landschap met schapen © Veronique De Smedt

Mangelbeek

BE2200030 - Mangelbeek en heide- en vengebieden tussen Houthalen en Gruitrode
BE2220313 - Houthalen-Helchteren, Meeuwen-Gruitrode en Peer

1 Inleiding

Het Natura 2000-netwerk is een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Deze zijn aangewezen op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen om Europees beschermde habitattypes en soorten de kans te geven duurzaam te overleven en zo de Europese biodiversiteit te bewaren. In Vlaanderen zijn 62 Natura 2000-gebieden aangeduid, ook speciale beschermingszones (hierna: SBZ) genoemd. Deze gebieden zijn essentieel voor het bereiken van de gunstige staat van instandhouding van Europees te beschermen habitats en soorten. Voor Vlaanderen gaat het om 47 habitattypes, 49 dier- en plantensoorten en 58 vogelsoorten. 

Alle lidstaten van de Europese Unie zijn verplicht om de nodige maatregelen te nemen om een ‘gunstige staat van instandhouding’ te realiseren voor Europees te beschermen habitats en soorten. Om deze maatregelen in te vullen heeft de Vlaamse Regering instandhoudingsdoelstellingen (hierna: doelen) op Vlaams niveau en per SBZ bepaald. Op Vlaams niveau zijn dit de zogenaamde gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen (hierna: G-IHD) en per SBZ zijn dit de zogenaamde specifieke instandhoudingsdoelstellingen (hierna: S-IHD). Deze S-IHD zijn, na een intensief overlegproces tussen 2010 en 2013, vastgesteld in aanwijzingsbesluiten (de S-IHD-besluiten) door de Vlaamse Regering op 23 april 2014. 

De realisatie van de doelen wordt gefaseerd en programmatisch aangepakt. Vlaanderen moet elke zes jaar aan Europa rapporteren, daarom is ook voor de realisatie gekozen voor cycli van maximaal zes jaar. Per cyclus of planperiode wordt een Vlaams Natura 2000-programma opgemaakt met een Vlaamse taakstelling en acties voor de komende periode. Het programma omschrijft ook welke organisaties betrokken zijn en geeft een raming van de uitgaven voor de uitvoering van het programma.  

Focus Vlaams Natura 2000 programma 2016–2020

Omdat Vlaanderen in 2020 aan Europa moet rapporteren, loopt de eerste cyclus van het Vlaams Natura 2000-programma van 2016 tot 2020. Op het moment van publicatie van dit voortgangsdocument bestaat er nog geen nieuw Vlaams Natura 2000-programma voor de volgende planperiode (2021-2026), zodat het bestaande programma volgens de regelgeving geldig blijft.  

Voor deze eerste cyclus is vertrokken van de Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 en van het Pact 2020. In het Vlaams Natura 2000-programma zijn een bindende en een richtinggevende taakstelling geformuleerd als een gefaseerd kader voor de realisatie van de doelen.

Het bindend deel van de taakstelling in het Vlaams Natura 2000-programma omvat:

  • het stoppen of vermijden van de verdere achteruitgang van Europees te beschermen habitattypes of soorten (stand still);
  • dat 16 van de 47 Europees te beschermen habitattypes in een gunstige staat verkeren of zijn verbeterd ten opzichte van 2007 (zie bijlage 5 van het Vlaams Natura 2000-programma).

Het bindend deel van de taakstelling moet tegen 2020 worden gerealiseerd.

Het richtinggevende deel van deze taakstelling omvat:

  • dat tegen 2020 voor alle Europees te beschermen habitattypes en soorten samen 70% van de inspanningen operationeel zijn, zodat alle habitats en soorten in een gunstige staat van instandhouding kunnen worden gebracht tegen 2050. Voor soorten die extra oppervlakte leefgebied nodig hebben, moet een derde van de extra oppervlakte gerealiseerd zijn door inrichting en beheer.

De maatregelen nodig om het richtinggevende deel van de taakstelling te realiseren, kunnen al in deze planperiode opgestart worden of, indien al in planning of uitvoering, verder lopen. Deze maatregelen moeten niet noodzakelijk afgerond zijn tijdens de looptijd. In de inspanningsmatrix (hoofdstuk 4 van het voortgangsdocument) is voor elke actie aangegeven of deze behoort tot het bindend of het richtinggevend deel van taakstelling van het Vlaams Natura 2000-programma.

Doelstelling van het voortgangsdocument

Het voortgangsdocument wordt opgemaakt met het oog op:

  • het gradueel realiseren van de S-IHD;
  • het vermijden of stoppen van de verslechtering van de Europees te beschermen habitats en de leefgebieden van Europees te beschermen soorten;
  • het vermijden of het stoppen van de betekenisvolle verstoring van de Europees te beschermen soorten.

Het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna: het ANB) maakt het voortgangsdocument op en beheert het. Dit voortgangsdocument beschrijft de inspanningen die volgens de inventaris hiervan in 2017 geleverd worden door de organisaties voor wie het beheren en ontwikkelen van natuur een maatschappelijke opdracht is. Dit zijn het ANB, de verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen. Tevens biedt het een overzicht van de openstaande taakstelling en van de acties die, volgens de huidige plannen en inzichten, nodig zijn voor de realisatie ervan. Zo vormt het voortgangsdocument het vertrekpunt en de inspiratiebron voor het bereiken van de doelen voor iedereen die daaraan kan bijdragen.

Situering van het SBZ

2 Taakstelling

Voor elke SBZ werden door de Vlaamse Regering de specifieke doelen voor Europees te beschermen habitats en soorten en de prioritaire inspanningen vastgesteld in een S-IHD-besluit. Deze doelen worden in dit voortgangsdocument weergegeven in hoofdstuk 2.1. Deze zijn daarbij geclusterd in landschapstypes. Per Europees te beschermen soort en habitat zijn het gebiedsgericht kwantiteitsdoel (populaties of oppervlakten) en kwaliteitsdoel beschreven. Hoofdstuk 2.2 geeft prioritaire inspanningen weer, die in het S-IHD-besluit vastgesteld zijn voor het realiseren van de doelen. 

2.1 Doelen

Legende bij de oppervlakte-, populatie- en kwaliteitsdoelen

Symbool

Omschrijving

+

Het doel is een stijging van de oppervlakte of populatiegrootte / een verbetering van de kwaliteit.

=

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit.

=/+

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit met lokale uitbreidingsmogelijkheid.

=/-

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit met lokale inkrimpingsmogelijkheid.

In onderstaande tabel met de doelen voor het SBZ worden doelstellingen voor enerzijds het gedeelte dat habitatrichtlijngebied is en anderzijds het gedeelte dat 'zuiver vogelrichtlijngebied' (lees: enkel vogelrichtlijngebied en geen habitatrichtlijngebied) is, niet onderscheiden, maar geïntegreerd. Aan de drie criteria die tegelijk vervuld dienen te zijn om deze doelen voor beide ruimtelijk afgebakende gebieden van elkaar te onderscheiden, werd immers niet voldaan. De drie criteria zijn: 

  • het zuiver vogelrichtlijngebied handelt over een relevante oppervlakte; 

  • het betreft in dit gebied relevante doelstellingen doelen en; 

  • de doelen die in het gedeelte dat zuiver vogelrichtlijngebied is, gerealiseerd dienen te worden, zijn (reeds in dit stadium) bekend.] 

In onderstaande tabel met de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied worden doelstellingen voor enerzijds het gedeelte dat habitatrichtlijngebied is en anderzijds het gedeelte dat 'zuiver vogelrichtlijngebied' (lees enkel vogelrichtlijngebied maar geen habitatrichtlijngebied) is, niet onderscheiden, maar geïntegreerd. Aan de drie criteria die tegelijk vervuld dienen te zijn om deze doelen voor beide ruimtelijk afgebakende gebieden van elkaar te onderscheiden, werd immers niet voldaan. De drie criteria zijn:

  • het zuiver vogelrichtlijngebied handelt over een relevante oppervlakte;
  • het betreft in dit gebied relevante doelstellingen en;
  • de doelstellingen die in het gedeelte dat zuiver vogelrichtlijngebied is, gerealiseerd dienen te worden, zijn (reeds in dit stadium) bekend.

 

Gezien de diversiteit van dit habitat- en vogelrichtlijngebied zijn doelentabellen opgemaakt per landschappelijke eenheid. Een landschappelijke eenheid is een geografisch gebied bestaande uit gelijkaardige geomorfologische kenmerken, waarin de verschillende habitattypen en soorten in een samenhangend complex voorkomen.

Er zijn doelentabellen opgemaakt voor de landschappelijke eenheid:

  • Landschap van het valleicomplex van de Mangelbeek (359 ha)
  • Landschap van de heide, vennen en bossen op en rond het Schietveld en de duinengordel (3806 ha)

Voor vleermuizen zijn afzonderlijke doelen per soort minder zinvol. Deze doelstellingen werden gebundeld voor verschillende soorten met gelijkaardige ecologische vereisten.

 

Het richtlijngebied heeft een totale oppervlakte van 4165 ha, waarvan circa de helft bestaat uit het militair domein ‘schietveld van Houthalen-Helchteren’ met uitgestrekte heide en boscomplexen. Vanuit dit groot natuurcomplex ontspringen beekvalleien, de Abeek, de Laambeek en de Mangelbeek. Ten oosten van het militair domein is de grootste Vlaamse duinengordel aanwezig met enkele waardevolle vennen die actueel grotendeels onder bos is gelegen. Door de uitgestrekte oppervlakte bossen en heide, die overgaan naar aangrenzende beekvalleien met laagveen, natte schraalgraslanden en valleibossen, is het een Vlaams kerngebied voor bedreigde habitats en soorten van voedselarme biotopen.

De SBZ is op Vlaams essentieel tot zeer belangrijk voor een reeks van soorten en habitattypes waaronder:

  • Landduinen, vennen en heide: habitattypen 2310 psammofiele heide, 2330 open vegetaties op landduinen, 4010 vochtige heide, 4030 droge heide en 7150 slenkvegetaties, nachtzwaluw, boomleeuwerik, gladde slang, heikikker
  • Soorten van overgangen van grote heidegebieden naar extensief landbouwgebied; grauwe kiekendief, knoflookpad
  • Beken: habitat 3260 en beekprik
  • Vennen en laagveen (habitat 3160 Dystrofe vennen, 7140 laagveen, rugstreeppad, gevlekte witsnuitlibel, poelkikker)
  • Schrale graslanden: heischrale graslanden (habitat 6230
  • Loofbossen: habitattype 9190 oud zuurminnend eikenbos, habitattype 91EO oligotrofe en mesotrofe alluviale broekbossen, wespendief, zwarte specht

Het behoud en versterken van deze habitats vormt een belangrijke doelstelling. Daarnaast moet het gebied ook functioneren als brongebied voor flora en fauna van heide, laagveen en schrale graslanden om op Vlaams niveau tot duurzame populaties te komen (nachtzwaluw, boomleeuwerik, heikikker, rugstreeppad, gladde slang en habitattypische soorten gentiaanblauwtje, maanwaterjuffer, heivlinder, kommavlinder).

Om deze natuurwaarden te versterken, wordt nagegaan wat het meest nodig is: een kwaliteitsverbetering van de habitat, verbinding naar andere gebieden of vergroten van de habitats?

Grootte

Actueel zijn er ongeveer 1400 ha heide, vennen en landduinen aanwezig, waarvan veruit het grootste deel op het militair domein. Dit is op Vlaams niveau één van de grootste heideterreinen en voldoet qua oppervlakte voor de meest kenmerkende heidesoorten zoals nachtzwaluw, boomleeuwerik, gladde slang, heikikker, rugstreeppad. Voor de meest kritische broedvogels van grootschalige heidegebieden zoals velduil, grauwe kiekendief, korhoen is de oppervlakte echter een beperkende factor in combinatie met het verloren gaan van geschikte foerageergebieden in de omliggende landbouwgronden. De grote open ruimten wordt in het oosten bovendien onderbroken door uitgestrekte naaldbossen waarin geïsoleerde, maar zeer waardevolle landduinen en vennen gelegen zijn. Ook de beekvalleien die ontspringen op het militair domein zijn grotendeels verbost. In combinatie met het aangrenzende Kamp van Beverlo biedt dit gebied op Vlaams niveau unieke mogelijkheden om voldoende grote en onverstoorde broedgebieden voor deze ruimte-eisende soorten te herstellen. Daarnaast heeft deze SBZ door zijn centrale ligging een bijzondere functie in de uitwisseling van typische heidesoorten tussen ‘Teut en Tenhaagdoornheide’, Opglabbekerzavel, het Nationaal park Hoge kempen en het Kamp van Beverlo. Hiervoor moet vooral ingezet worden een versterking van deze heidehabitats, het herstel van overgangen tussen een grootschalig open heidelandschap naar open beekvalleien en landbouwgebieden met daarin schrale graslanden en kruidenrijke akkers, een herstel van de duinengordel en het vennencomplex in het oosten van het SBZ en het functioneel verbinden van deze gebieden met het militair domein door het omvormen van bosbarrières en zonevreemde intensieve landbouwgronden. Een toename van heide, vennen en landduinen betreft ongeveer 443 ha.

Voor de overige habitattypes zijn in principe voldoende grote oppervlaktes aanwezig, behalve voor het eiken-berkenbos. Actueel komt het habitat slechts versnipperd binnen de grote naaldhoutcomplexen voor. Naast een omvormingsdoelstelling is een effectieve uitbreiding van richtwaarde 33 ha voorzien op de zonevreemde landbouwgronden die gelegen zijn binnen het vennencomplex Turfven en Ruiterskuilen. Met een minimale uitbreiding kan hiermee een grote kwaliteitsverbetering in de omgeving gerealiseerd worden van bos-, ven- en heidehabitats.

Kwaliteit

De kwaliteit van de meeste habitats is actueel onvoldoende. In combinatie met de vaak versnipperde ligging is een belangrijk deel van de oppervlakte actueel niet geschikt als leefgebied voor de meest kwetsbare fauna en flora van heide, schrale graslanden en laagveen. Een treffend voorbeeld hiervan is het gentiaanblauwtje, de topindicator van een goed ontwikkelde natte heide, die ondanks de grote oppervlakte natte heide enkel nog voorkomt in een smalle rand op Sonnisheide.

Bij de habitats van heide, vennen en landduinen zijn de belangrijkste knelpunten vergrassing, verbossing en het ontbreken van typische plantensoorten in de oevers van vennen en een laag aandeel van pioniersvegetaties op landduinen. Via herstel van de hydrologie enerzijds en gericht natuurbeheer anderzijds moet de kwaliteit van deze habitats sterk verbeteren en kunnen lokaal te kleine open habitats uitgebreid worden. Een vergroting van het open heidelandschap moet eveneens zorgen voor een kwaliteitsverbetering door minder snelle verbossing, een betere winddynamiek en verhoogde grondwaterinfiltratie. Dit is positief voor pioniersvegetaties van landduinen en vennen, en voor een verhoogde grondwatervoeding naar kwelzones met laagveen en alluviale broekbossen.

In de beekvallei van de Mangelbeek streeft men naar een herstel van samenhangende laagveenkernen. Herstel van laagveen vergt aaneengesloten beekdalen met een natuurlijke waterhuishouding en geen invloed van nutriënten. Concreet streeft men hiervoor naar complexen van kleine zeggevegetaties, dottergraslanden en moerasspirearuigten, die plaatselijk overgaan naar schrale graslanden op de valleiflanken en in mozaïek gelegen zijn met oligo- tot mesotrofe elzenbroekbossen.

De valleibossen ontstonden spontaan door verbossing van beekdalhooilanden en hebben door hun relatief jonge leeftijd doorgaans nog een zwak ontwikkelde structuur. Op het niveau van de SBZ streeft men globaal naar een toename van de actuele oppervlakte tot circa 115 ha valleibos.

De bossen op de hogere plateaus bestaan grotendeels uit dennenaanplanten, met een laag aandeel inheems loofhout, een zwak ontwikkelde structuur en te weinig dood hout. Daarnaast is er het oude boscomplex van Masy wat uit een groot aandeel exoten bestaat (maar wel met een ecologische waarde gezien de leeftijd van de bestanden). Loofboshabitats van eikenberkenbos en zuur beukenbos liggen erg versnipperd en bereiken nergens een oppervlakte die voldoet aan het MSA. Het richtlijngebied heeft door de grote oppervlakte voedselarme, ongestoorde podzolzandgronden op Vlaams niveau belangrijke potenties voor uitbreiding van eikenberkenbossen. Er wordt maximaal ingezet op omvorming van naaldhout naar inheems loofbos en een sterke verbetering van de habitatkwaliteit, onder meer voor habitattypische soort kleine ijsvogelvlinder. Plaatselijk, waar landbouwgrond temidden van voedselarme habitats (heischraal grasland, landduinen, dystrofe vennen en eiken-berkenbos is gelegen, wordt een effectieve uitbreiding met richtwaarde 33 ha tot doel gesteld met een algemene kwaliteitsverbetering van de omliggende voedselarme habitattypes (zowel bos als open habitats) als resultaat. Hierdoor zal de oppervlakte droog loofboshabitat toenemen van circa 76 ha naar een einddoel van 396 ha.

Als leefgebied van tal van habitat- en vogelrichtlijnsoorten zoals onder andere grauwe kiekendief, velduil, blauwe kiekendief, wespendief, blauwborst, knoflookpad, de vleermuizen en habitattypische soorten als watersnip, wulp, geelgors, roodborsttapuit, kommavlinder, heivlinder, hooibeestje en vele anderen dient de actuele oppervlakte regionaal belangrijke biotopen (rbbhc, rbbhf, rbbmc, rbbmr, rbbms) en soortenrijke graslanden (ha, hj, hr, hp*) in de SBZ minimaal behouden te blijven. In totaal bedraagt dit respectievelijk een oppervlakte van 20 en 73 ha. Een kwaliteitsverbetering door aangepast beheer en/of extensivering is aangewezen.

Verbindingen

Naast het habitatherstel op het militair domein enerzijds en in de oostelijke duinengordel en het vennencomplex Turfven en Ruiterskuilen anderzijds is de realisatie van een verbinding tussen deze twee kerngebieden noodzakelijk om uitwisseling van habitat- en habitattypische soorten mogelijk te maken. Daarnaast zal een uitbreiding van het heidelandschap in het zuiden van het Schietveld sterk bijdragen aan het herstellen van de verbinding met Tenhaagdoornheide, de plas van Kelchterhoef en Opglabekerzavel wat een belangrijke bijdrage betekent aan het behalen van de gewestelijke IHD van knoflookpad en gladde slang. De vallei van de Mangelbeek vormt een belangrijke natuurlijke verbinding tussen het richtlijngebied en de omliggende natuurgebieden. Herstel van habitats en verbetering van de kwaliteit van extensieve graslanden en moerasachtige vegetaties en de beekhabitats zal bijdragen aan verbetering van de uitwisselingsmogelijkheden. Daarnaast kunnen hier ook kleinere ontsnipperingsmaatregelen noodzakelijk zijn op wegen die de valleien doorkruisen.

Valleicomplex van de Mangelbeek

Dit landschap heeft een oppervlakte van 359 hectare en strekt zich uit van het brongebied van de Mangelbeek tot stroomafwaarts in het gebied Schansbeemden.

Het beekdallandschap van de Mangelbeek is een laaglandbeekdalsysteem met overgangen van voedselarme infiltratiegebieden met bossen en heide naar natte beekdalgronden, die overgaan van zure, ongebufferde biotopen in de bovenloop naar meer gebufferde laagveensystemen in de middenloop.

In het “Landschap van het valleicomplex van de Mangelbeek” komen een reeks van soorten en habitattypes voor, waarvoor de SBZ op Vlaams essentieel tot zeer belangrijk is:

  • laagveenhabitats (7410_meso):
  • loofbossen: oligotrofe tot mesotrofe valleibossen (91E0) en bos op de hogere valleigronden (9120,9190)

Belangrijkste doelstelling is kwaliteitsverbetering door herstel van een hydrologisch intact beekdalsysteem. Een natuurlijk hydrologisch regime en beekwater van een goede waterkwaliteit zijn primordiaal. Kwaliteitsverbetering is niet alleen noodzakelijk voor habitattype 3260, maar ook voor de aan laagveen gebonden habitats en soorten en het prioritair habitat van valleibossen. Knelpunten als te diepe ligging van de beek en verdroging, versnelde afvoer vanuit het brongebied worden opgelost.

Deze SBZ is zeer belangrijk voor valleibossen en bossen op hogere valleigronden. Vanuit de GIHD is een sterke toename van deze habitats voorzien. Binnen deze SBZ kunnen aan aantal grotere, aaneengesloten voedselarme loofboskernen gerealiseerd worden. Daarom streeft men naar een sterk uitbreiding van deze loofboshabitats, vooral door omvorming van naaldbossen en verdere successie in de beekdalen. Hierbij is het wel essentieel om voldoende open plekken en randzones voor soorten van open habitats te voorzien, zodat de beekdalen ook hiervoor kunnen functioneren als corridor. De vallei van de Mangelbeek heeft immers ook een belangrijke verbindingsfunctie aangezien ze aansluit bij de vallei van de Broekbeek (BE2200029) en de Laambroeken (BE2200031). In al deze aansluitende gebieden is tevens potentie tot ontwikkeling van gelijkaardige habitats en de habitattypische soorten die eraan gebonden zijn.

In functie van het leefgebied van habitattypische soorten als watersnip, moeras- en zompsprinkhaan, wekkertje, bosbeekjuffer, weidebeekjuffer, kleine ijsvogelvlinder e.v.a. is een kwaliteitsverbetering van de habitats noodzakelijk en dienen de habitats verweven te zijn met soortenrijke graslanden (ha, hp*,hr, hj) en regionaal belangrijke biotopen zoals rbb_ms, rbb_hc, rbb_hf. Minimaal een behoud van de oppervlakte en een kwaliteitsverbetering van deze soortenrijke graslanden en van de 14 ha regionaal belangrijke biotopen tot bloemrijke graslanden met een hoger voedselaanbod is noodzakelijk. Hiervan profiteert eveneens 1-2 bp porseleinhoen. Daarnaast is tevens het behoud van 24 ha wilgenstruwelen (rbbsf, rbbsm, rbbso) noodzakelijk. Deze hebben onder andere een belangrijke functie als nectarbron in het vroege voorjaar voor tal van ongewervelden en als deel van het leefgebied van onder andere grote vos en de vogelrichtlijnsoort blauwborst. Plaatselijk kan wilgenstruweel omgevormd worden in functie van de andere habitatdoelstellingen. Ter hoogte van op den Aenhof wordt 1 bp Roerdomp behouden. Dit vereist 20 ha extra leefgebied door omvorming.

Habitats - Valleicomplex van de Mangelbeek

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
3260 - Submontane en laagland rivieren met vegetaties behorend tot het Ranunculion fluitans en het Callitricho-Batrachion Omschrijving

Actueel: 0 ha.
Toename door omvorming van de actuele oppervlakte, zodat dit habitattype verspreid over de Mangelbeek voorkomt. Een kwantificatie van de oppervlakte is moeilijk (ongeveer 3 km).
Einddoel: 3 km.

Dynamisch meanderend riviersysteem met:

  • natuurlijke beek- en oeverstructuur;
  • natuurlijke stromings- en waterpeildynamiek;
  • helder water met een hoge stroomdiversiteit, zonder invasieve soorten en met voldoende zonbeschenen delen;
  • voldoen aan de richtwaarden voor oppervlaktewaterkwaliteit ‘kleine Kempische beek’ (conform Besluit van de Vlaamse regering dd. 21 mei 2010 voor wat betreft de milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewateren, waterbodems en grondwater);
  • voldoende brede bufferzones langsheen de waterloop.

Doel = +
6430- Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland en van de montane en alpiene zones subtype 6430_hf moerasspireaverbond (moerasspirearuigten) Omschrijving

Actueel: 20 ha.
Behoud actuele oppervlakte.
Einddoel: 20 ha

Bloemrijke, jaarlijks gemaaide graslanden in de beekvalleien die overgangen vormen naar dottergraslanden en/of kleine zeggenvegetaties.

Doel + +
7140_meso mineraal arm circum-neutraal overgangsveen kleine zeggenvegetaties Omschrijving

Toename van de actuele oppervlakte van 4.3 ha tot 5.3 ha, door omvorming vanuit verruigde, verboste situaties en het herstellen van de hydrologie.

Goed ontwikkelde laagveenvegetaties met:

  • natuurlijke hydrologie met grondwaterstanden schommelend rond het maaiveld;
  • minder dan 10% boom-of struikopslag in het habitat;
  • 5 sleutelsoorten met een bedekking van minstens 70%;
  • buffering tegen externe invloeden;
  • inbedding in matrix van regionale belangrijke biotopen rbbhc en rbbhf.

Doel + +
9120 - Atlantisch zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei subtype beekbegeleidend bos en 9190 Eikenberkenbos Omschrijving

Actueel: 19 ha.
Toename door omvorming van 25 ha.
Einddoel: 44 ha.

De ecologische bosfunctie primeert en alle beheeringrepen zijn gericht op de ontwikkeling en substantiële verbetering van dit habitattype via volgende verbeteropgaven:

  • terugdringen van naaldhout en verwijderen van exoten;
  • verhogen aandeel dood hout;
  • verbeteren van de horizontale en verticale structuur met bijzondere aandacht voor de bosranden aansluitend bij habitattype 7140_meso.

Doel + +
91E0 - Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) subtype 91E0_meso mesotrofe elzenbroekbossen, 91E0_oli oligotrofe elzenbroekbossen Omschrijving

Actueel: 79 ha .
Toename +15ha, met als richtwaarde voor bosuitbreiding 5 ha.
Einddoel: 94 ha.
De uitbreiding vindt bij voorkeur plaats in deelgebied 1 in de vallei van de Mangelbeek waar grote oppervlakte niet habitatwaardig bos actueel stukken habitat doorbreekt.

De ecologische bosfunctie primeert en alle beheeringrepen zijn gericht op de ontwikkeling en substantiële verbetering van dit habitattype:

  • gevarieerde bosstructuur met veel open plekken bestaande uit dottergraslanden, ruigten, kleine zeggevegetaties;
  • voldoende dood hout en sleutelsoorten;
  • herstel van een voor dit habitattype gunstige waterhuishouding (kwantitatief en kwalitatief) zodat grote kernen van het oligotrofe subtype en mesotroof subtype zich kunnen ontwikkelen;
  • ontwikkeling van structuurrijke bosranden;
  • buffering tegen externe invloeden.

Soorten - Valleicomplex van de Mangelbeek

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel = +
IJsvogel Omschrijving

Jaarlijkse broedvogel met 4-6 broedparen

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied bestaande uit:

  • natuurlijke oevers met plaatselijk steile bij voorkeur zandige wanden;
  • voldoende helder water;
  • groot aanbod aan kleine vissen;
  • geschikte foerageergebieden met visrijke waterhabitats.

Doel + +
Porseleinhoen Omschrijving

Jaarlijkse broedvogel met 1-2 broedparen. Dit vereist een oppervlakte leefgebied van 15-45 ha. De soort lift mee op de doelen van de habitats.

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied bestaande uit:

  • afwisseling van lage kruidachtige vegetatie en ruigten;
  • inbedding van 7140_meso en 6430 in matrix van rbb en soortenrijke graslanden;
  • stabiel grondwaterpeil rond maaiveldniveau met weinig fluctuaties (op zijn minst in de eerste helft van het broedseizoen op of boven maaiveld);
  • voldoende rust.

Doel +
Rosse vleermuis, Ruige/Gewone/Kleine dwergvleermuis Omschrijving

Geen concreet populatiedoel

Waterplassen die voor vleermuizen bereikbaar zijn vanuit de bosgebieden. Bosgebieden met een goede horizontale en verticale structuur. Bijzondere aandacht dient gegeven aan open plekken en geleidelijke bosranden, vooral nabij deze open waterpartijen en hun bereikbaarheid hiernaartoe.

Heide, vennen en bossen op en rond het Schietveld en de duinengordel

Dit landschap heeft een oppervlakte van 3806 hectare en omvat de grote heidecomplex van het Schietveld en de bovenlopen van de Abeek en de Laambeek die er ontspringen. Aansluitend bij dit landschap zijn opgenomen het vennencomplex van Turfven en Ruiterskuilen, Ophovenderheide en Ophoverderbos en de Oudsberg. Daarnaast omvat dit landschap de omliggende landbouwgronden op het militair domein en in het noorden van het gebied.
Centraal in dit landschap staat het militair domein ‘het Schietveld’. Aangezien het leger uitgestrekte, open oefenterreinen nodig heeft, bleef het oorspronkelijk heidelandschap en geomorfologisch gezien, het vrijwel intact Kempens plateau met bovenstroomse beekdalen, behouden.Deze intacte, landschappelijke positionering is in, zowel het Vlaamse als Nederlandse landschap, steeds zeldzamer geworden. Typerend is het groot infiltratiegebied met heide, vennen en stuifzanden. Op meerdere plaatsen werd naaldhout aangeplant en sinds 1950 treedt verbossing op. Sinds 1999 wordt het natuur- en bosbeheer uitgevoerd in samenspraak tussen de lokale, militaire overheid en het Agentschap voor Natuur en Bos. Recent werden op grote schaal herstelwerkzaamheden uitgevoerd door het Life-project DANAH. Deze werden mee opgenomen bij de actuele toestand. Een goedgekeurde, geïntegreerde visie en beheerplan vormen de basis voor de doelen voor het Schietveld. Ten oosten van het militair domein is een zeer uitgestrekte duinengordel aanwezig die actueel echter voor het merendeel bebost of verbost is.

In het “Landschap van heide, vennen en bossen op en rond het Schietveld en de duinengordel” komen volgende habitattypen en soorten voor, waarvoor de SBZ op Vlaams niveau essentieel tot zeer belangrijk is:

  • Landduinhabitats: 2310 en 2330
  • Overgangen van droge naar natte heide: 4030, 4010, 7140, 7150
  • Halfnatuurlijke graslanden: 6230
  • Waterhabitats in de voedselarme sfeer: 3130, 3160
  • Amfibieën zoals rugstreeppad, heikikker, knoflookpad, poelkikker
  • Reptiel zoals gladde slang
  • Ongewervelden zoals gevlekte witsnuitlibel
  • Broedvogels: boomleeuwerik, nachtzwaluw, grauwe klauwier, grauwe kiekendief, wespendief, zwarte specht
  • Loofbossen: eikenberkenbos (9190) en elzenbroekbos (91E0)

Binnen dit landschap staat de uitbreiding, de kwaliteitsverbetering en het duurzaam beheren van heidehabitats en habitattypische soorten voorop. Dit gebied is één van de grootste heidekernen van Vlaanderen. Er zijn van verschillende habitatrichtlijnsoorten (nachtzwaluw, boomleeuwerik, rugstreeppad) en habitattypische soorten als heivlinder leefbare populaties aanwezig. Anderzijds zijn er veel soorten in een kritieke toestand omdat er onvoldoende geschikt leefgebied is voor een duurzame populatie. Het gebied moet in de toekomst kunnen fungeren als Vlaams brongebied voor kritische soorten van heiden en vennen: dit vergt een sterke verbetering van de kwaliteit van landduinen, heiden en vennen en een uitbreiding van heidehabitats. Op die manier kan opnieuw één samenhangend leefgebied ontstaan van waaruit deze soorten omliggende SBZ gebieden kunnen koloniseren.

We kunnen er twee type natuurclusters onderscheiden: natuurcluster van het heidecomplex en natuurcluster van de grote boshabitatkernen.

Natuurcluster van het heidecomplex
Actueel komt meer dan 1380 ha psammofiele en droge heide, vochtige en venige heide voor, hoofdzakelijk op militair domein. Naast kwaliteitsverbetering is uitbreiding voorzien van landduin- en heidehabitats om een groot heidecomplex te bekomen waar duurzame populaties van nachtzwaluw, boomleeuwerik, gladde slang, heikikker, rugstreeppad en habitattypische soorten zoals gentiaanblauwtje, zadelsprinkhaan kunnen ontwikkelen of behouden blijven en kansen geboden worden aan ruimtebehoevende soorten zoals grauwe kiekendief, velduil en korhoen.
Actuele kleinere landduinvegetaties en psammofiele heide in de omgeving van de Oudsberg worden vergroot, net als de droge en natte heide rondom de aanwezige vennen zodat hier opnieuw voldoende oppervlakte in een goede kwaliteit aanwezig is voor doelsoorten als gladde slang, heikikker en habitattypische soorten zoals maanwaterjuffer, kommavlinder, heivlinder e.v.a. Essentieel is het verstevigen van het ecologisch netwerk doorheen deze duinengordel en het functioneel verbinden via corridors en/of stapstenen met het militair domein. In functie van de vorming van een meta-populatie heikikker, rugstreeppad, gladde slang, knoflookpad en habitattypische soorten heivlinder, kommavlinder, zadelsprinkhaan is het versterken van de verbindende functie met de plas van Kelchterhoef, Tenhaagdoornheide en Opglabekerzavel essentieel.
Typerend zijn de verschillende type vennen in het heidelandschap. Naast kwaliteitsherstel, is een hydrologisch herstel van de intrekgebieden een belangrijke herstelopgave voor deze vennen en de andere watergebonden habitattypes (4010, 6230-hmo, 7140, 7150).
Het heidecomplex op het militair domein is omzoomd met intensieve landbouwgebieden. Het voorzien van een bufferzone is noodzakelijk om opnieuw een goede kwaliteit te bereiken van de beoogde heide- en venhabitattypes in het complex. Over de volledige noordzijde van het Schietveld dient een buffer voorzien te worden om inwaaiing en/of instroming van nutriënten of bestrijdingsmiddelen te voorkomen. Ecohydrologische inzichten moeten uitwijzen welke hydrologische maatregelen dienen genomen te worden in deze zone om verdroging tegen te gaan en een gunstige ontwikkeling van de natte habitats mogelijk te maken.

Natuurcluster van de grote boshabitatkernen
De ontwikkeling van een aantal grote boskernen, die een leefbare populatie bevatten van de grotere oppervlaktebehoevende faunasoorten, is een belangrijk streefdoel om een goede staat van instandhouding te bereiken binnen deze SBZ voor de boshabitats. Typerend voor dit landschap is, gezien de abiotische omstandigheden, het zuurminnende eiken-berkenbos. Slechts enkele goed ontwikkelde voorbeelden (76 ha) zijn terug te vinden. Het SBZ is op Vlaams niveau zeer belangrijk voor realisatie van grote samenhangende kernen van eiken-berkenbos. Grote aaneengesloten kernen bos zijn gelegen in de zuidoosthoek van het militair domein (Masy) en verder oostelijk, waar nog een aantal oude bossites voorkomen (eikenbos en naaldbos op ferrarisbossites) (Ophoverderbos en omgeving). De bossen vormen actueel het leefgebied van habitattypische soorten als bonte vliegenvanger, gekraagde roodstaart, fluiter en daarnaast zijn ze van belang voor vogelrichtlijnsoorten als zwarte specht, middelste bonte specht en wespendief, maar in een ijle matrix rond heide en landduinen ook voor nachtzwaluw en gladde slang. Omvorming van bestaande niet habitatwaardige bossen is voorzien.

Aansluitend met deze twee grote natuurclusters vinden we soortenrijke graslanden (ha, hp*,hr, hj) en 6 ha regionaal belangrijke biotopen zoals rbb_ms, rbb_hc, rbb_hf die aanvullend een grootte waarde hebben als leefgebied van onder andere de vleermuizen, grauwe kiekendief, knoflookpad, grauwe klauwier en tal van habitattypische heidesoorten die komen foerageren op deze graslanden zoals wulp, kommavlinder, hooibeestje en vele anderen. Minimaal een behoud van de oppervlakte en een kwaliteitsverbetering tot bloemrijke graslanden met een hoger voedselaanbod is noodzakelijk. Daarnaast is tevens het behoud van minimum 2.5 ha wilgenstruwelen (rbbsf, rbbsm, rbbso) noodzakelijk. Deze hebben onder andere een belangrijke functie als nectarbron in het vroege voorjaar voor tal van ongewervelden (solitaire bijen, zweefvliegen, vlinders etc.) en als deel van het leefgebied van onder andere de vogelrichtlijnsoort blauwborst.

Habitats - Heide, vennen en bossen op en rond het Schietveld en de duinengordel

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
2310 - Psammofiele heide met Calluna en Genista en 4030 –Droge Europese heide Omschrijving

Toename van de actuele oppervlakte van 921 ha tot 1161 ha, met richtwaarde voor effectieve uitbreiding 45 ha op landbouwconcessies in het zuiden en oosten van het militaire Schietterrein.

Goed ontwikkelde heidevegetaties met:

  • Een goede structuurvariatie van de habitat met op de psammofiele heiden een voldoende aanbod van de verschillende successiestadia;
  • Zo beperkt mogelijke boomopslag (maximum 10%) in de habitat. Het terugdringen van boomopslag is een belangrijke kwaliteitsopgave, voornamelijk op de spontaan verboste of beboste psammofiele heide op de oostelijke duinengordel;
  • Min 10% naakte,omgewoelde bodem, om mineraalrijkere situaties te bekomen en min 40% bloemrijke situaties op de droge heide die ontwikkeld vanuit de landbouwgronden in het oosten en het zuiden van het Schietveld in functie van soorten als knoflookpad, kommavlinder e.a.;
  • Niet verstoorde zones in broedseizoen (i.f.v. nachtzwaluw, boomleeuwerik, grauwe kiekendief…).

Doel + +
2330 - Open grasland met Corynephorus- en Agrostissoorten op landduinen, subtype 2330_bu –buntgrasverbond, subtype 2330_dw dwerghaververbond Omschrijving

Toename van de actuele oppervlakte van 52 ha tot 115 ha, waarvan 10 ha omvorming vanuit naaldhout (realisatie gebiedsvisie VNR ‘de Oudsberg’) en 53 ha omvorming vanuit naaldhout in de oostelijke duinengordel.

Goed ontwikkelde landduincomplexen met:

  • een goede structuurvariatie van de habitats met zoveel mogelijk open (stuivend) zand en behoud van de buntgrasvegetatie, mostapijtjes en korstmosvegetaties afgewisseld met een gevarieerde ouderdom van struikheide;
  • beperkte boomopslag (<10%);
  • voorzien van niet verstoorde zones tijdens broedseizoen voor nachtzwaluw en boomleeuwerik;
  • ingebed in open of halfopen landschap voor een maximale windwerking;
  • behoud oude hakhoutstoven van zomer- en wintereik.

Doel + +
3130 - Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot het Littorelletalia uniflorae en/of Isoëto-Nanojuncetea, subtype 3130_aom oligotrofe tot mesotrofe vijvers en vennen met pioniersgemeenschappen op de kale oever of in de ondiepe Omschrijving

Actueel: 5 ha.
Behoud actuele oppervlakte. Toename door omvorming in de kerngebieden schietveld-Sonnisheide en Monnikwyer-Den Damp met 10 ha.
Einddoel: 15 ha.

Goed ontwikkeld oligotroof tot mesotroof ven met:

  • grotendeels vrij van slib en sediment;
  • helder, zeer zwak tot matig gebufferd en min of meer nutriëntenarm water met een lage stikstof- en fosforconcentratie en een matig zure tot circumneutrale pH;
  • natuurlijke hydrologie met aanvoer van lokaal grondwater;
  • voldoende open landschap, waar windwerking mogelijk is;
  • buffering tegen externe invloeden;
  • herstel tot gewenst trofieniveau.

Doel + +
3160 - Dystrofe natuurlijke poelen en meren Omschrijving

Actueel: 15.5 ha.
Behoud actuele oppervlakte
Toename door omvorming in de kerngebieden schietveld-Sonnisheide, Monnikwyer-Den Damp, en Ophovenerbos-Ruiterskuilen met 40 ha.
Einddoel: 56 ha.

Goed ontwikkeld dystroof ven in open heidelandschap met:

  • geschikte waterhuishouding;
  • zuur tot zeer zwak gebufferd, oligotroof water met beperkingen qua totaalfosfor, conductiviteit en totaal stikstof helder, door humuszuren bruingekleurd water;
  • permanent waterhoudende vennen, die hoogstens kortstondig droogvallen;
  • 2-3 sleutelsoorten minstens frequent aanwezig.

Doel + +
4010 - Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix Omschrijving

Toename van de actuele oppervlakte van 252 ha tot 324 ha, waarvan richtwaarde 4 ha effectieve uitbreiding en 54ha omvorming

Goed ontwikkelde vochtige heide vegetaties:

  • aanwezigheid van lokaal frequente veenmoslaag en meer dan 1 veenmossoort ;
  • beperkte boomopslag (< 10%);
  • beperkte vergrassing met pijpenstrootje (< 30%);
  • natuurlijke hydrologie (GHG: 20 cm-mv en 0(5) cm +mv, GLG 60-70 cm –mv, amplitude < 50cm);
  • oligotroof grondwater, met lage conductiviteit en voldoende lage waardes voor NO3-N en Po4-P buffering tegen externe invloeden.

Doel + +
6230 - Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa) subtype 6230_hmo Vochtig heischrale graslanden Omschrijving

Actueel: 2.27 ha
Toename door effectieve uitbreiding van 5 ha aansluitend op de natte heide en de natte heischrale relicten op Sonnisheide.
Einddoel: 7.27 ha.

Goed ontwikkeld vochtig heischraal grasland met:

  • beperkte strooisellaag, vervilting en verruigingsindicatoren;
  • bedekking van sleutelsoorten > 30%;
  • beperkte boomopslag (<10%);
  • buffering tegen externe invloeden.

Doel + +
6230 - Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa) subtype 6230_hn droge heischrale graslanden Omschrijving

Toename van de actuele oppervlakte van 20 ha tot 27 ha, waarvan een deel omvorming vanuit grasland of verboste situaties.

Goed ontwikkeld droog heischraal grasland met:

  • korte vegetatie (< 25 cm) met een bedekking van > 30% van de sleutelsoorten en <5% verruiging;
  • buffering tegen externe invloeden;
  • zonbeschenen en weinig tot geen strooisellaag;
  • herstel bodems tot gewenst trofieniveau;
  • plaatselijk bocage landschap met zoomvegetaties, doornstruwelen i.f.v. leefgebied grauwe klauwier;
  • inbedding in matrix van soortenrijke graslanden en regionale belangrijke biotopen.

Doel + +
7140 - Overgangs- en trilveen Subtype 7140_oli oligotroof en zuur overgangsveen Omschrijving

Toename van de actuele oppervlakte van 15 ha tot 18 ha, door omvorming van 3 ha vanuit verruigde, verboste situaties en het herstellen van de hydrologie.

Goed ontwikkeld zuur overgangsveen met:

  • aanwezigheid van hoogveenontwikkeling, met een veenmoslaag van > 50% en hoge bedekking van de sleutelsoorten;
  • beperkte boomopslag (< 10%);
  • beperkte vergrassing met pijpenstrootje (< 30%);
  • natuurlijke hydrologie met permanente grondwatertafel rond maaiveldniveau (GHG range 15 cm –mv / 0 cm +mv en GLG > 25 cm -mv, amplitude 25 cm);
  • oligotroof grondwater, met lage conductiviteit en voldoende lage waardes voor NO3-N en Po4-P beperkte strooisellaag met een bedekking van < 20%.

Doel =/+ +
7150 - Slenken in veengronden met vegetatie behorend tot het Rhynchosporion Omschrijving

Actueel: 2.58 ha.
Behoud actuele oppervlakte in complex met habitattype 4010 + lichte toename van 2 ha na vernatting.
Einddoel: 5 ha.

Goed ontwikkelde slenken in veengronden met:

  • verwevenheid binnen het heidelandschap met pionierstadia;
  • frequente aanwezigheid van meer dan 3 pioniersoorten ;
  • voldoende open plekken;
  • natuurlijke hydrologie (s’ winters boven maaiveld), die niet als plagplekken van natte heide te beschouwen zijn.

Doel + +
9190 - Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur en 9120 - Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei (Quercion robori-petraeae of Ilici-Fagenion) Omschrijving

Actueel: 57 ha.
Behoud actuele oppervlakte + 295 ha met een richtwaarde van 33 ha bosuitbreiding.
Einddoel: 353 ha.

Goed ontwikkelde zuurminnende eikenbossen met:

  • behoud oude bij voorkeur inheemse bomen (voor zwarte specht, vleermuizen);
  • voldoende structuurrijkdom;
  • < 10% invasieve exoten;
  • streven naar ijle bossen met voldoende open plekken (voor nachtzwaluw, boomleeuwerik, wespendief, etc.) in aansluiting bij en rond de heidecomplexen ;
  • creëren van mantel-zoomvegetaties met de overgangen naar het open heidelandschap.

Doel = +
91E0 - Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) subtype 91E0_meso mesotrofe elzenbroekbossen, 91E0_oli oligotrofe elzenbroekbossen Omschrijving

Actueel: 11.5 ha.
Behoud van de actuele oppervlakte.
Einddoel: 11.5 ha.

De ecologische bosfunctie primeert en alle beheeringrepen zijn gericht op de ontwikkeling en substantiële verbetering van dit habitattype:

  • gevarieerde bosstructuur met veel open plekken, voldoende dood hout en sleutelsoorten;
  • herstel van een voor dit habitattype gunstige waterhuishouding (kwantitatief en kwalitatief) zodat grote kernen van het oligotrofe subtype zich kunnen ontwikkelen;
  • ontwikkeling van structuurrijke bosranden.

Soorten - Heide, vennen en bossen op en rond het Schietveld en de duinengordel

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
Blauwborst Omschrijving

Herstel van een populatie van min 28-35 bp.

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied bestaande uit:

  • moerassige vegetaties, rietlanden, laagveen-vegetaties met beperkte boomopslag of struweel;
  • natte heidevegetaties en vennen;
  • boorden van waterlopen met ruige vegetatie;
  • geen menselijke verstoring tijdens de broedperiode.

Doel = +
Blauwe kiekendief Omschrijving

2-5 als wintergast. Deze doelstelling vraagt geen extra leefgebied maar spoort samen met de doelen voor habitattypes van heide en laagveen.

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied (als wintergast) met grootschalig open heidelandschap met heide en vennen en voldoende voedselaanbod op aangrenzende landbouwgronden.

Doel =/+ +
Boomleeuwerik Omschrijving

Behoud tot lichte stijging van de kernpopulaties. Deze doelstelling spoort samen met de oppervlakte doelstelling voor 4030, 2310, 2330 en behoeft géén extra leefgebied.

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied met:

  • open heide- en landduinenlandschap dat schaars begroeid is met bomen, overgangen naar soortenrijke graslanden en rbb;
  • beperken van recreatieve verstoring tijdens broedseizoen;
  • bosrandenbeheer voeren aan zones met buntgrasvegetaties.

Doel +
Duinpieper Omschrijving

Geen concreet populatiedoel.

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied met:

  • warme droge zandige open heidegebieden;
  • behoud pioniersstadia van duinen met ijle begroeiing;
  • beperken van verstoring tijdens broedseizoen.

Deze doelstelling spoort samen met herstel van landduinen – habitattypes 2310, 2330 en behoeft geen extra leefgebied.

Doel + +
Gevlekte witsnuitlibel Omschrijving

>10 adulte ex per jaar en voortplantingsbewijs, en dit op minimum 2 locaties, ter hoogte van het Laambeekven en in de bovenloop van de Abeek. Herstel leefgebied ter hoogte van het vennencomplex Turfven en Ruiterskuilen

Complex van geschikt water- en landhabitat in het heidelandschap. Kwaliteitsdoelen nagenoeg volledig gedekt middels doelen voor habitat 3130, 7140 en de heikikker. Nadruk op overgangen tussen verlandingsveen en waterhabitats en dekking met drijvende en ondergedoken waterplanten van 10-70%.

Doel +
Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger, Rosse vleermuis Omschrijving

Geen concreet populatiedoel

Gericht beheer van bossen volgens de Criteria voor Duurzaam Bosbeheer voor privé-boseigendommen en via de beheervisie waar ANB het beheer voert. Bijzondere aandacht dient gegeven aan oude bomen (toekomstbomen), open plekken en geleidelijke bosranden, en hun bereikbaarheid onderling in functie van deze soorten.

Doel + +
Gladde slang Omschrijving

Bronpopulatie van minimum 200 adulte dieren die zich uitstrekt over het volledige Schietveld en een satellietpopulatie van minimum 50 adulte dieren over het vennencomplex Turfven en Ruiterskuilen en de oostelijke duinengordel.

Om de populatie- en kwaliteitsdoelstelling te bereiken is een extra oppervlakte leefgebied nodig van 65ha bestaande uit de habitattypes 2310/4030. Deze oppervlakte is verrekend in de uitbreidings- en omvormingsdoelstelling van de betreffende habitattypes. Verder spoort de doelstelling samen met herstel van het heidelandschap-habitattypes 2310, 2330, 4030, 4010, 6230, waarbij de ontwikkeling van een heidecorridor tussen het Schietveld, het complex Turfven en Ruiterskuilen en de Oudsberg is voorzien.

Aanwezigheid van open droge terreinen (heide, open bossen) met structuurrijke vegetatie en open plekken. Het functioneel verbinden van de leefgebieden van gladde slang in het Schietveld met deze van de oostelijke duinengordel en het verbeteren van de connectiviteit met de zuidelijk gelegen heideterreinen (Opglabekerzavel, Tenhaagdoornheide en de plas van kelchterhoef) door geschikt leefgebied te voorzien tot op de grens van de SBZ-H.

Doel + +
Grauwe kiekendief Omschrijving

Complex van 3 broedparen, in combinatie met het omliggende SBZ-V Militair domein en vallei van de Zwarte beek.

Goed ontwikkeld leefgebied, bestaande uit:

  • open landschap bestaande uit heide (4030, 4010), heischrale graslanden (6230_hn en 6230_hmo) omgeven door matrix van soortenrijke graslanden;
  • voldoende geschikte broedplaatsen en verbeteren van de voedselbeschikbaarheid;
  • behoud van oppervlakte historisch permanente graslanden en voeren verschralingsbeheer;
  • aanleg van duo en trioranden in de omliggende landbouwgronden gelegen binnen SBZ-V in de zone ten noorden van het Schietveld;
  • beperken van verstoring tijdens het broedseizoen.

Doel + +
Heikikker Omschrijving

4 populaties van minimaal 200 roepende mannetjes op respectievelijk Sonnisheide, het centrale vennencomplex, de bovenloop van de Abeek en het vennencomplex Turfven en Ruiterskuilen.

Deze doelstelling spoort samen met herstel van voedselarme vennen 3130, 3160 en vochtige/venige heide 4010, 7140_oli in het heidelandschap.

Complex van geschikt water- en landhabitat in het heidelandschap en verbinding van de verschillende populaties.

Doel + +
Knoflookpad Omschrijving

Versterking van de populatie, dat wil zeggen een toename van de actuele populatiegrootte tot een populatie van minimum 20 roepende mannetjes(binnen de SBZ) en aansluitend ontwikkelen van leefgebied op minimaal 5 voortplantingsplaatsen (binnen de SBZ).

Goed ontwikkeld leefgebied bestaande uit:

  • qua landbiotoop de kwaliteit van de 2310 en 4030 verbeteren met de nadruk op creëren van open zandige plekken en het verbinden van deze heidetypes;
  • qua voortplantingsbiotoop: waterkwaliteit is belangrijk voor deze soort. Dit wordt gedekt middels de kwaliteitsvereisten voor oligo- tot mesotrofe wateren (habitattype 3130). Bijkomende eis is dat de plassen visvrij moeten zijn om predatie te voorkomen;
  • bijkomend voortplantingsbiotoop creëren onder de vorm van aanleg poelen in natte depressies in de directe omgeving van de huidige locatie;
  • functioneel verbinden van leefgebieden binnen de SBZ door corridors van landbiotoop of andere types bloemrijke en schrale graslanden of heiden.

Doel +
Korhoen Omschrijving

Geen concreet populatiedoel

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied met:

  • mozaïek van uitgestrekt heide- en veengebieden, met open berkenbossen, extensief beheerde hooilanden, aansluitend bij extensief beheerde akkers;
  • overgangen naar soortenrijke graslanden en rbb;
  • aanwezigheid van bosbes in de bossen;
  • bedekking van jonge opslag van bomen en struiken in de heidevegetatie met 30%;
  • afwisseling met sommige hoogopschietende delen van de heide;
  • beperken van verstoring tijdens broedseizoen.

Deze doelstelling spoort samen met herstel van droge en vochtige heide, heischrale graslanden – habitattypes 4030, 4010, 6230_hmo, soortenrijke graslanden en rbb en behoeft geen extra leefgebied.

Doel = +
Middelste bonte specht, Zwarte specht Omschrijving

Behoud van de actuele populaties.

Deze doelstelling spoort samen met de oppervlakte doelstelling voor 9190, 9120, en behoeft géén extra leefgebied.

Bossen met voldoende variatie aan (loof)boomsoorten, voldoende oude bomen en open plekken. Deze doelstelling spoort samen met de doelstellingen voor de habitats 9190 en 9120.

Doel =/+ +
Nachtzwaluw Omschrijving

4 kernpopulaties van > 30 broedparen. Behoud tot lichte stijging van de kernpopulatie . Deze doelstelling spoort samen met de oppervlakte doelstelling voor 4030, 2310, 2330 en behoeft géén extra leefgebied.

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied met:

  • structuurrijke heidelandschap met een geleidelijke overgang naar open tot halfopen bossen, soortenrijke graslanden en rbb;
  • zandige ruimten en onbegroeide plekken;
  • beperkt aandeel verspreide bomen;
  • beperken van recreatieve verstoring tijdens broedseizoen.

Doel = +
Poelkikker Omschrijving

5 populaties van minimaal 200 roepende mannetjes in complex van 3-5 permanente kleine plassen of één of meer grote plassen

De kwaliteitseisen worden grotendeels gedekt door deze van Heikikker. Voortplantingswateren dienen jaarrond water te houden.

Doel + +
Rugstreeppad Omschrijving

3 populaties van >200 roepende man op telkens 5 voortplantingsplaatsen, gelegen in de bovenloop van de Abeek, het centrale vennencomplex/Sonnisheide en de omgeving van Kelchterhoef.

Deze doelstelling spoort samen met herstel van het heidelandschap-habitattypes 2310, 2330, 3130 en 3160, 4030, 4010 en vereist geen extra leefgebied.

Complex van geschikt water- en landhabitat in het heidelandschap.

Doel =/+ +
Wespendief Omschrijving

Minstens behoud van de actuele populaties (2bp).

Naast de doelstellingen voor de boshabitats en het toepassen van de CDB is een verbetering van het foerageergebied noodzakelijk door een behoud en kwaliteitsverbetering van extensieve graslanden.

2.2 Prioritaire inspanningen

In samenhang met de hoger beschreven doelstellingen is in het S-IHD-besluit door de Vlaamse Regering een aantal prioritaire inspanningen vastgesteld. Dit is een globale omschrijving van de acties die noodzakelijk zijn voor de realisatie van deze doelstellingen. Voor de uitvoering van de prioritaire inspanningen zijn vaak meerdere acties nodig. Hoofdstuk 4 van dit voortgangsdocument (Inspanningsmatrix) geeft de concrete acties weer die uitvoering geven aan deze prioritaire inspanningen.

3 Oppervlaktebalans

Dit hoofdstuk geeft de stand van zaken weer van de realisatie van de taakstelling, met name van de oppervlaktedoelen, op basis van het passend beheer. Het passend beheer is wettelijk gedefinieerd in het Instandhoudingsbesluit van 20 juni 2014. Het is de oppervlakte waarvoor in een natuurbeheerplan of daarmee vergelijkbaar plannen of overeenkomsten, een of meer Europees te beschermen habitattype(s) of een leefgebied van een of meer Europees te beschermen soort(en) als natuurstreefbeeld is vastgesteld. 

De oppervlaktebalans in dit voortgangsdocument is enkel opgemaakt voor de Europees te beschermen habitats, op basis van de inventarisatie van het terreinbeheer door het ANB, verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen (met name Natuurpunt vzw, vzw Durme en Limburgs Landschap vzw). Voor leefgebieden van Europees te beschermen soorten was dergelijke inventarisatie niet mogelijk met de bestaande gegevens, zodat een oppervlaktebalans per Europees te beschermen soort niet opgenomen is. 

Onderstaande tabel geeft per Europees te beschermen habitat:

  • De habitat code: de code van het habitat waarvoor een doel is gesteld (zie §2.1 'Doelen', voor de benaming en beschrijving);
  • Het totaal doel: de tot doel gestelde oppervlakte per habitat;
  • Het passend beheer: de oppervlakte met passend beheer zoals vastgesteld in een goedgekeurd natuurbeheerplan of daarmee vergelijkbare plannen of overeenkomsten;
  • De openstaande taakstelling: de oppervlakte die wordt berekend als het verschil tussen het totaal doel en de oppervlakte met passend beheer.

In de oppervlaktebalans worden alle oppervlakten weergegeven in hectare, tenzij anders aangegeven. De tabel geeft de situatie in februari 2017 weer.

4 Inspanningsmatrix

Dit hoofdstuk formuleert de acties die uitvoering geven aan de prioritaire inspanningen die vastgesteld werden in het S-IHD-besluit. Daarbij wordt op basis van het Vlaams Natura 2000-programma 2016-2020 aangegeven welke acties behoren tot het bindend deel van de taakstelling (zie hoofdstuk 1). De overige acties behoren tot het richtinggevend deel van de taakstelling. 

Elke actie wordt in onderstaande tabel beschreven, met volgende rubrieken:

  • Nr. actie: het nummer van de actie is een samenstelling van het nummer van de prioritaire inspanning en het nummer van de actie zelf. 
  • Omschrijving actie: geeft beknopt aan wat er moet gebeuren, waarom, met welk resultaat en waar.
  • Prioritaire inspanning: de prioritaire inspanning waaraan deze actie invulling geeft. Vanaf prioritaire inspanning 100 worden acties weergegeven die niet onder de prioritaire inspanningen van hoofdstuk 2.2 vallen. Deze acties zijn toegevoegd aan het voortgangsdocument, aanvullend op de prioritaire inspanningen, omdat ze eveneens nodig zijn om tot de gunstige lokale staat van instandhouding te komen van de betreffende habitat(s) of soort(en).
  • Actie voor de verbetering van het natuurlijk milieu: indien in deze kolom een ‘ja’ staat, dan is deze actie ingeschreven voor de verbetering van het natuurlijk milieu als omschreven in hoofdstuk 5. 
  • Deelgebied(en): de deelgebieden waar deze actie uitgevoerd zal worden. Indien in de tabel geen nummer van een deelgebied is opgegeven, is de actie van toepassing op de volledige SBZ. 
  • Habitats/soort(en): de Europees te beschermen habitat(s) en/of soort(en) waarvoor de actie ondernomen wordt. Het gaat om habitats en soorten waarvoor doelen opgenomen zijn in het S-IHD-besluit en om (cursief aangegeven) habitattypische soorten. Habitattypische soorten zijn kenmerkend voor één of soms meerdere habitattypes. Een habitattype kan enkel in een regionaal gunstige staat van instandhouding verkeren als binnen Vlaanderen ook de habitattypische soorten gelinkt aan dit habitattype in een regionaal gunstige staat van instandhouding verkeren. Meer gedetailleerde informatie over habitattypische soorten is beschikbaar in referenties 1, 2 en 3 (zie hoofdstuk 8).
  • Trekker: de organisatie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de actie.
  • Andere betrokkenen: de organisaties of actoren die betrokken zijn bij de actie, als uitvoerder, omwille van mogelijke impact, het leveren van kennis,…
  • Timing: het moment waarop de uitvoering van de actie start. Kan pas ingevuld worden indien de status ‘gepland’ of ‘in uitvoering’ is.
  • Status: hierbij is onderscheid gemaakt tussen:
    • Op te starten: de actie is benoemd maar nog niet opgestart.
    • In onderzoek: het plan of project voor de uitvoering van de actie is in ontwikkeling. Een trekker is aangeduid en gestart met de voorbereiding van het plan of project .
    • Plan in opmaak: de opmaak van het uitvoeringsplan is gestart. 
    • Plan beschikbaar: het uitvoeringsplan is afgerond en door de betrokken partijen goedgekeurd. De uitvoering ervan moet nog opgestart worden. 
    • In uitvoering: de actie wordt momenteel uitgevoerd.
    • Uitgevoerd: de uitvoering van de actie is beëindigd.
    • Stopgezet: de uitvoering van de actie is stopgezet zonder dat ze helemaal is beëindigd; er is geen plan om ze terug op te starten.
  • Bindend: deze lijn verschijnt enkel als de actie deel uitmaakt van het bindend deel van de taakstelling (zie hoofdstuk 1). Hierbij is onderscheid gemaakt tussen:
    • Stand still: actie noodzakelijk voor de stand still of het tegengaan van achteruitgang.
    • 2020: actie noodzakelijk voor het bereiken van een gunstige of verbeterde staat van instandhouding voor 16 habitats tegen 2020.
    • Deelgebied(en): de deelgebied(en) waarvoor de actie bindend is (sommige acties zijn bindend voor een deelgebied maar richtinggevend voor een ander).
    • Habitats/soorten: de habitats en/of soorten waarvoor de actie bindend is (sommige acties zijn bindend voor een habitat en/of soort maar richtinggevend voor andere habitats en/of soorten).

De tabel geeft de situatie weer in augustus 2017.

5 Overzichtkaart

De overzichtskaart biedt informatie voor en een stand van zaken over de realisatie van de doelen voor deze SBZ. De verschillende onderdelen zijn te consulteren via een geoloket.

 

 5.1 Synthesekaart

De synthesekaart biedt een samengesteld, vereenvoudigd overzicht van de actuele Europees te beschermen habitats en de oppervlaktes Europees te beschermen habitats onder passend beheer (zie hoofdstuk 3).

In het geoloket wordt de synthesekaart weergegeven met dit symbool 

5.2 Situering van de actuele Europees te beschermen habitats

De kaarten ‘Actueel habitat’ geven indicatief de ligging van de actuele Europees te beschermen habitats in deze SBZ weer, op basis van referentie 9 (zie hoofdstuk 6). De kaart ‘Actueel habitat overzicht’ geeft een overzicht alle actuele habitats. De kaarten ‘Actueel habitat per cluster’ en ‘Actueel habitat per habitat’ maken de actuele habitats respectievelijk in clusters van verwante habitats en voor elk habitat apart zichtbaar.

In het geoloket wordt de kaart: 

  • actueel habitat overzicht weergegeven met dit symbool   
  • actueel habitat per cluster met dit symbool  
  • actueel habitat per habitat met dit symbool 

5.3    Situering van de gebieden beheerd met het oog op de realisatie van de doelen

De kaarten ‘Passend beheer’ (voor definitie, zie hoofdstuk 3) geven indicatief weer welke oppervlaktes Europees te beschermen habitats onder passend beheer zijn bij het ANB, verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen (zie hoofdstuk 3). De kaart ‘Passend beheer overzicht’ geeft het overzicht van alle oppervlaktes onder passend beheer voor habitats. De kaarten ‘Passend beheer per cluster’ en ‘Passend beheer per habitat’ maken de oppervlaktes onder passend beheer respectievelijk in clusters van verwante habitats en voor elk habitat apart zichtbaar.

De huidige kaart geeft de situatie weer in februari 2017.

In het geoloket wordt de kaart :

  • oppervlakte onder passend beheer overzicht weergegeven met dit symbool 
  • oppervlakte onder passend beheer per cluster weergegeven met dit symbool 
  • oppervlakte onder passend beheer per habitat weergegeven met dit symbool 

5.4 Situering van de vegetaties relevant als leefgebied voor Europees te beschermen soorten

Omdat voor de vegetaties relevant als leefgebied voor Europees te beschermen soorten geen terreininventarisatiegegevens bestaan, werd deze kaart opgemaakt door middel van een ruimtelijk model. Dit model werkt op basis van de ecologische karakteristieken van de soort, aangevuld met actuele verspreidingsgegevens en de verbreidingscapaciteit van de soort. De bekomen afbakening vormt op dit moment de best beschikbare benadering van de actuele leefgebieden van de betreffende soorten. Voor een gedetailleerde beschrijving van de methodiek wordt verwezen naar referenties 4, 5 en 6 (zie hoofdstuk 6).

De opmaak ervan was niet voor alle Europees te beschermen soorten mogelijk omdat

  • een aantal mobiele soorten zeer ruime en weinig gedifferentieerde leefgebieden kent (bv. slechtvalk, kokmeeuw);
  • voor de leefgebiedkarakteristieken van bepaalde soorten geen (gebiedsdekkende) kaartlaag voorhanden is (bv. bittervoorn en kleine modderkruiper);
  • voor een aantal soorten de wetenschappelijke kennis en de beschikbare data ontoereikend zijn (bv. vleermuizen).

In het geoloket worden de leefgebieden weergegeven met de symbolen symbool leefgebieden voor het overzicht,  Synthesekaart Groepen voor de groepen en symbool leefgebieden voor de soorten, en dit enkel voor soorten waarvoor de opmaak van de kaarten mogelijk was en waarvoor doelen zijn ingeschreven in het S-IHD-besluit.

5.5 Situering van de aanwezigheid van habitattypische soorten

Onderstaand overzicht geeft indicatief weer welke habitattypische soorten actueel voorkomen per deelgebied op basis van referenties 7 en 8 (zie hoofdstuk 6). Habitattypische soorten zijn soorten die kenmerkend zijn voor één of soms meerdere habitattypes. Voor het bereiken van de regionaal gunstige staat van instandhouding van het habitat, moeten de populaties van de habitattypische soorten, verbonden aan dat habitat, ook in een regionaal gunstige staat van instandhouding worden gebracht of gehouden. Meer gedetailleerde informatie over habitattypische soorten is beschikbaar in referenties 1, 2 en 3 (zie hoofdstuk 6).

 

6 Referenties

1.:  Geert De Knijf, Desiré Paelinckx (2012). Typische faunasoorten van de verschillende Natura 2000 habitattypes, in functie van de beoordeling van de staat van instandhouding op niveau Vlaanderen (ref. INBO.A.2013.139)

2.: Adriaens, Dries; Adriaens, Tim; Ameeuw, Griet (2008). Ontwikkeling van criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de habitattypische soorten (ref. INBO.R.2008.35)

3: Adriaens, P. & Ameeuw, G. (red) (2008). Ontwikkeling van criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de vogelrichtlijnsoorten.  D/2008/3241/287 (ref.INBO.R.2008.36)

4.: Maes et al. (2015). Afbakenen van potentiële leefgebiedenkaarten voor Europese en Vlaamse prioritaire soorten in het kader van de voortoets. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2015. (versie 2.0). (ref. INBO.R.2015.10201559). 

5: : Maes D., Anselin A., De Knijf G., Denys L., Devos K., Gouwy J., Leyssen A., Packet J., Pauwels I., Pollet M., Speybroeck J., Stienen E., Thomaes A., T’jollyn F., Van Den Berge K., Van Landuyt W., Van Thuyne G., Vermeersch G. & Verhaeghe F. (2017). Afbakenen van actueel relevant potentieel leefgebied voor een selectie van Europees prioritaire soorten. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2017 (30) (ref. INBO.R.12602606 . Brussel: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

6.: Dirk Maes, Koen Devos, Anny Anselin, Eric Stienen, David Buysse, Ine Pauwels & Thierry Onkelinx (2016). Advies over de leefgebiedenkaarten van Natura 2000-soorten (ref. INBO.A.3415)

7.: De Knijf, Geert; Vermeersch, Glenn (datum). Advies over de actuele verspreiding van de habitattypische soorten per SBZ-H deelgebied - deel fauna (ref. INBO.A.3233)

8.: Van Landuyt, Wouter; De Knijf, Geert (2014). Advies over de verspreiding van de habitattypische soorten per SBZ-H deelgebied - deel flora (ref. INBO.A.3192)

9. De Saeger, S., Guelinckx, R., Oosterlynck, P., De Bruyn, A., Debusschere, K., Dhaluin, P., ... Paelinckx, D. (2020). Biologische Waarderingskaart en Natura 2000 Habitatkaart, uitgave 2020. (Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek; Nr. 35). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. https://doi.org/10.21436/inbor.18840851