In onderstaande tabel met de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied worden doelstellingen voor enerzijds het gedeelte dat habitatrichtlijngebied is en anderzijds het gedeelte dat 'zuiver vogelrichtlijngebied' (lees enkel vogelrichtlijngebied maar geen habitatrichtlijngebied) is, niet onderscheiden, maar geïntegreerd. Aan de drie criteria die tegelijk vervuld dienen te zijn om deze doelen voor beide ruimtelijk afgebakende gebieden van elkaar te onderscheiden, werd immers niet voldaan. De drie criteria zijn:
- het zuiver vogelrichtlijngebied handelt over een relevante oppervlakte;
- het betreft in dit gebied relevante doelstellingen en;
- de doelstellingen die in het gedeelte dat zuiver vogelrichtlijngebied is, gerealiseerd dienen te worden, zijn (reeds in dit stadium) bekend.
Gezien de diversiteit van dit habitat- en vogelrichtlijngebied zijn doelentabellen opgemaakt per landschappelijke eenheid. Een landschappelijke eenheid is een geografisch gebied bestaande uit gelijkaardige geomorfologische kenmerken, waarin de verschillende habitattypen en soorten in een samenhangend complex voorkomen.
Er zijn doelentabellen opgemaakt voor de landschappelijke eenheid:
- Landschap van het valleicomplex van de Mangelbeek (359 ha)
- Landschap van de heide, vennen en bossen op en rond het Schietveld en de duinengordel (3806 ha)
Voor vleermuizen zijn afzonderlijke doelen per soort minder zinvol. Deze doelstellingen werden gebundeld voor verschillende soorten met gelijkaardige ecologische vereisten.
Het richtlijngebied heeft een totale oppervlakte van 4165 ha, waarvan circa de helft bestaat uit het militair domein ‘schietveld van Houthalen-Helchteren’ met uitgestrekte heide en boscomplexen. Vanuit dit groot natuurcomplex ontspringen beekvalleien, de Abeek, de Laambeek en de Mangelbeek. Ten oosten van het militair domein is de grootste Vlaamse duinengordel aanwezig met enkele waardevolle vennen die actueel grotendeels onder bos is gelegen. Door de uitgestrekte oppervlakte bossen en heide, die overgaan naar aangrenzende beekvalleien met laagveen, natte schraalgraslanden en valleibossen, is het een Vlaams kerngebied voor bedreigde habitats en soorten van voedselarme biotopen.
De SBZ is op Vlaams essentieel tot zeer belangrijk voor een reeks van soorten en habitattypes waaronder:
- Landduinen, vennen en heide: habitattypen 2310 psammofiele heide, 2330 open vegetaties op landduinen, 4010 vochtige heide, 4030 droge heide en 7150 slenkvegetaties, nachtzwaluw, boomleeuwerik, gladde slang, heikikker
- Soorten van overgangen van grote heidegebieden naar extensief landbouwgebied; grauwe kiekendief, knoflookpad
- Beken: habitat 3260 en beekprik
- Vennen en laagveen (habitat 3160 Dystrofe vennen, 7140 laagveen, rugstreeppad, gevlekte witsnuitlibel, poelkikker)
- Schrale graslanden: heischrale graslanden (habitat 6230
- Loofbossen: habitattype 9190 oud zuurminnend eikenbos, habitattype 91EO oligotrofe en mesotrofe alluviale broekbossen, wespendief, zwarte specht
Het behoud en versterken van deze habitats vormt een belangrijke doelstelling. Daarnaast moet het gebied ook functioneren als brongebied voor flora en fauna van heide, laagveen en schrale graslanden om op Vlaams niveau tot duurzame populaties te komen (nachtzwaluw, boomleeuwerik, heikikker, rugstreeppad, gladde slang en habitattypische soorten gentiaanblauwtje, maanwaterjuffer, heivlinder, kommavlinder).
Om deze natuurwaarden te versterken, wordt nagegaan wat het meest nodig is: een kwaliteitsverbetering van de habitat, verbinding naar andere gebieden of vergroten van de habitats?
Grootte
Actueel zijn er ongeveer 1400 ha heide, vennen en landduinen aanwezig, waarvan veruit het grootste deel op het militair domein. Dit is op Vlaams niveau één van de grootste heideterreinen en voldoet qua oppervlakte voor de meest kenmerkende heidesoorten zoals nachtzwaluw, boomleeuwerik, gladde slang, heikikker, rugstreeppad. Voor de meest kritische broedvogels van grootschalige heidegebieden zoals velduil, grauwe kiekendief, korhoen is de oppervlakte echter een beperkende factor in combinatie met het verloren gaan van geschikte foerageergebieden in de omliggende landbouwgronden. De grote open ruimten wordt in het oosten bovendien onderbroken door uitgestrekte naaldbossen waarin geïsoleerde, maar zeer waardevolle landduinen en vennen gelegen zijn. Ook de beekvalleien die ontspringen op het militair domein zijn grotendeels verbost. In combinatie met het aangrenzende Kamp van Beverlo biedt dit gebied op Vlaams niveau unieke mogelijkheden om voldoende grote en onverstoorde broedgebieden voor deze ruimte-eisende soorten te herstellen. Daarnaast heeft deze SBZ door zijn centrale ligging een bijzondere functie in de uitwisseling van typische heidesoorten tussen ‘Teut en Tenhaagdoornheide’, Opglabbekerzavel, het Nationaal park Hoge kempen en het Kamp van Beverlo. Hiervoor moet vooral ingezet worden een versterking van deze heidehabitats, het herstel van overgangen tussen een grootschalig open heidelandschap naar open beekvalleien en landbouwgebieden met daarin schrale graslanden en kruidenrijke akkers, een herstel van de duinengordel en het vennencomplex in het oosten van het SBZ en het functioneel verbinden van deze gebieden met het militair domein door het omvormen van bosbarrières en zonevreemde intensieve landbouwgronden. Een toename van heide, vennen en landduinen betreft ongeveer 443 ha.
Voor de overige habitattypes zijn in principe voldoende grote oppervlaktes aanwezig, behalve voor het eiken-berkenbos. Actueel komt het habitat slechts versnipperd binnen de grote naaldhoutcomplexen voor. Naast een omvormingsdoelstelling is een effectieve uitbreiding van richtwaarde 33 ha voorzien op de zonevreemde landbouwgronden die gelegen zijn binnen het vennencomplex Turfven en Ruiterskuilen. Met een minimale uitbreiding kan hiermee een grote kwaliteitsverbetering in de omgeving gerealiseerd worden van bos-, ven- en heidehabitats.
Kwaliteit
De kwaliteit van de meeste habitats is actueel onvoldoende. In combinatie met de vaak versnipperde ligging is een belangrijk deel van de oppervlakte actueel niet geschikt als leefgebied voor de meest kwetsbare fauna en flora van heide, schrale graslanden en laagveen. Een treffend voorbeeld hiervan is het gentiaanblauwtje, de topindicator van een goed ontwikkelde natte heide, die ondanks de grote oppervlakte natte heide enkel nog voorkomt in een smalle rand op Sonnisheide.
Bij de habitats van heide, vennen en landduinen zijn de belangrijkste knelpunten vergrassing, verbossing en het ontbreken van typische plantensoorten in de oevers van vennen en een laag aandeel van pioniersvegetaties op landduinen. Via herstel van de hydrologie enerzijds en gericht natuurbeheer anderzijds moet de kwaliteit van deze habitats sterk verbeteren en kunnen lokaal te kleine open habitats uitgebreid worden. Een vergroting van het open heidelandschap moet eveneens zorgen voor een kwaliteitsverbetering door minder snelle verbossing, een betere winddynamiek en verhoogde grondwaterinfiltratie. Dit is positief voor pioniersvegetaties van landduinen en vennen, en voor een verhoogde grondwatervoeding naar kwelzones met laagveen en alluviale broekbossen.
In de beekvallei van de Mangelbeek streeft men naar een herstel van samenhangende laagveenkernen. Herstel van laagveen vergt aaneengesloten beekdalen met een natuurlijke waterhuishouding en geen invloed van nutriënten. Concreet streeft men hiervoor naar complexen van kleine zeggevegetaties, dottergraslanden en moerasspirearuigten, die plaatselijk overgaan naar schrale graslanden op de valleiflanken en in mozaïek gelegen zijn met oligo- tot mesotrofe elzenbroekbossen.
De valleibossen ontstonden spontaan door verbossing van beekdalhooilanden en hebben door hun relatief jonge leeftijd doorgaans nog een zwak ontwikkelde structuur. Op het niveau van de SBZ streeft men globaal naar een toename van de actuele oppervlakte tot circa 115 ha valleibos.
De bossen op de hogere plateaus bestaan grotendeels uit dennenaanplanten, met een laag aandeel inheems loofhout, een zwak ontwikkelde structuur en te weinig dood hout. Daarnaast is er het oude boscomplex van Masy wat uit een groot aandeel exoten bestaat (maar wel met een ecologische waarde gezien de leeftijd van de bestanden). Loofboshabitats van eikenberkenbos en zuur beukenbos liggen erg versnipperd en bereiken nergens een oppervlakte die voldoet aan het MSA. Het richtlijngebied heeft door de grote oppervlakte voedselarme, ongestoorde podzolzandgronden op Vlaams niveau belangrijke potenties voor uitbreiding van eikenberkenbossen. Er wordt maximaal ingezet op omvorming van naaldhout naar inheems loofbos en een sterke verbetering van de habitatkwaliteit, onder meer voor habitattypische soort kleine ijsvogelvlinder. Plaatselijk, waar landbouwgrond temidden van voedselarme habitats (heischraal grasland, landduinen, dystrofe vennen en eiken-berkenbos is gelegen, wordt een effectieve uitbreiding met richtwaarde 33 ha tot doel gesteld met een algemene kwaliteitsverbetering van de omliggende voedselarme habitattypes (zowel bos als open habitats) als resultaat. Hierdoor zal de oppervlakte droog loofboshabitat toenemen van circa 76 ha naar een einddoel van 396 ha.
Als leefgebied van tal van habitat- en vogelrichtlijnsoorten zoals onder andere grauwe kiekendief, velduil, blauwe kiekendief, wespendief, blauwborst, knoflookpad, de vleermuizen en habitattypische soorten als watersnip, wulp, geelgors, roodborsttapuit, kommavlinder, heivlinder, hooibeestje en vele anderen dient de actuele oppervlakte regionaal belangrijke biotopen (rbbhc, rbbhf, rbbmc, rbbmr, rbbms) en soortenrijke graslanden (ha, hj, hr, hp*) in de SBZ minimaal behouden te blijven. In totaal bedraagt dit respectievelijk een oppervlakte van 20 en 73 ha. Een kwaliteitsverbetering door aangepast beheer en/of extensivering is aangewezen.
Verbindingen
Naast het habitatherstel op het militair domein enerzijds en in de oostelijke duinengordel en het vennencomplex Turfven en Ruiterskuilen anderzijds is de realisatie van een verbinding tussen deze twee kerngebieden noodzakelijk om uitwisseling van habitat- en habitattypische soorten mogelijk te maken. Daarnaast zal een uitbreiding van het heidelandschap in het zuiden van het Schietveld sterk bijdragen aan het herstellen van de verbinding met Tenhaagdoornheide, de plas van Kelchterhoef en Opglabekerzavel wat een belangrijke bijdrage betekent aan het behalen van de gewestelijke IHD van knoflookpad en gladde slang. De vallei van de Mangelbeek vormt een belangrijke natuurlijke verbinding tussen het richtlijngebied en de omliggende natuurgebieden. Herstel van habitats en verbetering van de kwaliteit van extensieve graslanden en moerasachtige vegetaties en de beekhabitats zal bijdragen aan verbetering van de uitwisselingsmogelijkheden. Daarnaast kunnen hier ook kleinere ontsnipperingsmaatregelen noodzakelijk zijn op wegen die de valleien doorkruisen.