europees te beschermen habitats en soorten en de prioritaire inspanningen vastgesteld in een S-IHD-besluit. Deze doelen worden in dit voortgangsdocument weergegeven in hoofdstuk 2.1. Deze zijn daarbij geclusterd in landschapstypes. Per Europees te beschermen soort en habitat zijn het gebiedsgericht kwantiteitsdoel (populaties of oppervlakten) en kwaliteitsdoel beschreven. Hoofdstuk 2.2 geeft prioritaire inspanningen weer, die in het S-IHD-besluit vastgesteld zijn voor het realiseren van de doelen. 

2.1 Doelen

Legende bij de oppervlakte-, populatie- en kwaliteitsdoelen

Symbool

Omschrijving

+

Het doel is een stijging van de oppervlakte of populatiegrootte / een verbetering van de kwaliteit.

=

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit.

=/+

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit met lokale uitbreidingsmogelijkheid.

=/-

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit met lokale inkrimpingsmogelijkheid.

In onderstaande tabel met de doelen voor het SBZ worden doelstellingen voor enerzijds het gedeelte dat habitatrichtlijngebied is en anderzijds het gedeelte dat 'zuiver vogelrichtlijngebied' (lees: enkel vogelrichtlijngebied en geen habitatrichtlijngebied) is, niet onderscheiden, maar geïntegreerd. Aan de drie criteria die tegelijk vervuld dienen te zijn om deze doelen voor beide ruimtelijk afgebakende gebieden van elkaar te onderscheiden, werd immers niet voldaan. De drie criteria zijn: 

  • het zuiver vogelrichtlijngebied handelt over een relevante oppervlakte; 

  • het betreft in dit gebied relevante doelstellingen doelen en; 

  • de doelen die in het gedeelte dat zuiver vogelrichtlijngebied is, gerealiseerd dienen te worden, zijn (reeds in dit stadium) bekend.] 

Boslandschap

Het boslandschap is qua oppervlakteaandeel veruit het belangrijkste landschapstype binnen dit habitatrichtlijngebied. Volgens de bosinventarisatie is 63 % (3302 ha) van de totale oppervlakte bebost.

Het boslandschap omvat de volgende Europese habitattypes en soorten:

  • zuurminnende eiken-beuken- en eiken-berkenbossen (9120 en 9190);
  • eiken-haagbeukenbossen (9160);
  • alluviale bossen (91E0);
  • vleermuizen die bossen en landschappen met een belangrijk aandeel houtige vegetatie als jachtgebied prefereren.

Momenteel is slechts 41 % (1366 ha) van de beboste oppervlakte in het gebied habitatwaardig. Daarnaast komen in het gebied veel naaldhoutaanplanten, populierenbossen en jonge loofbossen voor die niet als boshabitat gekwalificeerd kunnen worden. Anderzijds vormt het boslandschap ook een matrix voor habitattypes in de heidesfeer en de graslandsfeer die zich kunnen ontwikkelen op open plekken in het bos.

Nagenoeg alle belangrijke Kempische oud-boskernen (Peerdsbos, Zoerselbos, ’s Herenbos, Grotenhoutbos, …) maken deel uit van dit gebied. Daarom is het gebied in de Gewestelijke Instandhoudingsdoelstellingen (G-IHD) essentieel in Vlaanderen voor de boshabitats zuurminnende eiken-beukenbossen (9120) en eiken-berkenbossen (9190).

In de vele beekvalleien van dit gebied komen goed ontwikkelde, oude alluviale bossen (91E0) en in veel mindere mate ook eiken-haagbeukenbossen (9160) voor. Voor deze boshabitattypes is het gebied in de G-IHD zeer belangrijk in Vlaanderen.

  • Kwaliteitsverbetering op vlak van structuur:

    de meeste boshabitats in dit gebied hebben momenteel een onvoldoende gevarieerde structuur: er zijn te veel homogene bestanden (qua leeftijd en/of boomsoort), er is te weinig dood hout en soms ook te weinig spontane verjonging. In vele bossen is het aandeel invasieve exoten (Amerikaanse eik, Amerikaanse vogelkers, rododendron, …) te hoog. De overgang tussen bos en open habitats (heide, graslanden) is vaak heel scherp wat in het nadeel speelt van een hele reeks soorten die zich in deze overgangszone ophouden (verscheidene vlindersoorten, reptielen, nachtzwaluw, boompieper, …). Door het toepassen van een natuurgericht bosbeheer worden invasieve exoten bestreden en zal de heterogeniteit van het bomenbestand en het aandeel van dikke bomen, dood hout, boszomen en open plekken geleidelijk toenemen. Alluviale bossen leiden vaak onder verdroging en/of eutrofiëring. Voor dit bostype is dus ook een herstel van de waterhuishouding (op sommige plaatsen ijzerrijke grondwaterkwel) en de waterkwaliteit in de beekvalleien noodzakelijk.
  • Realisatie van grote boshabitatkernen:

    de verschillende boshabitatkernen in het gebied zijn stuk voor stuk te klein. Bijna nergens wordt het Minimum Structuur Areaal (MSA) gehaald. Hierdoor zijn de populaties van de habitattypische soorten die er voorkomen ook klein en kwetsbaar en zijn de boskernen vaak slecht gebufferd tegen negatieve externe milieu-invloeden zoals eutrofiëring en verzuring. Het vergroten en met elkaar verbinden van deze boshabitatkernen is dan ook een zeer belangrijke doelstelling voor dit gebied [*]. In enkele deelgebieden wordt de vorming van een kwaliteitsvolle boshabitatkern van ca. 300 ha nagestreefd. Met de realisatie van deze grote boshabitatkernen worden langetermijngaranties gegeven voor stabiele populaties van de bijlagesoorten wespendief, zwarte specht en middelste bonte specht, maar ook voor tal van andere habitattypische soorten. Deze grote kernen zullen voor deze soorten fungeren als bronpopulatie van waaruit via stapstenen andere bossen in de Kempen gekoloniseerd kunnen worden. De oppervlaktetoename van de droge boshabitats (9120 en 9190) wordt in de eerste plaats gerealiseerd door omvorming van niet-habitatwaardig bos. Binnen de diverse oud-boskernen in dit gebied zijn immers nog aanzienlijke oppervlaktes naaldhout aanwezig die een groot potentieel hebben voor omvorming naar habitatwaardig bos op relatief korte termijn (enkele decennia). Voor de onderlinge verbinding en een betere buffering van de boshabitatkernen is ook effectieve bosuitbreiding nodig op gronden die momenteel nog niet bebost zijn. Via bosuitbreiding van droge boshabitats kan bovendien ook een functioneel netwerk van open plekken met droge heide of heischraal grasland gecreëerd worden ten behoeve van habitattypische heidesoorten. Voor de alluviale bossen zal het aandeel van effectieve bosuitbreiding in de voorziene toename hoger liggen omdat de huidige habitatkernen in de smalle beekvalleien meestal sterk versnipperd zijn. Via bosuitbreiding worden deze versnipperde kernen zoveel mogelijk met elkaar verbonden tot robuustere gehelen. De omvorming van aangeplante populierenbossen blijft in dit gebied eerder beperkt.
  • Herstel van de natuurlijke hydrologie:

    verscheidene alluviale bossen (91E0) hebben te leiden van verdroging (door onttrekking van grondwater en/of te sterke drainage in valleigebieden) en/of eutrofiëring (door aanrijking van het grondwater in de infiltratiegebieden met nitraat en orthofosfaat) met verregaande verruiging tot gevolg. Om een goede staat van instandhouding van deze boshabitats te kunnen bereiken, is het van essentieel belang dat de natuurlijke hydrologie in de infiltratiegebieden hersteld wordt, o.m. via een aangepast bodemgebruik.
  • Doelsoorten:

    een belangrijke randvoorwaarde bij de tot doel gestelde bosomvorming en kwaliteitsverbetering zijn de habitatvereisten van de diverse soorten aan bossen gebonden vleermuizen (Bechsteins vleermuis, Brandts vleermuis/gewone baardvleermuis, franjestaart en gewone/grijze grootoorvleermuis) die in het gebied voorkomen. Deze soorten verkiezen structuurrijke loofbossen met mantels en zomen, dreven, open plekken en voldoende oude bomen met holtes en spleten. Omvorming van naaldhout en bestrijding van exoten zoals Amerikaanse eik mag dus niet ten koste gaan van levende holle bomen (waarin spechtenholen veel langer intact blijven en dus veel langer door vleermuizen kunnen gebruikt worden), staand dood hout (waarin veel keverlarven leven en waarvan de loszittende schors ook een belangrijke schuilplaats is voor vleermuizen) en drevenstructuren (die belangrijk zijn voor de connectiviteit).

Daarnaast vereisen deze vleermuissoorten ook het behoud of herstel van kleinschalige landschappen met voldoende opgaande lijnvormige elementen tussen de boscomplexen.

Naast de ‘bosvleermuizen’ zullen de volgende habitattypische soorten profiteren van deze doelstellingen:

  • middelste bonte specht, zwarte specht en wespendief, drie bijlage 1-soorten van de vogelrichtlijn;
  • de rodelijstsoorten bosbeekjuffer, bont dikkopje, bruine eikenpage, kleine ijsvogelvlinder, vinpootsalamander, hazelworm, boompieper, gekraagde roodstaart, goudvink, matkop, nachtegaal en wielewaal;
  • typische ongewervelden van oude bossen zoals de lederloopkever;
  • typische oud-bosplanten die in dit gebied hun meest noordelijke of oostelijke groeiplaatsen hebben en moeilijk vervangbaar zijn zoals wegedoorn, steeliep, bosgeelster, verspreidbladig goudveil, bosroos, dalkruid, enz.

 

[*] In sommige bossen (bv. de kleine geïsoleerde boskernen langs de Lachenenbeek) kan het Minimum Structuurareaal enkel bereikt worden via effectieve bosuitbreiding buiten de grenzen van het habitatrichtlijngebied. Deze bosuitbreidingen vallen echter buiten de scope van dit S-IHD-rapport en moeten via een ander beleidsproces (AGNAS) gerealiseerd worden.

Habitats - Boslandschap

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
9120 - Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei (Quercion robori-petraeae of Ilici-Fagenion) 9190 - Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur op zandvlakten Omschrijving

Actueel 790 ha
Toename tot 1867 ha, met als richtwaarde voor bosuitbreiding 209 ha. De belangrijkste toenames zullen gerealiseerd worden in de deelgebieden 1, 6, 7, 9, 11 en 13. In deelgebieden 7 en 13 wordt gestreefd naar een kwaliteitsvolle boshabitatkern van ca. 300 ha.

Voldoende spontane verjonging en heterogeniteit (qua leeftijd en soort) van het bomenbestand. Voldoende aandeel (dik) dood hout. Zo weinig mogelijk invasieve exoten. In de overgangsperiode naar voldoende oude inheemse soorten met holten en spleten dienen voor vleermuizen belangrijke exemplaren van Amerikaanse eik gespaard te worden. Voldoende soortenrijkdom en bedekking van sleutelsoorten in de kruidlaag. Voldoende open plekken (tot 3 ha) met droge heide en droog heischraal grasland met het oog op de creatie van een functioneel netwerk voor habitattypische heidesoorten. Geleidelijke bosranden aansluitend bij open habitats (heide en graslanden).

Doel = +
9160 - Sub-Atlantische en Midden-Europese wintereikenbossen of eiken-haagbeukbossen behorend tot het Carpinion-betuli Omschrijving

Behoud van de actuele oppervlakte van 75 ha

Voldoende spontane verjonging en heterogeniteit (qua leeftijd en soort) van het bomenbestand. Voldoende aandeel (dik) dood hout. Zo weinig mogelijk invasieve exoten. Geleidelijke bosranden aansluitend bij open habitats (graslanden en ruigtes)

Doel + +
91E0 - Alluviale bossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) en 6430 Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones Omschrijving

Actueel 500 ha
Toename tot 647 ha,met als richtwaarde voor bosuitbreiding 77 ha. De belangrijkste toenames zijn voorzien in de deelgebieden 1, 5, 6, 9, 10 en 13.

Voldoende spontane verjonging en heterogeniteit (qua leeftijd en soort) van het bomenbestand. Voldoende aandeel (dik) dood hout. Voldoende soortenrijkdom en bedekking van sleutelsoorten in de kruidlaag. Voldoende open plekken (tot 3 ha) met voedselrijke alluviale ruigtes. Geleidelijke bosranden aansluitend bij open habitats (graslanden en ruigtes). Voldoende hoog grondwaterpeil en voldoende hoge kweldruk in de beekvalleien. Goede kwaliteit van oppervlakte- en grondwater (lage nitraat- en fosfaatbelasting, …).

Soorten - Boslandschap

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel +
Bechsteins vleermuis, Brandts vleermuis/Gewone baardvleermuis, Franjestaart, Gewone/Grijze grootoorvleermuis Omschrijving

Toename van de populatie van de Bechsteins vleermuis. Instandhouding of indien mogelijk toename van de huidige populaties van de andere soorten.

Verbetering van de horizontale en verticale structuur van de bossen. Toename van het aantal (oude) bomen met holtes en spleten. Behoud en versterking van mantels en zomen, dreven en open plekken. Behoud, herstel en ontwikkeling van lijnvormige kleine landschapselementen (bomenrijen, houtkanten, …) op de aanvliegroutes naar de winterverblijfplaatsen en als verbinding tussen de zomerkolonies en de foerageergebieden. Geen toename van de verlichting op de belangrijkste verbindingsassen.

Heidelandschap

Naast de diverse boscomplexen omvat het gebied ook een aantal kleine tot middelgrote heidekernen. Het heidelandschap omvat de volgende Europese habitattypes en soorten:

  • landduinhabitats (2310 en 2330);
  • voedselarme tot matig voedselrijke vennen en plassen (3130), dystrofe vennen (3160) en oligotroof zuur overgangsveen (7140_oli);
  • voedselarme tot matig voedselrijke plassen met kranswiervegetaties (3140);
  • vochtige heide (4010) met slenken op veengronden (7150);
  • droge heide (4030);
  • droog soortenrijk heischraal grasland (6230_ha en 6230_hn);
  • drijvende waterweegbree;
  • heikikker en poelkikker;

In de heidekernen komen bovendien relictpopulaties van een hele reeks rodelijstsoorten voor. Sommige van deze habitats (3130 en 3140) komen (ook) voor in voormalige zandwinningsplassen en worden omwille van de samenhang ook onder dit landschap besproken.

Realisatie van drie middelgrote heidekernen met topkwaliteit:

Nergens in het gebied komt een voldoende grote aaneengesloten oppervlakte heide voor die nodig is voor het bereiken van een goede staat van instandhouding van de habitattypische soorten. Versterking (vergroting) van de heidekernen is dus absoluut noodzakelijk. De belangrijkste deelgebieden hiervoor zijn het militair domein van Malle, het militair domein van Tielen en de Visbeekvallei. In deze deelgebieden komen nog goed ontwikkelde landduinen voor waardoor het gebied essentieel is in Vlaanderen voor de landduinhabitats 2310 en 2330 (cfr. G-IHD). Bovendien zijn de heidekernen in de militaire domeinen centraal gelegen en door een brede bosgordel enigszins tegen negatieve externe milieu-invloeden (vermesting, verzuring, enz.) gebufferd.

  • 1. De omgeving van het vliegveld van Malle is een kerngebied in Vlaanderen voor het dwerghaverbond, een subtype van habitattype 2330. De nog grotendeels met naaldhout beboste landduinen langs het oostelijk deel van de landingsbaan kunnen vrijgemaakt worden zodat een aaneengesloten oppervlakte landduinhabitats ontstaat. Dankzij de ZW-NO-oriëntatie van de landingsbaan zijn er goede kansen voor actieve windwerking en spontane dynamiek in deze landduinen.
  • 2. In het militair domein van Tielen zullen voor het bereiken van een goede staat van instandhouding van habitattypische soorten twee middelgrote gevarieerde heidelandschappen (landduinhabitats, vochtige en droge heide, heischrale graslanden en vennen) gecreëerd worden, die met elkaar verbonden worden via een corridor langs de spoorlijn.
  • 3. De Visbeekvallei is samen met het Groot Schietveld het laatste leefgebied voor de Adder in Vlaanderen, maar de actuele populatie is te klein. De adder is een habitattypische soort voor heidebiotopen. Voor een duurzame adderpopulatie is dus een toename van de heidebiotopen noodzakelijk. Daarom zal de oppervlakte vochtige en droge heide, landduinhabitats en heischraal grasland in de Visbeekvallei aanzienlijk uitgebreid worden.

Kwaliteitsverbetering van de heidehabitats:

De habitatstructuur in de heidekernen is meestal zwak ontwikkeld en vaak dreigt ook vergrassing en/of verbossing door gebrek aan beheer. Naast oppervlaktetoename is dus ook kwaliteitsverbetering van de heidekernen aan de orde. Dit heeft betrekking op het verhogen van de habitatstructuur en het terugdringen van vergrassing en verbossing door gericht beheer. In vochtige heide is vergrassing en verbossing vaak het gevolg van verdroging. De kwaliteitsverbetering van de vochtige heide is dus onlosmakelijk verbonden met het herstel van de natuurlijke hydrologie.

Toename van vennen met Oeverkruidgemeenschappen en van de populaties Drijvende waterweegbree:

Het behoud van de goed ontwikkelde vegetaties van voedselarme tot matige voedselrijke stilstaande wateren (3130 en 3140) in voormalige zandwinningsplassen (Mellevijver, centrale vijver in het Grotenhoutbos) is een eerste doelstelling. Daarnaast zal de oppervlakte vennen met Oeverkruidgemeenschappen (3130) op korte termijn toenemen door venherstel in de Visbeekvallei (cfr. LIFE-project) en door de herinrichting van sommige verlaten visvijvers in de valleien van de Grote Kaliebeek en de Visbeek. Deze oppervlaktetoename geeft kansen voor de uitbreiding van het aantal populaties Drijvende waterweegbree in het gebied. Van deze soort, waarvoor het gebied ook van essentieel belang is in Vlaanderen, komt momenteel immers slechts één populatie voor in de Mellevijver.

Realisatie van een uitgestrekt complex van schrale graslanden in het militair domein van Malle

Langs de landingsbaan van het militair domein van Malle komt reeds een aanzienlijke oppervlakte soortenrijk struisgrasland (6230_ha) voor. Daarom is het gebied ook voor dit Europees prioritaire habitattype essentieel in Vlaanderen (cfr. G-IHD). Dankzij een samenspel van factoren (geschikte bodem, aangepast beheer, goede buffering van het vliegveld door de omliggende boscomplexen, …) zijn hier grote potenties voor het bereiken van een goede staat van instandhouding van dit habitattype en verscheidene habitattypische soorten. Ook de graslanden aan de westzijde van de landingsbaan dienen dus omgevormd te worden naar een complex van schrale onbemeste graslanden. In dit complex zal ruimte zijn voor ca. 10 ha extra soortenrijk struisgrasland. In de andere deelgebieden wordt gestreefd naar het onderling verbinden van de sterk versnipperde heischrale graslandjes tot grotere gehelen.

Doelsoorten

De volgende habitattypische soorten zullen profiteren van deze doelstellingen:

  • heikikker en poelkikker, twee bijlage 2-soorten van de habitatrichtlijn
  • nachtzwaluw en boomleeuwerik, twee bijlage 1–soorten van de vogelrichtlijn
  • de volgende rodelijstsoorten: gouden sprinkhaan, heidesabelsprinkhaan, negertje, snortikker, veldkrekel, beekoeverlibel, noordse witsnuitlibel, venglazenmaker, venwitsnuitlibel, koraaljuffer, tangpantserjuffer, groentje, heivlinder, heideblauwtje, zandloopkevers, vinpootsalamander, levendbarende hagedis, adder, tapuit
  • diverse soorten zeldzame en bedreigde spinnen, lieveheersbeestjes, loopkevers, spinnendoders, mieren, goudwespen, roofvliegen, enz.

Habitats - Heidelandschap

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
2310 – Psammofiele heide met Calluna- en Genistasoorten en 2330 - Open grasland met Corynephorus- en Agrostissoorten op landduinen Omschrijving

Actueel 75 ha
Toename met 82 ha via omvorming van vooral met naaldhout beboste landduinen in (de omgeving van) het militair domein van Malle (deelgebied 7), in het militair domein van Tielen (deelgebied 13) en in de Visbeekvallei (deelgebied 9). Het grootste deel van de beoogde oppervlaktetoename in het militair domein van Tielen (22-23 ha) zal resulteren uit het recent gerealiseerde DANAH-project.

Aanwezigheid van de verschillende successiestadia inclusief plekken open zand. Actieve windwerking (dynamiek) in deelgebied 7. Minimale verstoring door recreatie. Vermindering van eutrofiërende en verzurende atmosferische deposities.

Doel + +
3130 - Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot het Littorelletalia uniflorae en/of Isoëto-Nanojuncetea en 3160 Dystrofe natuurlijke poelen en meren en 7140_oli Oligotroof zuur overgangsveen Omschrijving

Actueel 25 ha
Toename met 11 ha door venherstel in de Visbeekvallei (deelgebieden 9 en 10) en het militair domein van Tielen (deelgebied 13) en door herinrichting van verlaten visvijvers in de Visbeekvallei (deelgebieden 9 en 10). Het grootste deel van de beoogde oppervlaktetoename in het militair domein van Tielen (6-7 ha) zal resulteren uit het recent goedgekeurde DANAH-project. Samen met de toename van de oppervlakte venhabitats zal de oppervlakte oligotroof zuur overgangsveen (subtype 7140_oli) toenemen.

Natuurlijke hydrologie (hoge grondwaterstand). Helder, zeer zwak tot matig gebufferd en min of meer nutriëntenarm water met een lage stikstof- en fosforconcentratie ((totaal fosfor < 40 µg/l) en een matig zure tot circumneutrale pH (pH 5 – 7,5). Vrije oevers (zonder opslag van bomen en struiken). Voldoende windwerking (voor subtype 3130_aom). Natuurlijke visstand. Zo weinig mogelijk invasieve exoten. Vermindering van eutrofiërende en verzurende atmosferische deposities.

Doel = +
3140 - Kalkhoudende oligo-mesotrofe wateren met benthische Chara spp. vegetaties Omschrijving

Behoud van de huidige oppervlakte (ca. 16 ha) van dit habitat in de Mellevijver (deelgebied 8)

Helder, min of meer nutriëntenarm water met een lage stikstof- en fosforconcentratie en een circumneutrale tot alkalische pH. Vrije oevers (zonder opslag van bomen en struiken). Zo weinig mogelijk invasieve exoten.

Doel + +
4010 - Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix en 7150 Slenken in veengronden met vegetatie behorend tot het Rhynchosporion Omschrijving

Actueel 7 ha
Toename met 86 ha via omvorming van naaldhoutaanplanten en voormalige landbouwpercelen (afgraving, uitmijning of verschraling) . De grootste omvormingen vinden plaats in de Visbeekvallei (deelgebied 9) en het militair domein van Tielen (deelgebied 13). Samen met de toename van de oppervlakte vochtige heide zal de oppervlakte van de slenkvegetaties (7150) toenemen. Het grootste deel van de beoogde oppervlaktetoename in het militair domein van Tielen (ca. 7 ha) zal resulteren uit het recent gerealiseerde DANAH-project.

Natuurlijke hydrologie met voldoende hoge grondwaterstand. Instandhouding van een bepaalde oppervlakte slenkvegetaties (7150) in de vochtige heide. Vermindering van eutrofiërende en verzurende atmosferische deposities.

Doel + +
4030 - Droge Europese heide Omschrijving

Actueel 15 ha
Toename met 43 ha via omvorming van naaldhoutaanplanten en voormalige landbouwpercelen (afgraving, uitmijning of verschraling) in de Visbeekvallei (deelgebied 9) en in het militair domein van Malle (deelgebied 7).

Aanwezigheid van alle ouderdomsstadia van struikhei (van pionier- tot degeneratiestadium) in functie van een hoge structuurrijkdom en het voorkomen van habitattypische soorten. Maximaal 30 % vergrassing. Vermindering van eutrofiërende en verzurende atmosferische deposities.

Doel + +
6230_ha en 6230_hn Droge soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa) Omschrijving

Actueel 22 ha
Toename met 15 ha via omvorming van voormalige landbouwpercelen (afgraving, uitmijning of verschraling) en omvorming van niet-habitatwaardig bos in de deelgebieden 7, 9 en 13. Veruit het grootste deel (ca. 10 ha) van deze toename wordt ingenomen door de oppervlaktetoename van het soortenrijk struisgrasland in het militair domein van Malle (deelgebied 7).

Maximaal 5 % verbossing en verruiging. Vermindering van eutrofiërende en verzurende atmosferische deposities.

Soorten - Heidelandschap

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
Drijvende waterweegbree Omschrijving

Toename van de populatiegrootte in de Mellevijver (deelgebied 8) tot meer dan 1000 planten. Terugkeer van duurzame populaties (minimaal 100-1000 planten per populatie, minimaal 5-50 m2 en bloeiende planten of vruchten aanwezig) in het militair domein van Tielen (deelgebied 13) en in de Visbeekvallei (deelgebieden 9 en 10). De uitbreiding van het aantal populaties spoort samen met de tot doel gestelde oppervlaktetoename van habitat 3130.

Behoud van de pionierscondities (voldoende windwerking, …) in de Mellevijver. Herstel van zwak gebufferde vennen met voldoende windwerking. Vermindering van eutrofiërende en verzurende atmosferische deposities.

Doel + +
Heikikker, Poelkikker Omschrijving

Uitbreiding van de populaties in het militair domein van Tielen (deelgebied 13) tot minimaal 50-200 roepende mannetjes.

Gepaste zuurtegraad van het water in de vennen, dus voldoende gebufferd grondwater. Natuurlijke hydrologie met voldoende hoge grondwaterstand.

Open beekdallandschap

De valleien van de talrijke beken die het gebied doorkruisen, vormen een aparte landschapsecologische eenheid. Vaak worden ze gekenmerkt door kalk- en ijzerrijke kwel waardoor ze abiotisch sterk contrasteren met de andere delen van het gebied en specifieke habitats en soorten herbergen. Het open beekdallandschap omvat volgende habitattypes en soorten:

  • van nature voedselrijke plassen (3150) en circum-neutraal mineraalrijk overgangsveen (7140_meso) ;
  • traag stromende laaglandbeken met helder, zuurstofrijk water en een goed ontwikkelde waterplantengemeenschap (3260);
  • vochtig heischraal grasland (6230_hmo);
  • beekbegeleidende schraalgraslanden (6410);
  • voedselrijke alluviale ruigtes van het Moerasspireaverbond (6430_hf);
  • glanshaverhooiland (6510_hu);
  • dotterbloemgraslanden (rbbhc);
  • kleine en grote zeggenvegetaties (rbbms en rbbmc);
  • moerasspirearuigtes met graslandkenmerken (rbbhf);
  • geel schorpioenmos;
  • kleine modderkruiper en rivierdonderpad;
  • vleermuizen die open water en moerassen als jachtgebied prefereren. In het beekdallandschap komen ook alluviale bossen voor, maar deze worden besproken bij het boslandschap.

Realisatie van een aaneensluitend netwerk van habitatwaardige beektrajecten met gezonde populaties van rivierdonderpad en kleine modderkruiper:

habitatwaardige beektrajecten met helder, zuurstofrijk water en een goed ontwikkelde waterplantengemeenschap (habitattype 3260) komen momenteel nog maar zeer sporadisch voor in dit gebied. In verscheidene beken komen kleine modderkruiper en/of rivierdonderpad voor, maar uit de schaarse monitoringgevens blijkt dat de populaties van deze Europees beschermde vissoorten sterk onder druk staan. Beide knelpunten hebben dezelfde oorzaken: ongezuiverde (huishoudelijke) lozingen, te frequent werkende overstorten, te diepe en te frequente beekruimingen en de aanwezigheid van migratieknelpunten. Ook de beekmorfologie laat vaak te wensen over met steile oevers, hoge oeverwallen door ophoping van (nutriëntenrijk) slib, en een egale beekbodem met weinig sedimentvariatie. Wanneer de waterkwaliteit verbetert, zijn er grote potenties voor de ontwikkeling van habitattype 3260 aangezien de beken in het gebied meestal een goede structuurkwaliteit hebben. Een verdere verbetering van de waterkwaliteit is zeker te verwachten aangezien het Decreet Integraal Waterbeleid bepaalt dat alle Vlaamse waterlichamen uiterlijk tegen 2021 een goede toestand dienen te bereiken. Voor het speerpuntgebied Molenbeek-Bollaaak dient dit reeds tegen 2015 het geval te zijn. Daarom wordt in samenhang met het benedenstrooms gelegen habitatrichtlijngebied “Valleigebied van de Kleine Nete met brongebieden, moerassen en heide” (BE2100026) de realisatie van een aaneensluitend netwerk van habitatwaardige beektrajecten zonder migratieknelpunten en met een aangepast beheer als doelstelling naar voor geschoven. Dit netwerk moet de ontwikkeling van gezonde populaties rivierdonderpad en kleine modderkruiper mogelijk maken. De herinrichting van verlaten visvijvers in de valleien van de Visbeek en de Grote Kaliebeek zal veel kansen geven voor de ontwikkeling van van nature voedselrijke plassen (3150) en de hiermee samen voorkomende verlandingsvegetaties (7140_meso).

Realisatie van een voldoende grote aaneengesloten oppervlakte beekbegeleidende graslanden en ruigtes in de valleien van de Tappelbeek en de Visbeek:

dit gebied is in Vlaanderen essentieel voor beekbegeleidende schraalgraslanden (6410), omdat er nog een vallei is waar het zeldzame subtype blauwgrasland (6410_mo) voorkomt, en voor geel schorpioenmos dat in dit blauwgrasland haar enige groeiplaats in Vlaanderen heeft. Verspreid in de beekdalen komen ook veldrusgraslanden (6410_ve), voedselrijke alluviale ruigtes (6430_hf) en relicten van glanshaverhooilanden (6510_hu) voor. Vele van deze waardevolle vochtige graslanden zijn verruigd en verbost of helemaal verdwenen door verdroging, eutrofiëring en gebrek aan beheer. In dit gebied zijn er echter veel potenties voor deze graslanden. Langs de Tappelbeek in het Zoerselbos en in de Visbeekvallei wordt een voldoende grote aaneengesloten oppervlakte (telkens ca. 30 ha) van beekbegeleidende graslanden en ruigtes tot doel gesteld. In beide gevallen zal het gaan om een mozaïek van Europees beschermde habitattypes (veldrusgraslanden en glanshaverhooilanden) enerzijds en regionaal belangrijke biotopen (dotterbloemgraslanden, grote en kleine zeggenvegetaties, moerasspirearuigtes met graslandkenmerken) anderzijds. In het Zoerselbos zal dit gebeuren in het kader van het natuurinrichtingsproject door het herstel van een oud vloeibeemdencomplex waarin nog typische soorten (Graslathyrus, Beemdlangbloem, …) voorkomen, en in de Visbeekvallei in het kader van het LIFE-project. Ook in de vallei van het Groot Schijn wordt gestreefd naar een oppervlakte-uitbreiding van veldrus- en blauwgraslanden (6410) en vochtig heischraal grasland (6230_hmo). De graslanden van het Vrieselhof en de Rundvoort behoren immers tot de best ontwikkelde en soortenrijkste van het hele habitatrichtlijngebied, maar zijn nu nog te gefragmenteerd.

Herstel van de lokale hydrologie en van een aangepast graslandbeheer in de beekvalleien:

op verschillende plaatsen (Zalfenbos in Malle, vallei van de Rode Loop, …) wordt de natuurlijke grondwaterkwel in de beekvalleien weggevangen door drainagegrachten of grondwaterwinningen of wordt het grondwater in de infiltratiegebieden aangerijkt door meststoffen. Hierdoor verdrogen of verruigen de kwelafhankelijke habitats en worden ze niet meer gebufferd tegen verzuring. Herstel van de natuurlijke hydrologie is een essentiële randvoorwaarde voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor deze habitats. Voor het behoud van deze habitats is ook een aangepast extensief graslandbeheer noodzakelijk. Mee sturend voor de tot doel gestelde kwaliteitsverbetering van de stilstaande wateren en beekvalleien in het gebied zijn de habitatvereisten van de diverse soorten aan vochtige tot natte ecotopen gebonden vleermuizen (watervleermuis, meervleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis) die in het gebied voorkomen.

Deze soorten verkiezen

- ofwel open waterpartijen met een goede waterkwaliteit, een natuurlijke visstand in evenwicht met de draagkracht van de plas, en natuurlijke oevers begroeid met oevervegetatie

- ofwel open beekvalleien met een mozaïek van vochtige graslanden, ruigtes enz.

Habitats - Open beekdallandschap

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
3150 - Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition en 7140_meso Circumneutraal mineraalrijk overgangsveen Omschrijving

Actueel 5 ha
Toename met 2 ha via herinrichting van verlaten visvijvers in de vallei van de Grote Kaliebeek (deelgebied 13). Samen met de toename van de oppervlakte habitatwaardige vijvers zal de oppervlakte verlandingsvegetaties (subtype 7140_meso) gevoelig toenemen.

Helder, matig nutriëntenrijk (niet hypertroof) water met een matige stikstof- en fosforconcentratie (en een min of meer neutrale tot matig alkalische pH). Voldoende lichtinval. Natuurlijke visstand. Zo weinig mogelijk invasieve exoten.

Doel + +
3260 - Submontane en laagland rivieren met vegetaties behorend tot het Ranunculion fluitans en het Callitricho-Batrachion Omschrijving

Realisatie van een aaneensluitend netwerk van habitatwaardige beektrajecten in samenhang met de SBZ-H “Valleigebied van de Kleine Nete met brongebieden, moerassen en heide” (BE2100026). Zowel in de Tappelbeek, de Molenbeek-Bollaak en de Visbeek wordt gestreefd naar een aaneensluitend habitatwaardig traject van 8 km. Deze doelstelling zal binnen deze SBZ-H gerealiseerd worden door de provincie Antwerpen. In de SBZ-H “Valleigebied van de Kleine Nete met brongebieden, moerassen en heide” is ook het Vlaams Gewest (in casu de Vlaamse Milieumaatschappij en de nv Waterwegen en Zeekanaal) een belangrijke partner.

Hooguit matig eutroof water met een lage stikstof- en fosforconcentratie, lage concentratie bestrijdingsmiddelen en lage sedimentvracht. Natuurlijke beekstructuur (meandering, afwisseling sedimentfracties, …). Geen ongezuiverde lozingen en zo weinig mogelijk overstorten. Zo weinig mogelijk ruimingen.

Doel + +
6410 - Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Eu-Molinion) en 6230_hmo Vochtige soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa) Omschrijving

Actueel 6,5 ha
Toename met 16 ha 6410 en 1,5 ha
Toename met 12 ha 6230_hmo via omvorming van verruigde en verboste graslanden in de deelgebieden 1, 6 en 9. De grootste omvormingen zullen plaats vinden in de valleien van de Tappelbeek (deelgebied 6) en de Visbeek (deelgebied 9). Deze doelstelling omvat eveneens de lokale toename van het blauwgrasland in het Vrieselhof (deelgebied 1) tot maximum 1,5 ha binnen een bufferende vegetatie van 5 ha via omvorming van enkele percelen alluviaal bos.

Natuurlijke hydrologie met een hoge grondwaterstand en mineraalrijke kwel. Maximaal 5% verbossing en 10% verruiging. Voldoende bufferende vegetatie rond het blauwgrasland in het Vrieselhof. Gevarieerd microreliëf van droge kopjes (6230_hmo), laagtes met tijdelijk stagnerend regenwater (dominantie van kleine zeggen) en overgangssituaties waar de kwelinvloed overheerst (6410) is essentieel voor de vele zeldzame soorten. Geen stagnerend regenwater over een grote oppervlakte. Vermindering van eutrofiërende en verzurende atmosferische deposities.

Doel + +
6510 - Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis) Omschrijving

Actueel ca. 2,5 ha
Toename met 5 ha via omvorming van verruigde en verboste graslanden in de valleien van de Tappelbeek (deelgebied 6) en de Visbeek (deelgebied 9).

Maximaal 5 % verbossing en 10 % verruiging

Soorten - Open beekdallandschap

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
Beekprik Omschrijving

Terugkeer van een populatie in de Molenbeek-Bollaak en haar zijbeken (Tappelbeek, …).

Goede waterkwaliteit (BBI ≥ 8: geen of slechts plaatselijk organische belasting). Geen migratieknelpunten (stuwen, duikers, spuien, …). Geen (of enkel gefaseerde) slib- en kruidruimingen in de beektrajecten waar de soorten voorkomen.

Doel + +
Geel schorpioenmos Omschrijving

Uitbreiding van de populatie in het Vrieselhof (deelgebied 1) tot meer dan 100 m2 of meer dan 10 duidelijk gescheiden groeiplaatsen. Deze doelstelling zal gerealiseerd worden op percelen beheerd door de provincie Antwerpen.

Aangepast maaibeheer van het blauwgrasland in het Vrieselhof. Herstel natuurlijke hydrologie (o.m. mineraalrijke kwel). Geen stagnerend regenwater over een grote oppervlakte. Vermindering van eutrofiërende en verzurende atmosferische deposities.

Doel +
Kleine dwergvleermuis, Meervleermuis, Rosse vleermuis, Ruige dwergvleermuis, Watervleermuis Omschrijving

Instandhouding of indien mogelijk groei van de huidige populaties .

Voldoende gemengde loofbossen en parken in de omgeving van de foerageergebieden. Toename van het aantal (oude) bomen met holtes en spleten. Open water (grote waterplassen, rivieren en kanalen) met beschutte, vegetatierijke oevers zonder een overvloed aan bedekkende of drijvende waterplanten of gevarieerde beekvalleien (met vochtige graslanden, ruigtes, perceelsrandbegroeiing, …) in de onmiddellijke omgeving van de zomerverblijfplaatsen. Verbetering van de waterkwaliteit van open water. Natuurlijke visstand en zo weinig mogelijk invasieve exoten in de waterplassen. Behoud, herstel en ontwikkeling van lijnvormige kleine landschapselementen (bomenrijen, houtkanten, …) op de aanvliegroutes naar de winterverblijfplaatsen en als verbinding tussen de zomerkolonies en de foerageergebieden. Vermijden van lichtpollutie op vliegroutes en jacht, zwerm-, paar- en overwinteringsplaatsen.

Doel + +
Kleine modderkruiper, Rivierdonderpad Omschrijving

Voldoende grote populaties (minimaal 350-2000 individuen/ha voor kleine modderkruiper en minimaal 100-200 individuen/ha voor rivierdonderpad) met een evenwichtige populatiestructuur en een voldoende grote genetische diversiteit in de Laarse Beek, het Groot Schijn, de Molenbeek-Bollaak, de Tappelbeek, de Kleine Wilboerebeek, de Kleine Beek, de Visbeek en de Rode Loop. Deze doelstelling spoort samen met de tot doel gestelde realisatie van een aaneensluitend netwerk van habitatwaardige beektrajecten (zie bij habitattype 3260) en moet ook in samenhang gezien worden met de instandhoudingsdoelstellingen voor de SBZ-H “Valleigebied van de Kleine Nete met brongebieden, moerassen en heide” (BE2100026). Deze doelstelling zal binnen deze SBZ-H gerealiseerd worden door de provincie Antwerpen. In de SBZ-H “Valleigebied van de Kleine Nete met brongebieden, moerassen en heide” is ook het Vlaams Gewest (in casu de Vlaamse Milieumaatschappij en de nv Waterwegen en Zeekanaal) een belangrijke partner.

Bijkomende kwaliteitseisen ten opzichte van het habitattype 3260 inzake BZV, zuurstofgehalte en temperatuur en afwezigheid migratieknelpunten. Geen migratieknelpunten (stuwen, duikers, spuien, …). Geen (of enkel gefaseerde) slib- en kruidruimingen in de beektrajecten waar de soorten voorkomen. Bijkomend voor rivierdonderpad: voldoende dood hout of andere harde substraten in de bedding van de waterloop.

Kleinschalige landschappen

In het habitatrichtlijngebied komen nog een drietal vleermuissoorten voor die een breed spectrum van jachtgebieden hebben en eerder in kleinschalige landschappen foerageren.

Soorten - Kleinschalige landschappen

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel +
Gewone dwergvleermuis, Ingekorven vleermuis, Laatvlieger Omschrijving

Instandhouding of indien mogelijk groei van de huidige populaties .

Behoud, herstel en ontwikkeling van kleine landschapselementen (vooral bomenrijen en houtwallen) en een halfopen landschap. Voldoende gemengde loofbossen en parken in de omgeving van de foerageergebieden. Toename van het aantal (oude) bomen met holtes en spleten.

Vleermuisverblijf-, zwerm- en paarplaatsen

Hieronder vallen de overwinteringsplaatsen van vleermuizen die deel uitmaken van dit habitatrichtlijngebied, nl. het fort van Oelegem, de schans van Schilde en de aanwezige bunkers.

Soorten - Vleermuisverblijf-, zwerm- en paarplaatsen

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel +
Bechsteins vleermuis, Brandts vleermuis/Gewone baardvleermuis, Franjestaart, Gewone/Grijze grootoorvleermuis, Ingekorven vleermuis, Meervleermuis, Watervleermuis Omschrijving

Behoud of toename van de overwinterende populatie in het fort van Oelegem, de schans van Schilde en de aanwezige bunkers.

Behouden, verbeteren en bufferen van het geschikt microklimaat in het fort van Oelegem zodat aan volgende kwaliteitseisen voldaan is: geen verstoring van de betreffende soorten; zones met stabiele hoge temperatuur tussen 7 en 10°C; zeer hoge relatieve luchtvochtigheid (> 90 %); maximaal tochtvrij; geen lichtpollutie in winterverblijfplaatsen, zwermplaatsen, fortgrachten en aanvliegroutes. Behoud, verbetering en buffering van het geschikt microklimaat in de schans van Schilde zodat aan volgende kwaliteitseisen voldaan is: geen verstoring van de betreffende soorten; stabiele vorstvrije temperatuur; zeer hoge relatieve luchtvochtigheid (> 90%); tochtvrij; geen lichtpollutie in winterverblijfplaatsen, zwermplaatsen, fortgrachten en aanvliegroutes. Behoud van de gunstige toestand van zwerm- en paarplaatsen.

2.2 Prioritaire inspanningen

In samenhang met de hoger beschreven doelstellingen is in het S-IHD-besluit door de Vlaamse Regering een aantal prioritaire inspanningen vastgesteld. Dit is een globale omschrijving van de acties die noodzakelijk zijn voor de realisatie van deze doelstellingen. Voor de uitvoering van de prioritaire inspanningen zijn vaak meerdere acties nodig. Hoofdstuk 4 van dit voortgangsdocument (Inspanningsmatrix) geeft de concrete acties weer die uitvoering geven aan deze prioritaire inspanningen.

3 Oppervlaktebalans

Dit hoofdstuk geeft de stand van zaken weer van de realisatie van de taakstelling, met name van de oppervlaktedoelen, op basis van het passend beheer. Het passend beheer is wettelijk gedefinieerd in het Instandhoudingsbesluit van 20 juni 2014. Het is de oppervlakte waarvoor in een natuurbeheerplan of daarmee vergelijkbaar plannen of overeenkomsten, een of meer Europees te beschermen habitattype(s) of een leefgebied van een of meer Europees te beschermen soort(en) als natuurstreefbeeld is vastgesteld. 

De oppervlaktebalans in dit voortgangsdocument is enkel opgemaakt voor de Europees te beschermen habitats, op basis van de inventarisatie van het terreinbeheer door het ANB, verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen (met name Natuurpunt vzw, vzw Durme en Limburgs Landschap vzw). Voor leefgebieden van Europees te beschermen soorten was dergelijke inventarisatie niet mogelijk met de bestaande gegevens, zodat een oppervlaktebalans per Europees te beschermen soort niet opgenomen is. 

Onderstaande tabel geeft per Europees te beschermen habitat:

  • De habitat code: de code van het habitat waarvoor een doel is gesteld (zie §2.1 'Doelen', voor de benaming en beschrijving);
  • Het totaal doel: de tot doel gestelde oppervlakte per habitat;
  • Het passend beheer: de oppervlakte met passend beheer zoals vastgesteld in een goedgekeurd natuurbeheerplan of daarmee vergelijkbare plannen of overeenkomsten;
  • De openstaande taakstelling: de oppervlakte die wordt berekend als het verschil tussen het totaal doel en de oppervlakte met passend beheer.

In de oppervlaktebalans worden alle oppervlakten weergegeven in hectare, tenzij anders aangegeven. De tabel geeft de situatie in februari 2017 weer.

4 Inspanningsmatrix

Dit hoofdstuk formuleert de acties die uitvoering geven aan de prioritaire inspanningen die vastgesteld werden in het S-IHD-besluit. Daarbij wordt op basis van het Vlaams Natura 2000-programma 2016-2020 aangegeven welke acties behoren tot het bindend deel van de taakstelling (zie hoofdstuk 1). De overige acties behoren tot het richtinggevend deel van de taakstelling. 

Elke actie wordt in onderstaande tabel beschreven, met volgende rubrieken:

  • Nr. actie: het nummer van de actie is een samenstelling van het nummer van de prioritaire inspanning en het nummer van de actie zelf. 
  • Omschrijving actie: geeft beknopt aan wat er moet gebeuren, waarom, met welk resultaat en waar.
  • Prioritaire inspanning: de prioritaire inspanning waaraan deze actie invulling geeft. Vanaf prioritaire inspanning 100 worden acties weergegeven die niet onder de prioritaire inspanningen van hoofdstuk 2.2 vallen. Deze acties zijn toegevoegd aan het voortgangsdocument, aanvullend op de prioritaire inspanningen, omdat ze eveneens nodig zijn om tot de gunstige lokale staat van instandhouding te komen van de betreffende habitat(s) of soort(en).
  • Actie voor de verbetering van het natuurlijk milieu: indien in deze kolom een ‘ja’ staat, dan is deze actie ingeschreven voor de verbetering van het natuurlijk milieu als omschreven in hoofdstuk 5. 
  • Deelgebied(en): de deelgebieden waar deze actie uitgevoerd zal worden. Indien in de tabel geen nummer van een deelgebied is opgegeven, is de actie van toepassing op de volledige SBZ. 
  • Habitats/soort(en): de Europees te beschermen habitat(s) en/of soort(en) waarvoor de actie ondernomen wordt. Het gaat om habitats en soorten waarvoor doelen opgenomen zijn in het S-IHD-besluit en om (cursief aangegeven) habitattypische soorten. Habitattypische soorten zijn kenmerkend voor één of soms meerdere habitattypes. Een habitattype kan enkel in een regionaal gunstige staat van instandhouding verkeren als binnen Vlaanderen ook de habitattypische soorten gelinkt aan dit habitattype in een regionaal gunstige staat van instandhouding verkeren. Meer gedetailleerde informatie over habitattypische soorten is beschikbaar in referenties 1, 2 en 3 (zie hoofdstuk 8).
  • Trekker: de organisatie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de actie.
  • Andere betrokkenen: de organisaties of actoren die betrokken zijn bij de actie, als uitvoerder, omwille van mogelijke impact, het leveren van kennis,…
  • Timing: het moment waarop de uitvoering van de actie start. Kan pas ingevuld worden indien de status ‘gepland’ of ‘in uitvoering’ is.
  • Status: hierbij is onderscheid gemaakt tussen:
    • Op te starten: de actie is benoemd maar nog niet opgestart.
    • In onderzoek: het plan of project voor de uitvoering van de actie is in ontwikkeling. Een trekker is aangeduid en gestart met de voorbereiding van het plan of project .
    • Plan in opmaak: de opmaak van het uitvoeringsplan is gestart. 
    • Plan beschikbaar: het uitvoeringsplan is afgerond en door de betrokken partijen goedgekeurd. De uitvoering ervan moet nog opgestart worden. 
    • In uitvoering: de actie wordt momenteel uitgevoerd.
    • Uitgevoerd: de uitvoering van de actie is beëindigd.
    • Stopgezet: de uitvoering van de actie is stopgezet zonder dat ze helemaal is beëindigd; er is geen plan om ze terug op te starten.
  • Bindend: deze lijn verschijnt enkel als de actie deel uitmaakt van het bindend deel van de taakstelling (zie hoofdstuk 1). Hierbij is onderscheid gemaakt tussen:
    • Stand still: actie noodzakelijk voor de stand still of het tegengaan van achteruitgang.
    • 2020: actie noodzakelijk voor het bereiken van een gunstige of verbeterde staat van instandhouding voor 16 habitats tegen 2020.
    • Deelgebied(en): de deelgebied(en) waarvoor de actie bindend is (sommige acties zijn bindend voor een deelgebied maar richtinggevend voor een ander).
    • Habitats/soorten: de habitats en/of soorten waarvoor de actie bindend is (sommige acties zijn bindend voor een habitat en/of soort maar richtinggevend voor andere habitats en/of soorten).

De tabel geeft de situatie weer in augustus 2017.

5 Overzichtkaart

De overzichtskaart biedt informatie voor en een stand van zaken over de realisatie van de doelen voor deze SBZ. De verschillende onderdelen zijn te consulteren via een geoloket.

 

 5.1 Synthesekaart

De synthesekaart biedt een samengesteld, vereenvoudigd overzicht van de actuele Europees te beschermen habitats en de oppervlaktes Europees te beschermen habitats onder passend beheer (zie hoofdstuk 3).

In het geoloket wordt de synthesekaart weergegeven met dit symbool 

5.2 Situering van de actuele Europees te beschermen habitats

De kaarten ‘Actueel habitat’ geven indicatief de ligging van de actuele Europees te beschermen habitats in deze SBZ weer, op basis van referentie 9 (zie hoofdstuk 6). De kaart ‘Actueel habitat overzicht’ geeft een overzicht alle actuele habitats. De kaarten ‘Actueel habitat per cluster’ en ‘Actueel habitat per habitat’ maken de actuele habitats respectievelijk in clusters van verwante habitats en voor elk habitat apart zichtbaar.

In het geoloket wordt de kaart: 

  • actueel habitat overzicht weergegeven met dit symbool   
  • actueel habitat per cluster met dit symbool  
  • actueel habitat per habitat met dit symbool 

5.3    Situering van de gebieden beheerd met het oog op de realisatie van de doelen

De kaarten ‘Passend beheer’ (voor definitie, zie hoofdstuk 3) geven indicatief weer welke oppervlaktes Europees te beschermen habitats onder passend beheer zijn bij het ANB, verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen (zie hoofdstuk 3). De kaart ‘Passend beheer overzicht’ geeft het overzicht van alle oppervlaktes onder passend beheer voor habitats. De kaarten ‘Passend beheer per cluster’ en ‘Passend beheer per habitat’ maken de oppervlaktes onder passend beheer respectievelijk in clusters van verwante habitats en voor elk habitat apart zichtbaar.

De huidige kaart geeft de situatie weer in februari 2017.

In het geoloket wordt de kaart :

  • oppervlakte onder passend beheer overzicht weergegeven met dit symbool 
  • oppervlakte onder passend beheer per cluster weergegeven met dit symbool 
  • oppervlakte onder passend beheer per habitat weergegeven met dit symbool 

5.4 Situering van de vegetaties relevant als leefgebied voor Europees te beschermen soorten

Omdat voor de vegetaties relevant als leefgebied voor Europees te beschermen soorten geen terreininventarisatiegegevens bestaan, werd deze kaart opgemaakt door middel van een ruimtelijk model. Dit model werkt op basis van de ecologische karakteristieken van de soort, aangevuld met actuele verspreidingsgegevens en de verbreidingscapaciteit van de soort. De bekomen afbakening vormt op dit moment de best beschikbare benadering van de actuele leefgebieden van de betreffende soorten. Voor een gedetailleerde beschrijving van de methodiek wordt verwezen naar referenties 4, 5 en 6 (zie hoofdstuk 6).

De opmaak ervan was niet voor alle Europees te beschermen soorten mogelijk omdat

  • een aantal mobiele soorten zeer ruime en weinig gedifferentieerde leefgebieden kent (bv. slechtvalk, kokmeeuw);
  • voor de leefgebiedkarakteristieken van bepaalde soorten geen (gebiedsdekkende) kaartlaag voorhanden is (bv. bittervoorn en kleine modderkruiper);
  • voor een aantal soorten de wetenschappelijke kennis en de beschikbare data ontoereikend zijn (bv. vleermuizen).

In het geoloket worden de leefgebieden weergegeven met de symbolen symbool leefgebieden voor het overzicht,  Synthesekaart Groepen voor de groepen en symbool leefgebieden voor de soorten, en dit enkel voor soorten waarvoor de opmaak van de kaarten mogelijk was en waarvoor doelen zijn ingeschreven in het S-IHD-besluit.

5.5 Situering van de aanwezigheid van habitattypische soorten

Onderstaand overzicht geeft indicatief weer welke habitattypische soorten actueel voorkomen per deelgebied op basis van referenties 7 en 8 (zie hoofdstuk 6). Habitattypische soorten zijn soorten die kenmerkend zijn voor één of soms meerdere habitattypes. Voor het bereiken van de regionaal gunstige staat van instandhouding van het habitat, moeten de populaties van de habitattypische soorten, verbonden aan dat habitat, ook in een regionaal gunstige staat van instandhouding worden gebracht of gehouden. Meer gedetailleerde informatie over habitattypische soorten is beschikbaar in referenties 1, 2 en 3 (zie hoofdstuk 6).

 

6 Referenties

1.:  Geert De Knijf, Desiré Paelinckx (2012). Typische faunasoorten van de verschillende Natura 2000 habitattypes, in functie van de beoordeling van de staat van instandhouding op niveau Vlaanderen (ref. INBO.A.2013.139)

2.: Adriaens, Dries; Adriaens, Tim; Ameeuw, Griet (2008). Ontwikkeling van criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de habitattypische soorten (ref. INBO.R.2008.35)

3: Adriaens, P. & Ameeuw, G. (red) (2008). Ontwikkeling van criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de vogelrichtlijnsoorten.  D/2008/3241/287 (ref.INBO.R.2008.36)

4.: Maes et al. (2015). Afbakenen van potentiële leefgebiedenkaarten voor Europese en Vlaamse prioritaire soorten in het kader van de voortoets. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2015. (versie 2.0). (ref. INBO.R.2015.10201559). 

5: : Maes D., Anselin A., De Knijf G., Denys L., Devos K., Gouwy J., Leyssen A., Packet J., Pauwels I., Pollet M., Speybroeck J., Stienen E., Thomaes A., T’jollyn F., Van Den Berge K., Van Landuyt W., Van Thuyne G., Vermeersch G. & Verhaeghe F. (2017). Afbakenen van actueel relevant potentieel leefgebied voor een selectie van Europees prioritaire soorten. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2017 (30) (ref. INBO.R.12602606 . Brussel: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

6.: Dirk Maes, Koen Devos, Anny Anselin, Eric Stienen, David Buysse, Ine Pauwels & Thierry Onkelinx (2016). Advies over de leefgebiedenkaarten van Natura 2000-soorten (ref. INBO.A.3415)

7.: De Knijf, Geert; Vermeersch, Glenn (datum). Advies over de actuele verspreiding van de habitattypische soorten per SBZ-H deelgebied - deel fauna (ref. INBO.A.3233)

8.: Van Landuyt, Wouter; De Knijf, Geert (2014). Advies over de verspreiding van de habitattypische soorten per SBZ-H deelgebied - deel flora (ref. INBO.A.3192)

9. De Saeger, S., Guelinckx, R., Oosterlynck, P., De Bruyn, A., Debusschere, K., Dhaluin, P., ... Paelinckx, D. (2020). Biologische Waarderingskaart en Natura 2000 Habitatkaart, uitgave 2020. (Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek; Nr. 35). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. https://doi.org/10.21436/inbor.18840851