landschap met schapen © Veronique De Smedt

Heesbossen

BE2100020 - Heesbossen, Vallei van Marke en Merkske en Ringven met valleigronden langs de Heerlese Loop

1 Inleiding

Het Natura 2000-netwerk is een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Deze zijn aangewezen op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen om Europees beschermde habitattypes en soorten de kans te geven duurzaam te overleven en zo de Europese biodiversiteit te bewaren. In Vlaanderen zijn 62 Natura 2000-gebieden aangeduid, ook speciale beschermingszones (hierna: SBZ) genoemd. Deze gebieden zijn essentieel voor het bereiken van de gunstige staat van instandhouding van Europees te beschermen habitats en soorten. Voor Vlaanderen gaat het om 47 habitattypes, 49 dier- en plantensoorten en 58 vogelsoorten. 

Alle lidstaten van de Europese Unie zijn verplicht om de nodige maatregelen te nemen om een ‘gunstige staat van instandhouding’ te realiseren voor Europees te beschermen habitats en soorten. Om deze maatregelen in te vullen heeft de Vlaamse Regering instandhoudingsdoelstellingen (hierna: doelen) op Vlaams niveau en per SBZ bepaald. Op Vlaams niveau zijn dit de zogenaamde gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen (hierna: G-IHD) en per SBZ zijn dit de zogenaamde specifieke instandhoudingsdoelstellingen (hierna: S-IHD). Deze S-IHD zijn, na een intensief overlegproces tussen 2010 en 2013, vastgesteld in aanwijzingsbesluiten (de S-IHD-besluiten) door de Vlaamse Regering op 23 april 2014. 

De realisatie van de doelen wordt gefaseerd en programmatisch aangepakt. Vlaanderen moet elke zes jaar aan Europa rapporteren, daarom is ook voor de realisatie gekozen voor cycli van maximaal zes jaar. Per cyclus of planperiode wordt een Vlaams Natura 2000-programma opgemaakt met een Vlaamse taakstelling en acties voor de komende periode. Het programma omschrijft ook welke organisaties betrokken zijn en geeft een raming van de uitgaven voor de uitvoering van het programma.  

Focus Vlaams Natura 2000 programma 2016–2020

Omdat Vlaanderen in 2020 aan Europa moet rapporteren, loopt de eerste cyclus van het Vlaams Natura 2000-programma van 2016 tot 2020. Op het moment van publicatie van dit voortgangsdocument bestaat er nog geen nieuw Vlaams Natura 2000-programma voor de volgende planperiode (2021-2026), zodat het bestaande programma volgens de regelgeving geldig blijft.  

Voor deze eerste cyclus is vertrokken van de Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 en van het Pact 2020. In het Vlaams Natura 2000-programma zijn een bindende en een richtinggevende taakstelling geformuleerd als een gefaseerd kader voor de realisatie van de doelen.

Het bindend deel van de taakstelling in het Vlaams Natura 2000-programma omvat:

  • het stoppen of vermijden van de verdere achteruitgang van Europees te beschermen habitattypes of soorten (stand still);
  • dat 16 van de 47 Europees te beschermen habitattypes in een gunstige staat verkeren of zijn verbeterd ten opzichte van 2007 (zie bijlage 5 van het Vlaams Natura 2000-programma).

Het bindend deel van de taakstelling moet tegen 2020 worden gerealiseerd.

Het richtinggevende deel van deze taakstelling omvat:

  • dat tegen 2020 voor alle Europees te beschermen habitattypes en soorten samen 70% van de inspanningen operationeel zijn, zodat alle habitats en soorten in een gunstige staat van instandhouding kunnen worden gebracht tegen 2050. Voor soorten die extra oppervlakte leefgebied nodig hebben, moet een derde van de extra oppervlakte gerealiseerd zijn door inrichting en beheer.

De maatregelen nodig om het richtinggevende deel van de taakstelling te realiseren, kunnen al in deze planperiode opgestart worden of, indien al in planning of uitvoering, verder lopen. Deze maatregelen moeten niet noodzakelijk afgerond zijn tijdens de looptijd. In de inspanningsmatrix (hoofdstuk 4 van het voortgangsdocument) is voor elke actie aangegeven of deze behoort tot het bindend of het richtinggevend deel van taakstelling van het Vlaams Natura 2000-programma.

Doelstelling van het voortgangsdocument

Het voortgangsdocument wordt opgemaakt met het oog op:

  • het gradueel realiseren van de S-IHD;
  • het vermijden of stoppen van de verslechtering van de Europees te beschermen habitats en de leefgebieden van Europees te beschermen soorten;
  • het vermijden of het stoppen van de betekenisvolle verstoring van de Europees te beschermen soorten.

Het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna: het ANB) maakt het voortgangsdocument op en beheert het. Dit voortgangsdocument beschrijft de inspanningen die volgens de inventaris hiervan in 2017 geleverd worden door de organisaties voor wie het beheren en ontwikkelen van natuur een maatschappelijke opdracht is. Dit zijn het ANB, de verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen. Tevens biedt het een overzicht van de openstaande taakstelling en van de acties die, volgens de huidige plannen en inzichten, nodig zijn voor de realisatie ervan. Zo vormt het voortgangsdocument het vertrekpunt en de inspiratiebron voor het bereiken van de doelen voor iedereen die daaraan kan bijdragen.

Situering van het SBZ

2 Taakstelling

Voor elke SBZ werden door de Vlaamse Regering de specifieke doelen voor Europees te beschermen habitats en soorten en de prioritaire inspanningen vastgesteld in een S-IHD-besluit. Deze doelen worden in dit voortgangsdocument weergegeven in hoofdstuk 2.1. Deze zijn daarbij geclusterd in landschapstypes. Per Europees te beschermen soort en habitat zijn het gebiedsgericht kwantiteitsdoel (populaties of oppervlakten) en kwaliteitsdoel beschreven. Hoofdstuk 2.2 geeft prioritaire inspanningen weer, die in het S-IHD-besluit vastgesteld zijn voor het realiseren van de doelen. 

2.1 Doelen

Legende bij de oppervlakte-, populatie- en kwaliteitsdoelen

Symbool

Omschrijving

+

Het doel is een stijging van de oppervlakte of populatiegrootte / een verbetering van de kwaliteit.

=

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit.

=/+

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit met lokale uitbreidingsmogelijkheid.

=/-

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit met lokale inkrimpingsmogelijkheid.

In onderstaande tabel met de doelen voor het SBZ worden doelstellingen voor enerzijds het gedeelte dat habitatrichtlijngebied is en anderzijds het gedeelte dat 'zuiver vogelrichtlijngebied' (lees: enkel vogelrichtlijngebied en geen habitatrichtlijngebied) is, niet onderscheiden, maar geïntegreerd. Aan de drie criteria die tegelijk vervuld dienen te zijn om deze doelen voor beide ruimtelijk afgebakende gebieden van elkaar te onderscheiden, werd immers niet voldaan. De drie criteria zijn: 

  • het zuiver vogelrichtlijngebied handelt over een relevante oppervlakte; 

  • het betreft in dit gebied relevante doelstellingen doelen en; 

  • de doelen die in het gedeelte dat zuiver vogelrichtlijngebied is, gerealiseerd dienen te worden, zijn (reeds in dit stadium) bekend.] 

(Droge) Loofbossen

(Loof)Bossen zijn qua oppervlakte het belangrijkste landschapstype binnen dit habitatrichtlijngebied. Door de kleine oppervlakte van het habitatrichtlijngebied zijn ze op Vlaams niveau slechts als belangrijk aangeduid maar binnen het, overwegend agrarisch, gebied vormen het wel de belangrijkste natuurkernen. Ze vormen ook een buffer voor heide en veenrelicten (Bufferbossen en schermbossen). Deze bossen zijn belangrijk als habitat voor habitattypische soorten als Rosse vleermuis (Dg 6 en 7), Gewone grootoorvleermuis (Dg 6), Grijze grootoorvleermuis (Dg 6), Bont dikkopje (Dg 4 en 6), Zwarte specht (Dg 2, 4 en Dg 6), Wespendief (Dg 1), Boomleeuwerik (combinatie met 4030, Dg 4 en 6), Nachtzwaluw (combinatie met 4030, Dg 4), Vinpootsalamander (Dg 4 en Dg 7). Slechts 20% van de bossen binnen habitatrichtlijngebied (80 ha) is momenteel habitatwaardig.

Het boslandschap is belangrijk voor twee Europese habitattypes:

  • de oude Eiken-Berkenbossen op arme zandgrond (9190) [1] vormen de eerste climaxvegetatie bij bosontwikkeling op arme zandgronden.
  • de Eiken-beukenbossen op iets rijkere bodem (9120) [2] vormen een volgend stadium in de bosontwikkeling en komen hier voor op een oud boslocatie (De Hees).

Het belangrijkste knelpunt voor de aanwezige habitatvlekken is de kwaliteit (versnippering, exoten, structuur, hoog aandeel naaldhout…). Binnen dit gebied ligt de nadruk niet zo zeer op effectieve bosuitbreiding maar op een sterke kwaliteitsverbetering van de loofbossen, de realisatie via omvorming van naaldhout van enkele grotere loofboskernen die goed gebufferd zijn en duurzame populaties van typische bossoorten kunnen bewerkstelligen. Daarnaast moet er ook aandacht zijn voor realisatie van enkele geleidelijke overgangen (structuurrijke mantel-zoom) naar heide en venbiotopen. Dit landschapstype omvat eveneens de combinatie van (loof)bos en het bosrijk kleinschalig compartimentlandschap t.h.v. het beschermd landschap ‘Rijksweldadigheidskolonie Wortel’. Dit gebied is zeer belangrijk als jachthabitat voor de vleermuissoorten en als leefgebied voor Vinpootsalamander en Kamsalamander.

De bossen op alluviale gronden behoren in dit habitatrichtlijngebied eerder tot het beekdallandschap en worden in het betreffende hoofdstuk besproken.

[1] Het betreft voluit habitattype 9190 - Oude zuurminnende eikenbossen met Quercus robur op zandvlakten
[2] Het betreft voluit 9120 Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei (Quercion robori-petraeae of Ilici-Fagenion)

Habitats - (Droge) Loofbossen

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
9120 - Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms Taxus in de ondergroei 9190 - Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur Omschrijving

Actueel 66 ha
Toename tot 170 ha, met als richtwaarde voor bosuitbreiding 16 ha. Deze toename wordt gerealiseerd in deelgebied 1 (De Hees), deelgebied 4 (Elsakker) en deelgebied 6 (Wortel-Kolonie). In deelgebieden 1 en 4 wordt gestreefd naar een aangesloten oppervlakte habitatwaardig bos van minstens 50 ha.

Globaal wordt een voldoende tot goede SVI nagestreefd. Belangrijkste doelen zijn:

  • vermindering van de bedekking met exoten tot maximum 10%;
  • voldoende aantal sleutelsoorten en voldoende bedekking van de sleutelsoorten;
  • voldoende hoeveelheid dood hout en oude bomen. Voorkomen van verruiging en vergrassing;
  • voldoende spontane verjonging van de loofhoutbestanden.

Soorten - (Droge) Loofbossen

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel = +
Gewone dwergvleermuis, Gewone/Grijze grootoorvleermuis, Laatvlieger Omschrijving

Instandhouding van aanwezige populaties.

Hoger aantal dode bomen als verblijfplaats voor vleermuizen in zowel zomer als winter zoals geformuleerd bij de doelstellingen voor habitattype 9190 en 9120. Instandhouding en versterking van het kleinschalige landschap.

Beekdallandschap

Dit halfnatuurlijk landschap bestaat uit een beek met een natuurlijke waterhuishouding en in de vallei een mozaïek van veldrusgraslanden, glanshavergraslanden [1] en dotterbloemgraslanden, afgewisseld met elzenbroekbossen [2], ruigtes en poelen. Dit landschap biedt kansen aan aanwezige bijlagesoorten [3] als Kamsalamander (Dg 6), Kleine modderkruiper (Merkske), IJsvogel (Dg 2) en Blauwborst (Dg 6), Rosse vleermuis (Dg 6 en Dg 7), Watervleermuis (Dg 6) en Ruige dwergvleermuis (Dg 4, Dg 6 en Dg 7) maar ook aan habitattypische soorten als Bosbeekjuffer (Dg 4 en Dg 6), Weidebeekjuffer (Dg 4 en 6), Zompsprinkhaan (Dg 2) en Moerassprinkhaan (Dg 2).

Om een goede staat van instandhouding van de aanwezige valleihabitattypes te bereiken is een sterke toename van de oppervlaktes noodzakelijk. Een essentiële randvoorwaarde voor de goede ontwikkeling van het beekdallandschap is een goede waterkwaliteit en een natuurlijke waterhuishouding. Hiervoor is het vermijden van directe inspoeling van nutriëntenrijk water in de waterloop van belang hetzij door lozingen hetzij door uitspoeling van nutriënten van landbouwgronden. Belangrijke randvoorwaarden voor een goede ontwikkeling van dit landschap zijn een goede waterkwaliteit, een (lokaal) intact grondwatersysteem (voldoende kwel en beperkte drainage) en een kwaliteitsvolle beekstructuur met natuurlijk overstromingsregime.

De vallei van de Boven-Mark is de enige plaats met ruimte voor de ontwikkeling van een halfnatuurlijk beekdallandschap met ruimte voor natuurlijke overstromingen en voldoende variatie in valleibiotopen. Er wordt gestreefd naar een mozaïek (120 ha) van ca. 1/3 elzenbroekbos (91E0) en ca. 1/3 halfnatuurlijke graslanden (6510_hus, 6410_ve, rbbhc), het resterende derde bestaat uit poelen, sloten, ruigtes (6430 en rbbhf), wilgenstruwelen (rbbsf), rietmoeras (rbbmr), … die overstromen vanuit een structuurrijke waterloop met een goede waterkwaliteit. Deze beekdalmozaïek sluit aan bij het de doelstellingen van de relictzone ‘Bovenloop van de Mark’ om het landschap gesloten en de percelen kleinschalig te houden. Dit creëert kansen voor amfibieën als Vinpootsalamander en Kamsalamander. Langs de Beneden-Mark is de ruimte eerder beperkt. Hier wordt ingezet op toename van de glanshavergraslanden met Grote pimpernel.

[1] Het betreft voluit 6510_hus Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba offficinalis)_ subtype Glanshaverhooiland met Grote pimpernel.
[2] Het betreft voluit 91E0 Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae)
[3] Habitatrichtlijn én vogelrichtlijn

Habitats - Beekdallandschap

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
3260 - Submontane en laagland rivieren met vegetaties behorend tot het Ranunculion fluitans en het Callitricho-Batrachion Omschrijving

Toename van het habitat van actueel 0,8 (3 km) ha naar 4,3 ha (14 km).  Dit omvat het volledige traject van de Strijbeekse Loop, de Mark en de Heerlese loop binnen habitatrichtlijngebied.

Globaal wordt een voldoende tot goede SVI nagestreefd. Belangrijkste doelen zijn:

  • verhogen van het bodempeil voor de binnen habitatrichtlijngebied gelegen trajecten van de Strijbeekse Loop, de Boven-Mark en de Heerlese Loop;
  • verhogen van de structuurkwaliteit van de Beneden-Mark;
  • hooguit matig eutroof water met een lage stikstof- en fosforconcentratie ,lage concentratie bestrijdingsmiddelen en lage sedimentvracht. Natuurlijke beekstructuur (meandering, afwisseling sedimentfracties, …);
  • verhoging van de instroom van kwelwater in waterlopen met potenties voor verbetering of toename van het habitattype.

Doel + +
6410_ve - Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Molinion caeruleae), subtype veldrusgrasland Omschrijving

Actueel: amper 0,02 ha.
Toename van de oppervlakte veldrusgraslanden tot 1 ha.

Verlaging van de voedselrijkdom van de aanwezige graslanden. Verzuring en verdroging tegengaan door herstellen of in stand houden van lokale kwel.

Doel =/+ +
6430 - Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland Omschrijving

Actuele oppervlakte is 1 ha.
Beperkte toename van de oppervlakte door verbetering van de kwaliteit van de aanwezige moerasspirearuigtes (rbbhf).

Verbeteren van de waterkwaliteit. Periodieke overstroming van Moerasspirearuigtes (rrbhf) langs waterlopen. Behoud en verbinding van de oppervlaktes Moerasspirearuigtes (rbbhf).

Doel + +
6510_hus – Glanshavergraslanden met Grote pimpernel Omschrijving

Actueel: 0,5 ha.
Toename van de oppervlakte glanshavergraslanden met grote pimpernel in de vallei van de Mark met 15 ha. Ontwikkeling van ten minste één schraal graslandcomplex van 30 ha.

Soortenrijke onbemeste graslanden met frequent voorkomen van Grote pimpernel. Herstellen of in stand houden van lokale kwel (GVG > of = 70 cm onder maaiveld, GLG > of = 80 cm onder maaiveld). Natuurlijk overstromingsregime met niet vervuild water.

Doel = =
7140_meso - Overgangs- en trilveen - mineraalarm circumneutraal overgangsveen Omschrijving

Doel gedekt door de doelstellingen voor habitats 3260, 6410, 6510, 6430, 91E0 in Landschap: Beekdallandschap.

Doel gedekt door de doelstellingen voor habitats 3260, 6410, 6510, 6430, 91E0 in Landschap: Beekdallandschap.

Doel + +
91E0 - Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-padion, Alnion incanae, Salicion albae) Omschrijving

Actueel 16 ha + toename tot 61 ha, met als richtwaarde voor bosuitbreiding 27 ha. Ongeveer 3/4 van deze toename zal gerealiseerd worden in de vallei van de Boven-Mark (deelgebied 7).

Globaal wordt een voldoende tot goede SVI nagestreefd. Belangrijkste doelen zijn:

  • verhogen van het aandeel dood hout en het aandeel sleutelsoorten;
  • herstellen of in stand houden van lokale kwel;
  • natuurlijk overstromingsregime met niet vervuild water;
  • tegengaan eutrofiëring.

Soorten - Beekdallandschap

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
Kamsalamander Omschrijving

Behoud van de soort op de actuele locaties. Ontwikkeling van een populatie van meer dan 50 adulte dieren in Wortel (Dg 6 en Dg 7).

Waterbiotoop: niet beschaduwde, visvrije waterpartij, rijk aan waterplanten; creatie van minstens twee, voor Kamsalamander geschikte, poelcomplexen (3-5 poelen, niet beschaduwd, visvrij, rijk aan waterplanten) in Wortel. Landbiotoop: instandhouding en uitbreiding van het kleinschalig landschap (ruigten, struwelen, houtwallen, ). Dit moet zo goed mogelijk aansluiten bij de voortplantingsbiotopen; instandhouding en versterking van rbbsf (Wilgenstruwelen).

Doel = +
Rosse vleermuis, Ruige dwergvleermuis, Watervleermuis Omschrijving

Behoud van de bestaande populaties. Doelstellingen voor deze bijlagesoorten overlappen met de doelstellingen voor habitattypes 91E0, 6510 en kamsalamander.

Behoud oude bomen (toekomstbomen), open plekken en geleidelijke bosranden, vooral nabij open waterpartijen. Verbetering kwaliteit waterpartijen. Verhoging van het aantal oude en dode bomen in de bossen zoals geformuleerd bij habitattype 91E0 en 9190.

Heide met vennen en (overgangs)venen

Het heidelandschap is belangrijk voor een reeks van habitattypes, soorten en regionaal belangrijke biotopen waaronder:

  • droge heide (4030), vochtige heide (4010), overgangsvenen (7140_oli) en pioniergemeenschappen met snavelbies (7150)
  • Gevlekte witsnuitlibel, Poelkikker, Vinpootsalamander, Gerande oeverspin, Venglazenmaker, Noordse witsnuitlibel, Venwitsnuitlibel, Koraaljuffer, Tengere Pantserjuffer, Heidesabelsprinkhaan, Zompsprinkhaan en Groentje
  • In combinatie met het habitattype 9190 is het heidelandschap belangrijk voor soorten als Nachtzwaluw (Dg 4) en Boomleeuwerik (Dg 4 en 6)
  • Gagelstruwelen (Rbbsm), vochtig wilgenstruweel op venige of zure bodem (rbbso), (niet habitatwaardige) heidevennen

Ondanks de kleine oppervlakte komen in het gebied een aantal bijzonder waardevolle verlandingsvegetaties met veenflora voor en soortenrijke heiderelicten met sterk bedreigde sleutelsoorten. De belangrijkste herstelopgave is het lokaal uitbreiden en verbinden van de aanwezige biotopen om een duurzame instandhouding te verzekeren. Daarnaast is het noodzakelijk om spontane verbossing van heidehabitats tegen te gaan.

Kwaliteitsverbetering heeft vooral betrekking op buffering tegen externe invloeden en herstel van de lokale hydrologie. Voor de zeer waardevolle verlandingsvegetaties is verhoging van het aandeel kwelwater door lokale ontbossingen noodzakelijk, waardoor ook lokaal de oppervlakte natte heide of moeras kan uitbreiden.

Habitats - Heide met vennen en (overgangs)venen

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
4010 - Noord-atlantische vochtige heide met Erica tetralix en 7150 – Slenken in veengronden met vegetatie behorende tot het Rhynchosporion Omschrijving

Toename van de bestaande oppervlakte (0,53 ha) met 22 ha door omvorming.
In de Elsakker (Dg 4) en Wortel-Kolonie (Dg 6) wordt gestreefd naar minstens één aangesloten kern van 5 à 10 ha. Lokaal herstel in de randzones van het Ringven (Dg 2) en het Veen van Duprez (Dg 4). Ontwikkelingsmogelijkheden voor het habtitattype 7150 op plagplekken in de vochtige heide.

Globaal wordt een voldoende tot goede SVI nagestreefd. Belangrijkste doelen zijn:

  • beperkte aanwezigheid van Pijpenstrootje;
  • beperkte aanwezigheid van boomopslag;
  • natuurlijke hydrologie.

Behoud van voldoende plagplaatsen in natte heide.

Doel =/+ +
4030 - Droge Europese Heide Omschrijving

Toename van de bestaande oppervlakte (16 ha) met 10 ha tot 26 ha via omvorming bestaande habitatfragmenten met als doel deze te verbinden.
In de Elsakker (Dg 4) en Wortel-Kolonie (Dg 6) wordt gestreefd naar minstens één aangesloten kern van 5 à 10 ha. Instandhouding van de oppervlakte in De Hees (Dg 1).

Globaal wordt een voldoende tot goede SVI nagestreefd. Belangrijkste doelen zijn:

  • beperkte aanwezigheid van Pijpenstrootje;
  • beperkte aanwezigheid van boomopslag;
  • aanwezigheid verschillende ouderdomsstadia.

Doel + +
7140_oli - Oligotroof overgangsveen Omschrijving

Actuele oppervlakte is 0,8 ha. Toename van de oppervlakte van elke kern oligotroof zuur overgangsveen (Ringven, Veen van Duprez en ven op de Elsakker) tot 0,5 ha. Dit betekent een totale toename van het habitat tot 2 ha. Elke kern is gelegen in een moeras met een minimum oppervlakte van 1ha. Instandhouding en verbetering van het netwerk van grensoverschrijdende kwaliteitsvolle overgangsvenen.

Globaal wordt een voldoende tot goede SVI nagestreefd. Belangrijkste doelen zijn:

  • beperkte aanwezigheid van Pijpenstrootje;
  • beperkte aanwezigheid van boomopslag;
  • de grondwatertafel is vrijwel het gehele jaar rond het maaiveld en oligotroof.

Soorten - Heide met vennen en (overgangs)venen

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
Gevlekte witsnuitlibel Omschrijving

Satellietpopulatie in Wortel-Kolonie (Dg 6) met uitbreidingsmogelijkheden naar de Elsakker (Dg 4). Streven naar een cluster van gebieden met verlandingsvegetaties die fungeren als leefgebied.

Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied (vennen en verlandingsvegetaties) zoals vermeld bij Poelkikker en 7140_oli. Verbetering van de kwaliteit in de aanwezige cluster van verlandingsvegetaties (hydrologie, vergrassing,), zodat er gevarieerde verlandingsvegetaties ontstaan: 25-50% open waterzone, enkel door uitbreiding van habitatvlekken (niet door verwijderen veenmosbulten of ten koste van de ontwikkeling hiervan!); langzame verlanding.

Doel + +
Poelkikker Omschrijving

Nastreven van een duurzame kernpopulatie (200 roepende mannetjes) in deelgebied 4 (Elsakker – Duprez) en deelgebied 6 (Wortel-Kolonie).

Verbetering van de kwaliteit van de aanwezige vennen in de heide en poelen als habitat voor deze soort. Nadruk op: bedekking met drijvende en ondergedoken waterplanten van 10-70%; lage, natuurlijke visstand voor bepaalde wateren; oligotroof of Mesotroof water.

2.2 Prioritaire inspanningen

In samenhang met de hoger beschreven doelstellingen is in het S-IHD-besluit door de Vlaamse Regering een aantal prioritaire inspanningen vastgesteld. Dit is een globale omschrijving van de acties die noodzakelijk zijn voor de realisatie van deze doelstellingen. Voor de uitvoering van de prioritaire inspanningen zijn vaak meerdere acties nodig. Hoofdstuk 4 van dit voortgangsdocument (Inspanningsmatrix) geeft de concrete acties weer die uitvoering geven aan deze prioritaire inspanningen.

3 Oppervlaktebalans

Dit hoofdstuk geeft de stand van zaken weer van de realisatie van de taakstelling, met name van de oppervlaktedoelen, op basis van het passend beheer. Het passend beheer is wettelijk gedefinieerd in het Instandhoudingsbesluit van 20 juni 2014. Het is de oppervlakte waarvoor in een natuurbeheerplan of daarmee vergelijkbaar plannen of overeenkomsten, een of meer Europees te beschermen habitattype(s) of een leefgebied van een of meer Europees te beschermen soort(en) als natuurstreefbeeld is vastgesteld. 

De oppervlaktebalans in dit voortgangsdocument is enkel opgemaakt voor de Europees te beschermen habitats, op basis van de inventarisatie van het terreinbeheer door het ANB, verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen (met name Natuurpunt vzw, vzw Durme en Limburgs Landschap vzw). Voor leefgebieden van Europees te beschermen soorten was dergelijke inventarisatie niet mogelijk met de bestaande gegevens, zodat een oppervlaktebalans per Europees te beschermen soort niet opgenomen is. 

Onderstaande tabel geeft per Europees te beschermen habitat:

  • De habitat code: de code van het habitat waarvoor een doel is gesteld (zie §2.1 'Doelen', voor de benaming en beschrijving);
  • Het totaal doel: de tot doel gestelde oppervlakte per habitat;
  • Het passend beheer: de oppervlakte met passend beheer zoals vastgesteld in een goedgekeurd natuurbeheerplan of daarmee vergelijkbare plannen of overeenkomsten;
  • De openstaande taakstelling: de oppervlakte die wordt berekend als het verschil tussen het totaal doel en de oppervlakte met passend beheer.

In de oppervlaktebalans worden alle oppervlakten weergegeven in hectare, tenzij anders aangegeven. De tabel geeft de situatie in februari 2017 weer.

4 Inspanningsmatrix

Dit hoofdstuk formuleert de acties die uitvoering geven aan de prioritaire inspanningen die vastgesteld werden in het S-IHD-besluit. Daarbij wordt op basis van het Vlaams Natura 2000-programma 2016-2020 aangegeven welke acties behoren tot het bindend deel van de taakstelling (zie hoofdstuk 1). De overige acties behoren tot het richtinggevend deel van de taakstelling. 

Elke actie wordt in onderstaande tabel beschreven, met volgende rubrieken:

  • Nr. actie: het nummer van de actie is een samenstelling van het nummer van de prioritaire inspanning en het nummer van de actie zelf. 
  • Omschrijving actie: geeft beknopt aan wat er moet gebeuren, waarom, met welk resultaat en waar.
  • Prioritaire inspanning: de prioritaire inspanning waaraan deze actie invulling geeft. Vanaf prioritaire inspanning 100 worden acties weergegeven die niet onder de prioritaire inspanningen van hoofdstuk 2.2 vallen. Deze acties zijn toegevoegd aan het voortgangsdocument, aanvullend op de prioritaire inspanningen, omdat ze eveneens nodig zijn om tot de gunstige lokale staat van instandhouding te komen van de betreffende habitat(s) of soort(en).
  • Actie voor de verbetering van het natuurlijk milieu: indien in deze kolom een ‘ja’ staat, dan is deze actie ingeschreven voor de verbetering van het natuurlijk milieu als omschreven in hoofdstuk 5. 
  • Deelgebied(en): de deelgebieden waar deze actie uitgevoerd zal worden. Indien in de tabel geen nummer van een deelgebied is opgegeven, is de actie van toepassing op de volledige SBZ. 
  • Habitats/soort(en): de Europees te beschermen habitat(s) en/of soort(en) waarvoor de actie ondernomen wordt. Het gaat om habitats en soorten waarvoor doelen opgenomen zijn in het S-IHD-besluit en om (cursief aangegeven) habitattypische soorten. Habitattypische soorten zijn kenmerkend voor één of soms meerdere habitattypes. Een habitattype kan enkel in een regionaal gunstige staat van instandhouding verkeren als binnen Vlaanderen ook de habitattypische soorten gelinkt aan dit habitattype in een regionaal gunstige staat van instandhouding verkeren. Meer gedetailleerde informatie over habitattypische soorten is beschikbaar in referenties 1, 2 en 3 (zie hoofdstuk 8).
  • Trekker: de organisatie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de actie.
  • Andere betrokkenen: de organisaties of actoren die betrokken zijn bij de actie, als uitvoerder, omwille van mogelijke impact, het leveren van kennis,…
  • Timing: het moment waarop de uitvoering van de actie start. Kan pas ingevuld worden indien de status ‘gepland’ of ‘in uitvoering’ is.
  • Status: hierbij is onderscheid gemaakt tussen:
    • Op te starten: de actie is benoemd maar nog niet opgestart.
    • In onderzoek: het plan of project voor de uitvoering van de actie is in ontwikkeling. Een trekker is aangeduid en gestart met de voorbereiding van het plan of project .
    • Plan in opmaak: de opmaak van het uitvoeringsplan is gestart. 
    • Plan beschikbaar: het uitvoeringsplan is afgerond en door de betrokken partijen goedgekeurd. De uitvoering ervan moet nog opgestart worden. 
    • In uitvoering: de actie wordt momenteel uitgevoerd.
    • Uitgevoerd: de uitvoering van de actie is beëindigd.
    • Stopgezet: de uitvoering van de actie is stopgezet zonder dat ze helemaal is beëindigd; er is geen plan om ze terug op te starten.
  • Bindend: deze lijn verschijnt enkel als de actie deel uitmaakt van het bindend deel van de taakstelling (zie hoofdstuk 1). Hierbij is onderscheid gemaakt tussen:
    • Stand still: actie noodzakelijk voor de stand still of het tegengaan van achteruitgang.
    • 2020: actie noodzakelijk voor het bereiken van een gunstige of verbeterde staat van instandhouding voor 16 habitats tegen 2020.
    • Deelgebied(en): de deelgebied(en) waarvoor de actie bindend is (sommige acties zijn bindend voor een deelgebied maar richtinggevend voor een ander).
    • Habitats/soorten: de habitats en/of soorten waarvoor de actie bindend is (sommige acties zijn bindend voor een habitat en/of soort maar richtinggevend voor andere habitats en/of soorten).

De tabel geeft de situatie weer in augustus 2017.

5 Overzichtkaart

De overzichtskaart biedt ons informatie voor en een stand van zaken over de realisatie van de doelen voor deze SBZ. De verschillende onderdelen zijn te consulteren via een geoloket.

 

 5.1 Synthesekaart

De synthesekaart biedt een samengesteld, vereenvoudigd overzicht van de actuele Europees te beschermen habitats en de oppervlaktes Europees te beschermen habitats onder passend beheer (zie hoofdstuk 3).

In het geoloket wordt de synthesekaart weergegeven met dit symbool 

5.2 Situering van de actuele Europees te beschermen habitats

De kaarten ‘Actueel habitat’ geven indicatief de ligging van de actuele Europees te beschermen habitats in deze SBZ weer, op basis van referentie 9 (zie hoofdstuk 6). De kaart ‘Actueel habitat overzicht’ geeft een overzicht alle actuele habitats. De kaarten ‘Actueel habitat per cluster’ en ‘Actueel habitat per habitat’ maken de actuele habitats respectievelijk in clusters van verwante habitats en voor elk habitat apart zichtbaar.

In het geoloket wordt de kaart: 

  • actueel habitat overzicht weergegeven met dit symbool   
  • actueel habitat per cluster met dit symbool  
  • actueel habitat per habitat met dit symbool 

5.3    Situering van de gebieden beheerd met het oog op de realisatie van de doelen

De kaarten ‘Passend beheer’ (voor definitie, zie hoofdstuk 3) geven indicatief weer welke oppervlaktes Europees te beschermen habitats onder passend beheer zijn bij het ANB, verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen (zie hoofdstuk 3). De kaart ‘Passend beheer overzicht’ geeft het overzicht van alle oppervlaktes onder passend beheer voor habitats. De kaarten ‘Passend beheer per cluster’ en ‘Passend beheer per habitat’ maken de oppervlaktes onder passend beheer respectievelijk in clusters van verwante habitats en voor elk habitat apart zichtbaar.

De huidige kaart geeft de situatie weer in februari 2017.

In het geoloket wordt de kaart :

  • oppervlakte onder passend beheer overzicht weergegeven met dit symbool 
  • oppervlakte onder passend beheer per cluster weergegeven met dit symbool 
  • oppervlakte onder passend beheer per habitat weergegeven met dit symbool 

5.4 Situering van de vegetaties relevant als leefgebied voor Europees te beschermen soorten

Omdat voor de vegetaties relevant als leefgebied voor Europees te beschermen soorten geen terreininventarisatiegegevens bestaan, werd deze kaart opgemaakt door middel van een ruimtelijk model. Dit model werkt op basis van de ecologische karakteristieken van de soort, aangevuld met actuele verspreidingsgegevens en de verbreidingscapaciteit van de soort. De bekomen afbakening vormt op dit moment de best beschikbare benadering van de actuele leefgebieden van de betreffende soorten. Voor een gedetailleerde beschrijving van de methodiek wordt verwezen naar referenties 4, 5 en 6 (zie hoofdstuk 6).

De opmaak ervan was niet voor alle Europees te beschermen soorten mogelijk omdat

  • een aantal mobiele soorten zeer ruime en weinig gedifferentieerde leefgebieden kent (bv. slechtvalk, kokmeeuw);
  • voor de leefgebiedkarakteristieken van bepaalde soorten geen (gebiedsdekkende) kaartlaag voorhanden is (bv. bittervoorn en kleine modderkruiper);
  • voor een aantal soorten de wetenschappelijke kennis en de beschikbare data ontoereikend zijn (bv. vleermuizen).

In het geoloket worden de leefgebieden weergegeven met de symbolen symbool leefgebieden voor het overzicht,  Synthesekaart Groepen voor de groepen en symbool leefgebieden voor de soorten, en dit enkel voor soorten waarvoor de opmaak van de kaarten mogelijk was en waarvoor doelen zijn ingeschreven in het S-IHD-besluit.

5.5 Situering van de aanwezigheid van habitattypische soorten

Onderstaand overzicht geeft indicatief weer welke habitattypische soorten actueel voorkomen per deelgebied op basis van referenties 7 en 8 (zie hoofdstuk 6). Habitattypische soorten zijn soorten die kenmerkend zijn voor één of soms meerdere habitattypes. Voor het bereiken van de regionaal gunstige staat van instandhouding van het habitat, moeten de populaties van de habitattypische soorten, verbonden aan dat habitat, ook in een regionaal gunstige staat van instandhouding worden gebracht of gehouden. Meer gedetailleerde informatie over habitattypische soorten is beschikbaar in referenties 1, 2 en 3 (zie hoofdstuk 6).

 

6 Referenties

1.:  Geert De Knijf, Desiré Paelinckx (2012). Typische faunasoorten van de verschillende Natura 2000 habitattypes, in functie van de beoordeling van de staat van instandhouding op niveau Vlaanderen (ref. INBO.A.2013.139)

2.: Adriaens, Dries; Adriaens, Tim; Ameeuw, Griet (2008). Ontwikkeling van criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de habitattypische soorten (ref. INBO.R.2008.35)

3: Adriaens, P. & Ameeuw, G. (red) (2008). Ontwikkeling van criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de vogelrichtlijnsoorten.  D/2008/3241/287 (ref.INBO.R.2008.36)

4.: Maes et al. (2015). Afbakenen van potentiële leefgebiedenkaarten voor Europese en Vlaamse prioritaire soorten in het kader van de voortoets. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2015. (versie 2.0). (ref. INBO.R.2015.10201559). 

5: : Maes D., Anselin A., De Knijf G., Denys L., Devos K., Gouwy J., Leyssen A., Packet J., Pauwels I., Pollet M., Speybroeck J., Stienen E., Thomaes A., T’jollyn F., Van Den Berge K., Van Landuyt W., Van Thuyne G., Vermeersch G. & Verhaeghe F. (2017). Afbakenen van actueel relevant potentieel leefgebied voor een selectie van Europees prioritaire soorten. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2017 (30) (ref. INBO.R.12602606 . Brussel: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

6.: Dirk Maes, Koen Devos, Anny Anselin, Eric Stienen, David Buysse, Ine Pauwels & Thierry Onkelinx (2016). Advies over de leefgebiedenkaarten van Natura 2000-soorten (ref. INBO.A.3415)

7.: De Knijf, Geert; Vermeersch, Glenn (datum). Advies over de actuele verspreiding van de habitattypische soorten per SBZ-H deelgebied - deel fauna (ref. INBO.A.3233)

8.: Van Landuyt, Wouter; De Knijf, Geert (2014). Advies over de verspreiding van de habitattypische soorten per SBZ-H deelgebied - deel flora (ref. INBO.A.3192)

9. De Saeger, S., Guelinckx, R., Oosterlynck, P., De Bruyn, A., Debusschere, K., Dhaluin, P., ... Paelinckx, D. (2020). Biologische Waarderingskaart en Natura 2000 Habitatkaart, uitgave 2020. (Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek; Nr. 35). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. https://doi.org/10.21436/inbor.18840851