landschap met schapen © Veronique De Smedt

De Maten

BE2200028 - De Maten
BE2200626 - De Maten

1 Inleiding

Het Natura 2000-netwerk is een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Deze zijn aangewezen op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen om Europees beschermde habitattypes en soorten de kans te geven duurzaam te overleven en zo de Europese biodiversiteit te bewaren. In Vlaanderen zijn 62 Natura 2000-gebieden aangeduid, ook speciale beschermingszones (hierna: SBZ) genoemd. Deze gebieden zijn essentieel voor het bereiken van de gunstige staat van instandhouding van Europees te beschermen habitats en soorten. Voor Vlaanderen gaat het om 47 habitattypes, 49 dier- en plantensoorten en 58 vogelsoorten. 

Alle lidstaten van de Europese Unie zijn verplicht om de nodige maatregelen te nemen om een ‘gunstige staat van instandhouding’ te realiseren voor Europees te beschermen habitats en soorten. Om deze maatregelen in te vullen heeft de Vlaamse Regering instandhoudingsdoelstellingen (hierna: doelen) op Vlaams niveau en per SBZ bepaald. Op Vlaams niveau zijn dit de zogenaamde gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen (hierna: G-IHD) en per SBZ zijn dit de zogenaamde specifieke instandhoudingsdoelstellingen (hierna: S-IHD). Deze S-IHD zijn, na een intensief overlegproces tussen 2010 en 2013, vastgesteld in aanwijzingsbesluiten (de S-IHD-besluiten) door de Vlaamse Regering op 23 april 2014. 

De realisatie van de doelen wordt gefaseerd en programmatisch aangepakt. Vlaanderen moet elke zes jaar aan Europa rapporteren, daarom is ook voor de realisatie gekozen voor cycli van maximaal zes jaar. Per cyclus of planperiode wordt een Vlaams Natura 2000-programma opgemaakt met een Vlaamse taakstelling en acties voor de komende periode. Het programma omschrijft ook welke organisaties betrokken zijn en geeft een raming van de uitgaven voor de uitvoering van het programma.  

Focus Vlaams Natura 2000 programma 2016–2020

Omdat Vlaanderen in 2020 aan Europa moet rapporteren, loopt de eerste cyclus van het Vlaams Natura 2000-programma van 2016 tot 2020. Op het moment van publicatie van dit voortgangsdocument bestaat er nog geen nieuw Vlaams Natura 2000-programma voor de volgende planperiode (2021-2026), zodat het bestaande programma volgens de regelgeving geldig blijft.  

Voor deze eerste cyclus is vertrokken van de Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 en van het Pact 2020. In het Vlaams Natura 2000-programma zijn een bindende en een richtinggevende taakstelling geformuleerd als een gefaseerd kader voor de realisatie van de doelen.

Het bindend deel van de taakstelling in het Vlaams Natura 2000-programma omvat:

  • het stoppen of vermijden van de verdere achteruitgang van Europees te beschermen habitattypes of soorten (stand still);
  • dat 16 van de 47 Europees te beschermen habitattypes in een gunstige staat verkeren of zijn verbeterd ten opzichte van 2007 (zie bijlage 5 van het Vlaams Natura 2000-programma).

Het bindend deel van de taakstelling moet tegen 2020 worden gerealiseerd.

Het richtinggevende deel van deze taakstelling omvat:

  • dat tegen 2020 voor alle Europees te beschermen habitattypes en soorten samen 70% van de inspanningen operationeel zijn, zodat alle habitats en soorten in een gunstige staat van instandhouding kunnen worden gebracht tegen 2050. Voor soorten die extra oppervlakte leefgebied nodig hebben, moet een derde van de extra oppervlakte gerealiseerd zijn door inrichting en beheer.

De maatregelen nodig om het richtinggevende deel van de taakstelling te realiseren, kunnen al in deze planperiode opgestart worden of, indien al in planning of uitvoering, verder lopen. Deze maatregelen moeten niet noodzakelijk afgerond zijn tijdens de looptijd. In de inspanningsmatrix (hoofdstuk 4 van het voortgangsdocument) is voor elke actie aangegeven of deze behoort tot het bindend of het richtinggevend deel van taakstelling van het Vlaams Natura 2000-programma.

Doelstelling van het voortgangsdocument

Het voortgangsdocument wordt opgemaakt met het oog op:

  • het gradueel realiseren van de S-IHD;
  • het vermijden of stoppen van de verslechtering van de Europees te beschermen habitats en de leefgebieden van Europees te beschermen soorten;
  • het vermijden of het stoppen van de betekenisvolle verstoring van de Europees te beschermen soorten.

Het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna: het ANB) maakt het voortgangsdocument op en beheert het. Dit voortgangsdocument beschrijft de inspanningen die volgens de inventaris hiervan in 2017 geleverd worden door de organisaties voor wie het beheren en ontwikkelen van natuur een maatschappelijke opdracht is. Dit zijn het ANB, de verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen. Tevens biedt het een overzicht van de openstaande taakstelling en van de acties die, volgens de huidige plannen en inzichten, nodig zijn voor de realisatie ervan. Zo vormt het voortgangsdocument het vertrekpunt en de inspiratiebron voor het bereiken van de doelen voor iedereen die daaraan kan bijdragen.

Situering van het SBZ

2 Taakstelling

Voor elke SBZ werden door de Vlaamse Regering de specifieke doelen voor Europees te beschermen habitats en soorten en de prioritaire inspanningen vastgesteld in een S-IHD-besluit. Deze doelen worden in dit voortgangsdocument weergegeven in hoofdstuk 2.1. Deze zijn daarbij geclusterd in landschapstypes. Per Europees te beschermen soort en habitat zijn het gebiedsgericht kwantiteitsdoel (populaties of oppervlakten) en kwaliteitsdoel beschreven. Hoofdstuk 2.2 geeft prioritaire inspanningen weer, die in het S-IHD-besluit vastgesteld zijn voor het realiseren van de doelen. 

2.1 Doelen

Legende bij de oppervlakte-, populatie- en kwaliteitsdoelen

Symbool

Omschrijving

+

Het doel is een stijging van de oppervlakte of populatiegrootte / een verbetering van de kwaliteit.

=

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit.

=/+

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit met lokale uitbreidingsmogelijkheid.

=/-

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit met lokale inkrimpingsmogelijkheid.

In onderstaande tabel met de doelen voor het SBZ worden doelstellingen voor enerzijds het gedeelte dat habitatrichtlijngebied is en anderzijds het gedeelte dat 'zuiver vogelrichtlijngebied' (lees: enkel vogelrichtlijngebied en geen habitatrichtlijngebied) is, niet onderscheiden, maar geïntegreerd. Aan de drie criteria die tegelijk vervuld dienen te zijn om deze doelen voor beide ruimtelijk afgebakende gebieden van elkaar te onderscheiden, werd immers niet voldaan. De drie criteria zijn: 

  • het zuiver vogelrichtlijngebied handelt over een relevante oppervlakte; 

  • het betreft in dit gebied relevante doelstellingen doelen en; 

  • de doelen die in het gedeelte dat zuiver vogelrichtlijngebied is, gerealiseerd dienen te worden, zijn (reeds in dit stadium) bekend.] 

In onderstaande tabel met de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied worden doelstellingen voor enerzijds het gedeelte dat habitatrichtlijngebied is en anderzijds het gedeelte dat 'zuiver vogelrichtlijngebied' (lees enkel vogelrichtlijngebied maar geen habitatrichtlijngebied) is, niet onderscheiden, maar geïntegreerd. Aan de drie criteria die tegelijk vervuld dienen te zijn om deze doelen voor beide ruimtelijk afgebakende gebieden van elkaar te onderscheiden, werd immers niet voldaan. De drie criteria zijn:

  • het zuiver vogelrichtlijngebied handelt over een relevante oppervlakte;
  • het betreft in dit gebied relevante doelstellingen en;
  • de doelstellingen die in het gedeelte dat zuiver vogelrichtlijngebied is, gerealiseerd dienen te worden, zijn (reeds in dit stadium) bekend.

Vijver- en moeraslandschap

Het vijver- en moeraslandschap is belangrijk voor een lange reeks van soorten en habitattypes waaronder:

  • de broedvogels roerdomp, woudaap, bruine kiekendief, krakeend en blauwborst
  • andere vogelsoorten zoals grote zilverreiger en kwak
  • amfibieën waaronder boomkikker, poelkikker, rugstreeppad, knoflookpad en heikikker
  • vleermuizen waaronder rosse vleermuis, watervleermuis, ruige dwergvleermuis en
  • waterhabitats in de voedselarme tot meer voedselrijke sfeer (rangschikking van voedselarm naar voedselrijk: 3110, 3130, 3150).

Determinerend voor de oppervlakte en kwaliteitsdoelstellingen zijn vooral de natuurwaarden waarvoor het gebied vanuit de G-IHD als essentieel is bestempeld nl. de vogelsoorten roerdomp, woudaap, grote zilverreiger, krakeend en knoflookpad. Voeg daaraan toe dat vanuit de GIHD het licht gebufferde oligo-mesotrofe waterpartijen (habitattype 3130) in dit gebied zeer belangrijk is op Vlaams niveau en het is duidelijk dat het vijver- en moeraslandschap een belangrijke focus en prioriteit wegdraagt voor het formuleren van de instandhoudingsdoelstellingen in dit gebied.

Met als doelstelling het verkrijgen van duurzame populaties voor de soorten roerdomp en woudaap in Midden-Limburg is het belangrijk dat ook het gebied De Maten maximaal kan bijdragen aan het realiseren hiervan. Uit de individuele doelen voor de broedpopulatie van deze soorten – en rekening houdend met de benodige oppervlakte voor het leefgebied van een broedpaar – volgt dat minimaal 90 ha kwalitatief hoogstaand leefgebied, bestaande uit rietland, moerasvegetaties en open water, vereist is. Deze oppervlakte leefgebied is intrinsiek beschikbaar binnen het gebied. Niet zozeer vergroting van het leefgebied maar vooral kwaliteitsverbetering is dus de randvoorwaarde om deze essentiële doelstelling in te vullen. Kwaliteit en kwaliteitsverbetering voor de doelsoorten roerdomp en woudaap dienen hierbij in te spelen op: de waterkwaliteit, de rust in het gebied en de aanwezigheid van natuurlijke, zonbeschenen oevers.

Dit alles impliceert ook dat er voor het overgrote deel van het gebied een aangepast vijverbeheer vereist is. Binnen deze oppervlaktedoelstelling zullen de meeste andere doelen meeliften. Licht gebufferde oligo-mesotrofe waterpartijen (habitattype 3130) zullen immers het gevolg zijn van een verhoogde waterkwalietit en het toepassen van een gepast vijverbeheer. Behoud en herstel van de historische waterhuishouding zijn noodzakelijk voor graslanden en vijvers. Bijkomende inspanningen zijn noodzakelijk om het voedselaanbod voor de doelsoorten te verhogen en het leefgebeid van amfibieën te versterken. Waar mogleijk streeft men naar een extensivering van het graslandbeheer naar meer bloemrijke graslanden met een hoog nectaraanbod. Wanneer voor bepaalde habitats of soorten specifieke oppervlakte- en kwaliteitsdoelen vereist zijn, zullen deze in Landschap 'Vijver- en moeraslandschap' specifiek vermeld worden.

Habitats - Vijver- en moeraslandschap

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
3110 – Mineraalarme, oligotrofe wateren van de Atlantische zandvlakten Omschrijving

Doeloppervlakte van 2 ha door omvorming (bv door herstel abiotiek HuIskens- en Rockxsweyer) of door uitbreiding (herstel voormalige vijvers als de Heiweyer).

Bodem van de vijvers is zandig en grotendeels vrij van slib en organisch sediment. Helder oligotroof tot mesotroof water met voldoende lage hoeveelheden totaal aan stikstof en een zure tot circumneutrale pH. De natuurlijke hydrologie met aanvoer van lokaal grondwater dient hersteld te worden en waterlobelia (of kleine biesvaren) is frequent aanwezig. Om windwerking toe te laten is het open houden van de dijken van belang.

Doel + +
3130 - Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot het Littorelletalia uniflorae en/of Isoëto-Nanojuncetea Omschrijving

Doeloppervlakte van 73 ha, te weten 80% door omvorming (herstel abiotiek vijvers) en bijkomend 20% door omvorming (van verdwenen waterpartijen van de ‘derde cascade’).

Verwezen wordt naar de eerder benoemde kwaliteitsverbetering die vereist is voor moerasvogels. De vijvers zijn grotendeels vrij van slib en organisch sediment en bevatten helder, zeer zwak tot matig gebufferd en min of meer nutriëntenarm water met een lage stikstof- en fosforconcentratie en een matig zure tot circumneutrale pH. De natuurlijke hydrologie met aanvoer van lokaal grondwater dient hersteld te worden en goed ontwikkelde vegetaties van het subtype littorellionvegetaties en subtype éénjarig dwergbiezenverbond dienen te ontwikkelen.

Tevens wordt de kwaliteitsvereiste van een voldoende open ligging in het landschap – waar windwerking mogelijk is - beklemtoond. Bijkomende kwaliteitsvereiste is het niet, of in lage densiteiten voorkomen van bodemwoelende vissoorten die het water vertroebelen en watervegetaties begrazen.

Beklemtoond wordt het noodzakelijk toepassen van vijverbeheer met cycli van droogzetten en opnieuw vulllen, om de nodige dynamiek in het systeem te brengen, pionierscondities te creëren en de voedselrijke sliblaag te verkleinen.

Enkele vijvers bovenaan de zuidelijke vijverketen in de Maten zijn van nature uit ongeschikt voor de ontwikkeling van dit habitattype. Dit zijn de zogenoemde ‘moddervijvers’ met een kuipvormig profiel en slibrijke vijverbodem. De oeverbegroeiing bestaat eerder uit lisdodde en biezen, dan uit riet. Het gaat over de Hommelesweyer, Het Holeven, de Bovenste en Middelste Schreursweyer, de Sint-Jansweyer, de Schuitweyer, de Soorweyer en de Veldmolen. Voor deze vijvers wordt geen habitatdoelstellingen 3130 voorzien.

Doel = +
3150 – Van nature eutrofe meren Omschrijving

Behoud van actuele voorkomen (4 ha).

Bodem van de vijvers mogen een variabel gehalte slib en organisch sediment bevatten en dienen tijdens het vegetatieseizoen permanent water te bevatten. Helder, matig nutriëntenrijk (niet hypertroof) water met een matige stikstof- en fosforconcentratie en een min of meer neutrale tot matig alkalische pH. Er dient minstens één sleutelsoort abundant aanwezig te zijn.

Soorten - Vijver- en moeraslandschap

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
Blauwborst Omschrijving

Broedpopulatie van 40 broedparen.

Deels gedekt met de realisatie van de kwaliteitsdoelstellingen voor roerdomp. Zie Roerdomp.

Additioneel dient vanuit deze soort als kwaliteitseis te worden meegegeven dat moerasgebieden in samenhang dienen voor te komen met andere leefgebieden die vertegenwoordigd worden door de habitattypes 4010, 6230, 7140, 7150. Een kwalitatief herstel van deze habitattypes is vereist. Voor de kwaliteitsdoelstellingen voor dit deel van het leefgebied verwijzen we naar de respectievelijke habitattypes.

Doel + +
Boomkikker Omschrijving

2 populaties boomkikker:

  • een populatie van minimaal 200 roepende mannetjes voor het centrale reservaatsgedeelte;
  • en bijkomend een populatie van minimaal 200 roepende mannetjes in het gebied van de Lange Waters.

De realisatie van deze leefgebieden behoeft geen extra leefgebied ten opzichte van wat reeds nodig is om andere doelen (i.h.b. het habitattype 3130) te bereiken.

Kwaliteitsdoelen deels gedekt middels eerder gestelde doelen voor andere habitats en soorten.
Specifieke, additionele kwaliteitsvereisten hebben betrekking op:

  • qua waterbiotoop: het creëren van visvrije waterpartijen;
  • qua landbiotoop: Behoud en versterken van kleinschalig landschap met ruigtevegetaties, houtwallen, bosranden en braamstruwelen met een oppervlakte van meer dan 20 ha per populatie. Dit landbiotoop moet zo goed mogelijk aansluiten bij de voortplantingsbiotopen.

Doel + +
Bruine kiekendief Omschrijving

Minimaal 1 broedpaar. Hiervoor is een minimaal leefgebied van 100 ha nodig. Tot het leefgebied kan worden gerekend: voldoende grote entiteiten van vijver- en moerascomplexen en open vegetaties (heiden en graslanden). De soort lift mee op de doelen van de habitats.

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied, zowel wat betreft het vijver- en moerascomplex als wat betreft de heide- en graslandhabitats. Voor de eerste verwijzen we naar de kwaliteitsdoelstellingen voor het leefgebied van de Roerdomp. Voor het tweede verwijzen we naar de kwaliteitseisen voor o.m. de Europese habitattypes 2310, 2330, 4010, 4030 en 6230, zie verder). Additioneel dient vanuit deze soort als kwaliteitseis te worden meegegeven: voldoende rust en landschappelijke openheid, niet enkel voor het vijver- en moerascomplex maar ook voor wat betreft de foerageergebieden op graslanden en heiden.

Doel + +
Drijvende waterweegbree Omschrijving

Groeiplaatsen samen> 50m². Een goede staat van instandhouding wordt tot doel gesteld door het uitbreiden van vegetatievlekken op meerdere potentiële vijvers, met de klemtoon op de noordelijke vijvercascade.

Kwaliteitsvereisten: zie kwaliteitsdoelen voor habitat 3130 Landschap: Vijver- en moeraslandschap (begeleidend doel).

Doel + +
Gevlekte witsnuitlibel Omschrijving

Voorkomen van een kleine populatie.

Kwaliteitsdoelen nagenoeg volledig gedekt middels eerder gestelde doelen voor andere habitats en soorten in het landschap: Vijver- en moeraslandschap. Nadruk op:

  • bedekking met drijvende en ondergedoken waterplanten van 10-70 %;
  • lage, natuurlijke visstand voor bepaalde wateren.

Doel = =
Gewone dwergvleermuis, Kleine dwergvleermuis Omschrijving

Behoud van de soort op de actuele locaties

Geen bijkomende kwaliteitsvereisten dan deze die eerder reeds werden gesteld.
Opgemerkt wordt dat deze soorten ook (oude) boshabitats behoeven. Voor de kwaliteitsvereisten van boshabitats: zie Landschap: Boslandschap, habitats.

Doel = =
Grote zilverreiger Omschrijving

Behoud van het belang van het gebied voor doortrek en als overwinteringsgebied.

Broedgevallen worden niet bij voorbaat uitgesloten maar er wordt hiervoor nu geen specifieke doelstelling vastgelegd. Indien dit zich zou voordoen, bv. in geval dat maatregelen van waterkwaliteitsverbetering en vijverbeheer ingevoerd worden, dient doelstelling voor deze soort herbekeken.

Kwaliteitsdoelen gedekt middels gestelde doelen voor roerdomp, woudaapje, bruine kiekendief, blauwborst en kwak (Landschap: Vijver- en moeraslandschap).

Doel + +
Heikikker Omschrijving

Een populatie van minimaal 200 roepende mannetjes of eiklompen op minimaal 4 grotere plassen.

Het leefgebied voor deze soort overspant meerdere habitattypes: 2310, 2330, 3130, 4010, 4030 6230 en 7140. Een kwalitatieve ontwikkeling van deze habitats is vereist. We verwijzen naar de kwaliteitsdoelstellingen voor deze habitats. Additioneel wordt gewezen op de doelstelling van herstel van de hydrologie aan de noordzijde van het SBZ (vb. buurt Oleweyer en Heiweyerbeek).

Doel = +
IJsvogel Omschrijving

Behoud populatiegrootte

Kwaliteitsdoelen gedekt middels gestelde doelen voor roerdomp, woudaapje, bruine kiekendief, blauwborst en kwak (Landschap: Vijver- en moeraslandschap).

Doel + +
Knoflookpad Omschrijving

Bronpopulatie van minimaal 5 voortplantingsbiotopen met in totaal meer dan 200 roepende mannetjes

Specifieke kwaliteitsvereisten hebben betrekking op:

  • qua landbiotoop: de kwaliteit van de habitattypes 2310, 2330.(zie habitats 2310-2330, Landschap: Heidelandschap) met nadruk op het verbinden van landduinhabitattypes;
  • qua voortplantingsbiotoop: waterkwaliteit is belangrijk voor deze soort. Dit wordt reeds gedekt middels de kwaliteitsvereisten voor eerder genoemde soorten (moerasvogels) en habitats (o.m. habitattype 3130).

Doel = =
Krakeend Omschrijving

Behoud populatiegrootte

Kwaliteitsdoelen gedekt middels gestelde doelen voor roerdomp, woudaapje, bruine kiekendief, blauwborst en kwak (Landschap: Vijver- en moeraslandschap).

Doel = +
Kwak Omschrijving

Behoud van het belang van het gebied voor doortrek.
Broedgevallen worden niet bij voorbaat uitgesloten maar er wordt hiervoor nu geen specifieke doelstelling vastgelegd. Indien dit zich zou voordoen, bv. in geval dat maatregelen van waterkwaliteitsverbetering en vijverbeheer ingevoerd worden, dient doelstelling voor deze soort herbekeken.

Deels gedekt met de realisatie van de kwaliteitsdoelstellingen voor roerdomp.

Additioneel bijzondere aandacht voor het behoud van de kwaliteit van het foerageergebied in de noordelijke cascade. Dit wil zeggen: de combinatie van riet, wilgenopslag en moerasbos dient behouden.

Doel = +
Laatvlieger Omschrijving

Behoud van de soort op de actuele locaties

Door het ouder worden en toepassen van de CDB zal de kwaliteit van het leefgebied voor deze soort toenemen.

Doel = +
Poelkikker Omschrijving

Behoud van de soort op de actuele locaties

Geen bijkomende kwaliteitsvereisten dan deze die reeds werden gesteld voor het landschap: Vijver- en moeraslandschap.

Doel + +
Roerdomp Omschrijving

Satellietpopulatie van minimaal 3 broedparen. Dit vereist een minimale oppervlakte leefgebied van 90 ha. Dit vereist geen extra uitbreiding.

Kwaliteitsvereisten gelet op het beoogd aantal broedparen:

  • geschikt leefgebied, bestaande uit rietland, moerasvegetaties (> 50 %) en open water (> 30 %);
  • helder water met goede waterkwaliteit en een hoog voedselaanbod (jonge vis, ongewervelden, amfibieën);
  • voldoende rust en waar mogelijk het creëren van predatievrije broedgelegenheden tijdens broedperiode;
  • open vijverlandschap;
  • gevarieerde leeftijdsstructuur van de rietvegetaties: per broedkoppel is er nood aan minimaal 0,5 tot 2 ha overjarig riet of lisdodde met een voldoende dikke kniklaag (opstapeling van oude stengels);
  • aanwezigheid verlandingsvegetaties (niet enkel riet/lisdodde, maar ook ondergedoken en drijvende watervegetaties);
  • hoog waterpeil in de leefgebieden tijdens het broedseizoen.

Kwaliteitsverbetering kan in het bijzonder gerealiseerd worden in de noordelijke cascade (actueel zeer beperkte oppervlakte rietmoeras en watervegetaties).

Doel = =
Rosse vleermuis, Ruige dwergvleermuis, Watervleermuis Omschrijving

Behoud van de soort op de actuele locaties

Geen bijkomende kwaliteitsvereisten dan deze die reeds werden gesteld voor het landschap: Vijver- en moeraslandschap. Opgemerkt wordt dat deze soorten ook (oude) boshabitats behoeven. Voor de kwaliteitsvereisten van boshabitats: zie Landschap: Boslandschap.

Doel + +
Rugstreeppad Omschrijving

Een populatie met minimaal 200 roepende mannetjes op minimaal 5 geschikte voortplantingsplaatsen.

Zie kwaliteitsvereisten voor beschouwde soorten en habitats in het landschap Vijver- en moeraslandschap. Onderstreept wordt het belang van een voldoende groot en kwalitatief ontwikkeld landhabitat. Hiervoor zijn de habitattypes 2310 en 2330 van groot belang. Voor de kwalitatieve (en kwantitatieve) doelen, zie habitats 2310-2330, Landschap: Heidelandschap.

Doel = +
Spaanse vlag Omschrijving

Behoud van de soort op de actuele locaties

Toename van voldoende grote bloemrijke hooilanden met overgang naar moerasspirearuigten en bossen met mantel-zoomvegetaties.

Doel + +
Woudaap Omschrijving

Broedpopulatie van minimaal 10 broedparen

Gedekt met de realisatie van de kwaliteitsdoelstellingen voor Roerdomp.

Heidelandschap

Het heidelandschap is belangrijk voor een reeks van soorten en habitattypes waaronder:

  • amfibieën zoals rugstreeppad, knoflookpad en heikikker
  • de broedvogels bruine kiekendief en blauwborst
  • heidehabitats (2310, 2330, 4010, 4030, 6230, 7140 en 7150).

Determinerend voor de oppervlakte en kwaliteitsdoelstellingen zijn in de eerste plaats de noodzaak aan voldoende leefgebied (foerageergebied, landhabitat) voor de soorten rugstreeppad, knoflookpad, heikikker, blauwborst en bruine kiekendief. Daarbij wordt onderstreept dat het gebied De Maten voor de knoflookpad essentieel is in Vlaanderen (cfr. G-IHD).

De oppervlaktevereiste voor Bruine kiekendief (>100 ha leefgebied) werkt mee sturend om de vereiste oppervlakte aan heidehabitats en de nodige versterking van de heidehabitats. Naast versterking (vergroting) is ook kwaliteitsverbetering aan de orde. Deze heeft o.m. betrekking op het voorkomen van spontane verbossing van heidehabitats en plaatselijk het herstel van de natuurlijke, hydrologische situatie.

Habitats - Heidelandschap

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
2310 - Psammofiele heide en 2330 – Open grasland Omschrijving

Doel voor complex van beide habitats: Actueel 47 ha, toename met 45 ha (omvorming)= einddoel van 92 ha

Kwaliteitsvereisten zijn o.m.

  • een goede structuurvariatie van de habitats met zoveel mogelijk open (stuivend) zand en behoud van de buntgrasvegetatie, mostapijtjes en korstmosvegetatie voor Open graslanden en creëren van naakte bodem afgewisseld met een gevarieerde ouderdom van struikheide in psammofiele heide;
  • zo beperkt mogelijke boomopslag in de habitat.

Doel + +
4010 - Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix Omschrijving

Doeloppervlakte 34 ha, behoud actuele oppervlakte (29 ha) met toename van 5 ha ter hoogte van Heiweyer of langsheen de Lange Waters.

Kwaliteitsvereisten zijn o.m.:

  • beperkte aanwezigheid van pijpenstrootje;
  • beperkte aanwezigheid boomopslag in de habitat.(wilg of berk);
  • een natuurlijke hydrologie.

Doel + +
4030 – Europese droge heide Omschrijving

Doeloppervlakte van 19 ha: behoud van de actuele oppervlakte (5ha) met toename van 14ha.

Kwaliteitsvereisten zijn o.m.

  • een beperkte aanwezigheid van pijpenstrootje en
  • een beperkte aanwezigheid van boomopslag in de habitat.

Doel + +
6230 – Soortenrijke Heischrale graslanden Omschrijving

Doeloppervlakte van 28 ha: actuele oppervlakte een kleine 5 ha, toename habitat van 23 ha (omvorming van bos of grasland naar heischraal grasland).

Voor het subtype vochtig heischraal grasland wordt het behoud van de actuele habitatvlekken vooropgesteld.

Voor het subtype soortenrijk struisgrasland wordt een oppervlakte-toename van ongeveer 23 ha vooropgesteld ter hoogte van de actueel minder voedselrijke hooi- en weilanden in de omgeving van de aanwezige habitattypes en de bermen van het Albertkanaal.

Kwaliteitsvereisten is een extensief gebruik van deze graslanden.

Doel + +
7140 - Overgangs- en trilveen Omschrijving

Doeloppervlakte van 5 ha door herstel actueel habitat

Kwaliteitsvereisten zijn o.m.:

  • beperkte aanwezigheid boomopslag in de habitat;
  • een natuurlijke hydrologie;
  • voldoende voedselarme waterlichamen.

Doel + +
7150 – Slenken in veengronden Omschrijving

Toename van de oppervlakte in samenhang met de uitbreiding en het herstel van Vochtige heide (2-5%).

Behouden van voldoende plagplaatsen in natte heide.

Boslandschap

Alhoewel het boslandschap binnen de context van de andere aanwezige en tot doel gestelde natuurwaarden iets minder van belang is, mag de waarde ervan ook niet worden onderschat. Enerzijds is er de intrinsieke natuurwaarde die ook vanuit Europese context van belang is. Het boslandschap is immers belangrijk voor volgende Europese soorten en habitattypes:

  • zwarte specht en kwak
  • boshabitats 91E0

De bossen, zeker de natte bossen, hebben ook een waarde voor de aan het vijver- en moeraslandschap gebonden soorten zoals amfibieën (landhabitat) en vogels (hoger genoemde vogelsoort: de kwak) maar ook andere vogelsoorten kunnen rusten in deze boskernen (o.m. grote zilverreiger).

In de context van het boslandschap kan ook niet voorbij gegaan worden aan de rol en de nood van “buffer- en schermbossen”. Hiermee wordt gedoeld op de boszones die gelegen zijn in de periferie van het habitatrichtlijngebied. Het gebied De Maten is immers nogal geïsoleerd en sterk omgeven door woon- en industriegebieden. Buffer- en schermbossen zorgen ervoor dat de natuurwaarden centraal in het gebied inderdaad in zekere mate worden gebufferd (hydrologisch) en afgeschermd (licht, geluid, …).

De nadruk voor de bossen en de soorten die hierbinnen worden behandeld ligt niet op vergroting. Met het oog op de realisatie van de hoger genoemde doelen van het heidelandschap en het vijver- en moeraslandschap is het – integendeel – soms nodig om kleine bossen om te zetten in open ecotopen en habitats. Kwaliteitsverbetering van de (resterende) bossen is wél een doelstelling.

Habitats - Boslandschap

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel = +
91E0 - Elzenbroekbossen Omschrijving

Behoud mooi ontwikkeld habitat ter hoogte van Peerdsdiefwijer en Soorweyer ( 29 ha)

Voor de te behouden elzenbroekbossen wordt een gevarieerde bosstructuur tot doel gesteld met veel dood hout en sleutelsoorten in de ondergroei. Doelstelling is daarom ook een natuurlijke hydrologie en water van een voor dit habitat gepaste kwaliteit.

Doel = +
Buffer- en schermbossen Omschrijving

Behoud van bossen met bufferende functie of die als scherm dienstig zijn. Deze definiëring komt grosso modo overeen met het behoud van bossen aan de rand van het gebied. Verboste of beboste situaties meer centraal in het gebied dienen in die context niet te worden behouden wanneer daar ecologische redenen voor zijn (zie habitats Landschap: Heidelandschap).

Verhogen van de kwaliteit van buffer- en schermbossen. In openbare bossen en privé-bossen gelegen in VEN geldt de toepassing van de CDB. Nadruk dient gelegd op de nood aan open plekken, ook in deze buffer- en schermbossen zodat natuurwaarden die open ecotopen behoeven kunnen migreren van binnen het gebied naar buiten de grenzen ervan.

Soorten - Boslandschap

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel = =
Gewone dwergvleermuis, Kleine dwergvleermuis Omschrijving

Behoud van de soort op de actuele locaties

Behoud kwaliteit van de leefgebieden

Doel = +
Kwak Omschrijving

Behoud van het belang van het gebied voor doortrek.

Broedgevallen worden niet bij voorbaat uitgesloten maar er wordt hiervoor nu geen specifieke doelstelling vastgelegd. Indien dit zich zou voordoen, bv. in geval dat maatregelen van waterkwaliteitsverbetering en vijverbeheer ingevoerd worden, dient doelstelling voor deze soort herbekeken.

Deels gedekt met de realisatie van de kwaliteitsdoelstellingen voor Roerdomp, Landschap: Vijver- en moeraslandschap.

Additioneel bijzondere aandacht voor het behoud van de kwaliteit van het foerageergebied in de noordelijke cascade. Dit wil zeggen: de combinatie van riet, wilgenopslag en moerasbos dient behouden.

Doel = +
Laatvlieger Omschrijving

Behoud van de soort op de actuele locaties

Door het ouder worden en toepassen van de CDB zal de kwaliteit van het leefgebied voor deze soort toenemen.

Doel = +
Spaanse vlag Omschrijving

Behoud van de soort op de actuele locaties

Toename van voldoende grote bloemrijke hooilanden met overgang naar moerasspirearuigten en bossen met mantel-zoomvegetaties.

Doel = =
Zwarte specht Omschrijving

Behoud populatiegrootte

Toepassen van de CDB voor gemeentebossen en privé-bossen gelegen in het VEN zal inspelen op de tot doel gestelde kwaliteitsdoelstellingen.

2.2 Prioritaire inspanningen

In samenhang met de hoger beschreven doelstellingen is in het S-IHD-besluit door de Vlaamse Regering een aantal prioritaire inspanningen vastgesteld. Dit is een globale omschrijving van de acties die noodzakelijk zijn voor de realisatie van deze doelstellingen. Voor de uitvoering van de prioritaire inspanningen zijn vaak meerdere acties nodig. Hoofdstuk 4 van dit voortgangsdocument (Inspanningsmatrix) geeft de concrete acties weer die uitvoering geven aan deze prioritaire inspanningen.

3 Oppervlaktebalans

Dit hoofdstuk geeft de stand van zaken weer van de realisatie van de taakstelling, met name van de oppervlaktedoelen, op basis van het passend beheer. Het passend beheer is wettelijk gedefinieerd in het Instandhoudingsbesluit van 20 juni 2014. Het is de oppervlakte waarvoor in een natuurbeheerplan of daarmee vergelijkbaar plannen of overeenkomsten, een of meer Europees te beschermen habitattype(s) of een leefgebied van een of meer Europees te beschermen soort(en) als natuurstreefbeeld is vastgesteld. 

De oppervlaktebalans in dit voortgangsdocument is enkel opgemaakt voor de Europees te beschermen habitats, op basis van de inventarisatie van het terreinbeheer door het ANB, verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen (met name Natuurpunt vzw, vzw Durme en Limburgs Landschap vzw). Voor leefgebieden van Europees te beschermen soorten was dergelijke inventarisatie niet mogelijk met de bestaande gegevens, zodat een oppervlaktebalans per Europees te beschermen soort niet opgenomen is. 

Onderstaande tabel geeft per Europees te beschermen habitat:

  • De habitat code: de code van het habitat waarvoor een doel is gesteld (zie §2.1 'Doelen', voor de benaming en beschrijving);
  • Het totaal doel: de tot doel gestelde oppervlakte per habitat;
  • Het passend beheer: de oppervlakte met passend beheer zoals vastgesteld in een goedgekeurd natuurbeheerplan of daarmee vergelijkbare plannen of overeenkomsten;
  • De openstaande taakstelling: de oppervlakte die wordt berekend als het verschil tussen het totaal doel en de oppervlakte met passend beheer.

In de oppervlaktebalans worden alle oppervlakten weergegeven in hectare, tenzij anders aangegeven. De tabel geeft de situatie in februari 2017 weer.

4 Inspanningsmatrix

Dit hoofdstuk formuleert de acties die uitvoering geven aan de prioritaire inspanningen die vastgesteld werden in het S-IHD-besluit. Daarbij wordt op basis van het Vlaams Natura 2000-programma 2016-2020 aangegeven welke acties behoren tot het bindend deel van de taakstelling (zie hoofdstuk 1). De overige acties behoren tot het richtinggevend deel van de taakstelling. 

Elke actie wordt in onderstaande tabel beschreven, met volgende rubrieken:

  • Nr. actie: het nummer van de actie is een samenstelling van het nummer van de prioritaire inspanning en het nummer van de actie zelf. 
  • Omschrijving actie: geeft beknopt aan wat er moet gebeuren, waarom, met welk resultaat en waar.
  • Prioritaire inspanning: de prioritaire inspanning waaraan deze actie invulling geeft. Vanaf prioritaire inspanning 100 worden acties weergegeven die niet onder de prioritaire inspanningen van hoofdstuk 2.2 vallen. Deze acties zijn toegevoegd aan het voortgangsdocument, aanvullend op de prioritaire inspanningen, omdat ze eveneens nodig zijn om tot de gunstige lokale staat van instandhouding te komen van de betreffende habitat(s) of soort(en).
  • Actie voor de verbetering van het natuurlijk milieu: indien in deze kolom een ‘ja’ staat, dan is deze actie ingeschreven voor de verbetering van het natuurlijk milieu als omschreven in hoofdstuk 5. 
  • Deelgebied(en): de deelgebieden waar deze actie uitgevoerd zal worden. Indien in de tabel geen nummer van een deelgebied is opgegeven, is de actie van toepassing op de volledige SBZ. 
  • Habitats/soort(en): de Europees te beschermen habitat(s) en/of soort(en) waarvoor de actie ondernomen wordt. Het gaat om habitats en soorten waarvoor doelen opgenomen zijn in het S-IHD-besluit en om (cursief aangegeven) habitattypische soorten. Habitattypische soorten zijn kenmerkend voor één of soms meerdere habitattypes. Een habitattype kan enkel in een regionaal gunstige staat van instandhouding verkeren als binnen Vlaanderen ook de habitattypische soorten gelinkt aan dit habitattype in een regionaal gunstige staat van instandhouding verkeren. Meer gedetailleerde informatie over habitattypische soorten is beschikbaar in referenties 1, 2 en 3 (zie hoofdstuk 8).
  • Trekker: de organisatie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de actie.
  • Andere betrokkenen: de organisaties of actoren die betrokken zijn bij de actie, als uitvoerder, omwille van mogelijke impact, het leveren van kennis,…
  • Timing: het moment waarop de uitvoering van de actie start. Kan pas ingevuld worden indien de status ‘gepland’ of ‘in uitvoering’ is.
  • Status: hierbij is onderscheid gemaakt tussen:
    • Op te starten: de actie is benoemd maar nog niet opgestart.
    • In onderzoek: het plan of project voor de uitvoering van de actie is in ontwikkeling. Een trekker is aangeduid en gestart met de voorbereiding van het plan of project .
    • Plan in opmaak: de opmaak van het uitvoeringsplan is gestart. 
    • Plan beschikbaar: het uitvoeringsplan is afgerond en door de betrokken partijen goedgekeurd. De uitvoering ervan moet nog opgestart worden. 
    • In uitvoering: de actie wordt momenteel uitgevoerd.
    • Uitgevoerd: de uitvoering van de actie is beëindigd.
    • Stopgezet: de uitvoering van de actie is stopgezet zonder dat ze helemaal is beëindigd; er is geen plan om ze terug op te starten.
  • Bindend: deze lijn verschijnt enkel als de actie deel uitmaakt van het bindend deel van de taakstelling (zie hoofdstuk 1). Hierbij is onderscheid gemaakt tussen:
    • Stand still: actie noodzakelijk voor de stand still of het tegengaan van achteruitgang.
    • 2020: actie noodzakelijk voor het bereiken van een gunstige of verbeterde staat van instandhouding voor 16 habitats tegen 2020.
    • Deelgebied(en): de deelgebied(en) waarvoor de actie bindend is (sommige acties zijn bindend voor een deelgebied maar richtinggevend voor een ander).
    • Habitats/soorten: de habitats en/of soorten waarvoor de actie bindend is (sommige acties zijn bindend voor een habitat en/of soort maar richtinggevend voor andere habitats en/of soorten).

De tabel geeft de situatie weer in augustus 2017.

5 Overzichtkaart

De overzichtskaart biedt informatie voor en een stand van zaken over de realisatie van de doelen voor deze SBZ. De verschillende onderdelen zijn te consulteren via een geoloket.

 

 5.1 Synthesekaart

De synthesekaart biedt een samengesteld, vereenvoudigd overzicht van de actuele Europees te beschermen habitats en de oppervlaktes Europees te beschermen habitats onder passend beheer (zie hoofdstuk 3).

In het geoloket wordt de synthesekaart weergegeven met dit symbool 

5.2 Situering van de actuele Europees te beschermen habitats

De kaarten ‘Actueel habitat’ geven indicatief de ligging van de actuele Europees te beschermen habitats in deze SBZ weer, op basis van referentie 9 (zie hoofdstuk 6). De kaart ‘Actueel habitat overzicht’ geeft een overzicht alle actuele habitats. De kaarten ‘Actueel habitat per cluster’ en ‘Actueel habitat per habitat’ maken de actuele habitats respectievelijk in clusters van verwante habitats en voor elk habitat apart zichtbaar.

In het geoloket wordt de kaart: 

  • actueel habitat overzicht weergegeven met dit symbool   
  • actueel habitat per cluster met dit symbool  
  • actueel habitat per habitat met dit symbool 

5.3    Situering van de gebieden beheerd met het oog op de realisatie van de doelen

De kaarten ‘Passend beheer’ (voor definitie, zie hoofdstuk 3) geven indicatief weer welke oppervlaktes Europees te beschermen habitats onder passend beheer zijn bij het ANB, verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen (zie hoofdstuk 3). De kaart ‘Passend beheer overzicht’ geeft het overzicht van alle oppervlaktes onder passend beheer voor habitats. De kaarten ‘Passend beheer per cluster’ en ‘Passend beheer per habitat’ maken de oppervlaktes onder passend beheer respectievelijk in clusters van verwante habitats en voor elk habitat apart zichtbaar.

De huidige kaart geeft de situatie weer in februari 2017.

In het geoloket wordt de kaart :

  • oppervlakte onder passend beheer overzicht weergegeven met dit symbool 
  • oppervlakte onder passend beheer per cluster weergegeven met dit symbool 
  • oppervlakte onder passend beheer per habitat weergegeven met dit symbool 

5.4 Situering van de vegetaties relevant als leefgebied voor Europees te beschermen soorten

Omdat voor de vegetaties relevant als leefgebied voor Europees te beschermen soorten geen terreininventarisatiegegevens bestaan, werd deze kaart opgemaakt door middel van een ruimtelijk model. Dit model werkt op basis van de ecologische karakteristieken van de soort, aangevuld met actuele verspreidingsgegevens en de verbreidingscapaciteit van de soort. De bekomen afbakening vormt op dit moment de best beschikbare benadering van de actuele leefgebieden van de betreffende soorten. Voor een gedetailleerde beschrijving van de methodiek wordt verwezen naar referenties 4, 5 en 6 (zie hoofdstuk 6).

De opmaak ervan was niet voor alle Europees te beschermen soorten mogelijk omdat

  • een aantal mobiele soorten zeer ruime en weinig gedifferentieerde leefgebieden kent (bv. slechtvalk, kokmeeuw);
  • voor de leefgebiedkarakteristieken van bepaalde soorten geen (gebiedsdekkende) kaartlaag voorhanden is (bv. bittervoorn en kleine modderkruiper);
  • voor een aantal soorten de wetenschappelijke kennis en de beschikbare data ontoereikend zijn (bv. vleermuizen).

In het geoloket worden de leefgebieden weergegeven met de symbolen symbool leefgebieden voor het overzicht,  Synthesekaart Groepen voor de groepen en symbool leefgebieden voor de soorten, en dit enkel voor soorten waarvoor de opmaak van de kaarten mogelijk was en waarvoor doelen zijn ingeschreven in het S-IHD-besluit.

5.5 Situering van de aanwezigheid van habitattypische soorten

Onderstaand overzicht geeft indicatief weer welke habitattypische soorten actueel voorkomen per deelgebied op basis van referenties 7 en 8 (zie hoofdstuk 6). Habitattypische soorten zijn soorten die kenmerkend zijn voor één of soms meerdere habitattypes. Voor het bereiken van de regionaal gunstige staat van instandhouding van het habitat, moeten de populaties van de habitattypische soorten, verbonden aan dat habitat, ook in een regionaal gunstige staat van instandhouding worden gebracht of gehouden. Meer gedetailleerde informatie over habitattypische soorten is beschikbaar in referenties 1, 2 en 3 (zie hoofdstuk 6).

 

6 Referenties

1.:  Geert De Knijf, Desiré Paelinckx (2012). Typische faunasoorten van de verschillende Natura 2000 habitattypes, in functie van de beoordeling van de staat van instandhouding op niveau Vlaanderen (ref. INBO.A.2013.139)

2.: Adriaens, Dries; Adriaens, Tim; Ameeuw, Griet (2008). Ontwikkeling van criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de habitattypische soorten (ref. INBO.R.2008.35)

3: Adriaens, P. & Ameeuw, G. (red) (2008). Ontwikkeling van criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de vogelrichtlijnsoorten.  D/2008/3241/287 (ref.INBO.R.2008.36)

4.: Maes et al. (2015). Afbakenen van potentiële leefgebiedenkaarten voor Europese en Vlaamse prioritaire soorten in het kader van de voortoets. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2015. (versie 2.0). (ref. INBO.R.2015.10201559). 

5: : Maes D., Anselin A., De Knijf G., Denys L., Devos K., Gouwy J., Leyssen A., Packet J., Pauwels I., Pollet M., Speybroeck J., Stienen E., Thomaes A., T’jollyn F., Van Den Berge K., Van Landuyt W., Van Thuyne G., Vermeersch G. & Verhaeghe F. (2017). Afbakenen van actueel relevant potentieel leefgebied voor een selectie van Europees prioritaire soorten. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2017 (30) (ref. INBO.R.12602606 . Brussel: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

6.: Dirk Maes, Koen Devos, Anny Anselin, Eric Stienen, David Buysse, Ine Pauwels & Thierry Onkelinx (2016). Advies over de leefgebiedenkaarten van Natura 2000-soorten (ref. INBO.A.3415)

7.: De Knijf, Geert; Vermeersch, Glenn (datum). Advies over de actuele verspreiding van de habitattypische soorten per SBZ-H deelgebied - deel fauna (ref. INBO.A.3233)

8.: Van Landuyt, Wouter; De Knijf, Geert (2014). Advies over de verspreiding van de habitattypische soorten per SBZ-H deelgebied - deel flora (ref. INBO.A.3192)

9. De Saeger, S., Guelinckx, R., Oosterlynck, P., De Bruyn, A., Debusschere, K., Dhaluin, P., ... Paelinckx, D. (2020). Biologische Waarderingskaart en Natura 2000 Habitatkaart, uitgave 2020. (Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek; Nr. 35). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. https://doi.org/10.21436/inbor.18840851