landschap met schapen © Veronique De Smedt

Turnhouts vennengebied

BE2100024 - Vennen, heiden en moerassen rond Turnhout
BE2101538 - Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout

1 Inleiding

Het Natura 2000-netwerk is een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Deze zijn aangewezen op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen om Europees beschermde habitattypes en soorten de kans te geven duurzaam te overleven en zo de Europese biodiversiteit te bewaren. In Vlaanderen zijn 62 Natura 2000-gebieden aangeduid, ook speciale beschermingszones (hierna: SBZ) genoemd. Deze gebieden zijn essentieel voor het bereiken van de gunstige staat van instandhouding van Europees te beschermen habitats en soorten. Voor Vlaanderen gaat het om 47 habitattypes, 49 dier- en plantensoorten en 58 vogelsoorten. 

Alle lidstaten van de Europese Unie zijn verplicht om de nodige maatregelen te nemen om een ‘gunstige staat van instandhouding’ te realiseren voor Europees te beschermen habitats en soorten. Om deze maatregelen in te vullen heeft de Vlaamse Regering instandhoudingsdoelstellingen (hierna: doelen) op Vlaams niveau en per SBZ bepaald. Op Vlaams niveau zijn dit de zogenaamde gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen (hierna: G-IHD) en per SBZ zijn dit de zogenaamde specifieke instandhoudingsdoelstellingen (hierna: S-IHD). Deze S-IHD zijn, na een intensief overlegproces tussen 2010 en 2013, vastgesteld in aanwijzingsbesluiten (de S-IHD-besluiten) door de Vlaamse Regering op 23 april 2014. 

De realisatie van de doelen wordt gefaseerd en programmatisch aangepakt. Vlaanderen moet elke zes jaar aan Europa rapporteren, daarom is ook voor de realisatie gekozen voor cycli van maximaal zes jaar. Per cyclus of planperiode wordt een Vlaams Natura 2000-programma opgemaakt met een Vlaamse taakstelling en acties voor de komende periode. Het programma omschrijft ook welke organisaties betrokken zijn en geeft een raming van de uitgaven voor de uitvoering van het programma.  

Focus Vlaams Natura 2000 programma 2016–2020

Omdat Vlaanderen in 2020 aan Europa moet rapporteren, loopt de eerste cyclus van het Vlaams Natura 2000-programma van 2016 tot 2020. Op het moment van publicatie van dit voortgangsdocument bestaat er nog geen nieuw Vlaams Natura 2000-programma voor de volgende planperiode (2021-2026), zodat het bestaande programma volgens de regelgeving geldig blijft.  

Voor deze eerste cyclus is vertrokken van de Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 en van het Pact 2020. In het Vlaams Natura 2000-programma zijn een bindende en een richtinggevende taakstelling geformuleerd als een gefaseerd kader voor de realisatie van de doelen.

Het bindend deel van de taakstelling in het Vlaams Natura 2000-programma omvat:

  • het stoppen of vermijden van de verdere achteruitgang van Europees te beschermen habitattypes of soorten (stand still);
  • dat 16 van de 47 Europees te beschermen habitattypes in een gunstige staat verkeren of zijn verbeterd ten opzichte van 2007 (zie bijlage 5 van het Vlaams Natura 2000-programma).

Het bindend deel van de taakstelling moet tegen 2020 worden gerealiseerd.

Het richtinggevende deel van deze taakstelling omvat:

  • dat tegen 2020 voor alle Europees te beschermen habitattypes en soorten samen 70% van de inspanningen operationeel zijn, zodat alle habitats en soorten in een gunstige staat van instandhouding kunnen worden gebracht tegen 2050. Voor soorten die extra oppervlakte leefgebied nodig hebben, moet een derde van de extra oppervlakte gerealiseerd zijn door inrichting en beheer.

De maatregelen nodig om het richtinggevende deel van de taakstelling te realiseren, kunnen al in deze planperiode opgestart worden of, indien al in planning of uitvoering, verder lopen. Deze maatregelen moeten niet noodzakelijk afgerond zijn tijdens de looptijd. In de inspanningsmatrix (hoofdstuk 4 van het voortgangsdocument) is voor elke actie aangegeven of deze behoort tot het bindend of het richtinggevend deel van taakstelling van het Vlaams Natura 2000-programma.

Doelstelling van het voortgangsdocument

Het voortgangsdocument wordt opgemaakt met het oog op:

  • het gradueel realiseren van de S-IHD;
  • het vermijden of stoppen van de verslechtering van de Europees te beschermen habitats en de leefgebieden van Europees te beschermen soorten;
  • het vermijden of het stoppen van de betekenisvolle verstoring van de Europees te beschermen soorten.

Het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna: het ANB) maakt het voortgangsdocument op en beheert het. Dit voortgangsdocument beschrijft de inspanningen die volgens de inventaris hiervan in 2017 geleverd worden door de organisaties voor wie het beheren en ontwikkelen van natuur een maatschappelijke opdracht is. Dit zijn het ANB, de verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen. Tevens biedt het een overzicht van de openstaande taakstelling en van de acties die, volgens de huidige plannen en inzichten, nodig zijn voor de realisatie ervan. Zo vormt het voortgangsdocument het vertrekpunt en de inspiratiebron voor het bereiken van de doelen voor iedereen die daaraan kan bijdragen.

Situering van het SBZ

2 Taakstelling

Voor elke SBZ werden door de Vlaamse Regering de specifieke doelen voor Europees te beschermen habitats en soorten en de prioritaire inspanningen vastgesteld in een S-IHD-besluit. Deze doelen worden in dit voortgangsdocument weergegeven in hoofdstuk 2.1. Deze zijn daarbij geclusterd in landschapstypes. Per Europees te beschermen soort en habitat zijn het gebiedsgericht kwantiteitsdoel (populaties of oppervlakten) en kwaliteitsdoel beschreven. Hoofdstuk 2.2 geeft prioritaire inspanningen weer, die in het S-IHD-besluit vastgesteld zijn voor het realiseren van de doelen. 

2.1 Doelen

Legende bij de oppervlakte-, populatie- en kwaliteitsdoelen

Symbool

Omschrijving

+

Het doel is een stijging van de oppervlakte of populatiegrootte / een verbetering van de kwaliteit.

=

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit.

=/+

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit met lokale uitbreidingsmogelijkheid.

=/-

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit met lokale inkrimpingsmogelijkheid.

In onderstaande tabel met de doelen voor het SBZ worden doelstellingen voor enerzijds het gedeelte dat habitatrichtlijngebied is en anderzijds het gedeelte dat 'zuiver vogelrichtlijngebied' (lees: enkel vogelrichtlijngebied en geen habitatrichtlijngebied) is, niet onderscheiden, maar geïntegreerd. Aan de drie criteria die tegelijk vervuld dienen te zijn om deze doelen voor beide ruimtelijk afgebakende gebieden van elkaar te onderscheiden, werd immers niet voldaan. De drie criteria zijn: 

  • het zuiver vogelrichtlijngebied handelt over een relevante oppervlakte; 

  • het betreft in dit gebied relevante doelstellingen doelen en; 

  • de doelen die in het gedeelte dat zuiver vogelrichtlijngebied is, gerealiseerd dienen te worden, zijn (reeds in dit stadium) bekend.] 

De habitats en soorten binnen het habitatrichtlijngebied kunnen worden gegroepeerd in de volgende drie natuurclusters:

  1. heidelandschap,
  2. moeraslandschap,
  3. droge bossen.

Binnen het vogelrichtlijngebied zijn er twee ecotoopclusters:

  1. droge bossen
  2. mozaïekrijk weidevogelgebied met kleine landschapselementen (bermen, houtkanten, hagen, veldbosjes, hoogstamboomgaarden, perceelsrandbegroeiïngen, sloten, struwelen, poelen en waterlopen) en natte graslanden.

Heidelandschap - BE2100024

Het heidelandschap is aspectbepalend voor deze SBZ. Onder ‘heidelandschap’ verzamelen zich een reeks van habitats, habitattypische soorten en regionaal belangrijke biotopen. In het heidelandschap komen (kwamen) vogelsoorten voor als wulp, kiekendieven, korhoen,…. die typisch zijn voor grote aaneengesloten heidehabitats, maar met foerageergebieden in aangrenzend extensief cultuurlandschap met schrale graslanden. Voedselarme waters zoals vennen maken integraal deel uit van het heidelandschap. De (grotere) vennen zijn van belang als broed-, foerageer- en slaapplaats voor moeras- en watervogels.

Habitats, regionaal belangrijke biotopen en habitattypische soorten van belang in het heidelandschap zijn:

  • landduinen (2310), buntgras- en struisgrasvegetaties op landduinen (2330), pioniervegetaties van voedselarme, zwak gebufferde permanente wateren (3110), oeverkruidvegetaties (3130), dystrofe vennen (3160), vochtige heide (4010), droge heide (4030), droog (6230_hn), soortenrijk (6230_ha) en nat (6230_hmo) heischraal grasland, actief hoogveen (7110), overgangs- en trilveen (7140_oli), veenslenken (7150);
  • gagelstruweel (rbbSm), brem- en gaspeldoornstruwelen (rbbSg), vochtig wilgenstruweel op venige en zure grond (rbbSo).

Volgende doelen worden globaal beoogd voor het heidelandschap:

  • Realisatie van drie heidekernen van ‘topkwaliteit’
    Er komen in de SBZ een aantal middelgrote kernen, maar tegelijkertijd versnipperde heidehabitats voor. Knelpunt hierbij is dat nergens een voldoende grote aaneengesloten oppervlakte ‘heidelandschap’ voorkomt nodig voor het bereiken van een goede lokale staat van instandhouding van habitattypische soorten. Versterking door toename van de heidekernen en geassocieerde habitats (vennen zijn hier een integraal deel van) is absoluut noodzakelijk. De belangrijkste deelgebieden hiervoor zijn het Turnhouts Vennengebied (3, 5), Liereman-Korhaan (1) en Kijkverdriet, Kesseven en Klotgoor (7). In deze gebieden komen nog goed ontwikkelde voedselarme habitats (of in ontwikkeling) voor waar het gebied in Vlaanderen zeer belangrijk (4010, 4030, 7150) tot essentieel (3110, 3130, 6230, 7140) voor is (conform G-IHD). De mogelijkheid bestaat hier om tot versterking van het heidelandschap te komen binnen een ruimere matrix van vennen (3110, 3130), venen (7110, 7140, 7150), vochtige (4010) en droge (4030) heide, heischrale graslanden (6230) en landduinen (2310, 2330). De Liereman (1) heeft als enige gebied in de SBZ de potenties om te komen tot één groot heide- en veengebied met veenvegetaties in al zijn gradiënten.

    Binnen de 3 deelgebieden dient gestreefd naar het onderling verbinden van verspreide heidehabitats tot grotere gehelen. Het onderling verbinden van de heidekernen tussen de deelgebieden is fysiek niet mogelijk (met uitzondering van 3 en 5). Daarnaast worden ook structuurrijke overgangen van heidehabitats naar open, structuurrijk eiken-berkenbos gecreëerd in functie van soorten als nachtzwaluw en boomleeuwerik. In deelgebied Liereman (1) kunnen ter plaatse Hoge Mierdse Heide en Korhaan landduinhabitats 2310 en 2330 versterkt worden door omvorming van beboste landduinen. Bijkomende ontwikkeling kan gebeuren in het noordoostelijk deel van het Turnhouts Vennengebied (5, beboste landduinen ten zuiden en noorden van het vliegveld van Weelde). Toename van 2310 en 2330 is mogelijk door omvorming van beboste landduinen en (aanvullend) het nastreven van 30-40% open plekken in bos op bodems zonder profiel, voor 2330 ook door herstelbeheer vanuit landbouw. Bij herstel van 2330 dient bijzondere aandacht uit te gaan naar het mineraalrijke type 2330_dw. De herstelde habitats dienen aansluitend bij bestaande open terreinen voorzien, zodat een zekere natuurlijke dynamiek kan spelen. Lokaal kan 2310 en 2330 ontwikkeld worden in een matrix met 6230_hn, 4030 (en open eikenberkenbos). In functie van het verzekeren van een actieve windwerking en spontane dynamiek worden deze landduinhabitats in eerste instantie best ingebed in een matrix met andere schrale open vegetaties. Er wordt een toename beoogd van 27 ha voor duinheidehabitats, waarvan 25ha in deelgebied Liereman (1).

    Het gentiaanblauwtje is een belangrijke habitattypische soort van de vochtige heide. Er is enkel nog een populatie van deze vlindersoort aanwezig in het Turnhouts Vennengebied (3, 5). De populatie in de Liereman (1) stierf in 2011 uit. In functie van duurzame populaties voor de soort wordt gestreefd naar een verdere toename van 4010. Voor de ganse SBZ wordt een toename nagestreefd van natte heide in het Turnhouts Vennengebied (3, 5) en Liereman (1), waarbij het Kijkverdriet, Kesseven en Klotgoor (7) een mogelijke stapsteen voor het gentiaanblauwtje wordt. In dezelfde gebieden wordt een verdere toename van 4030 beoogd. Voor droge heide wordt in meerdere heidekernen een toename nagestreefd.

    • Er wordt een toename van 81 ha nagestreefd voor natte heide en 172 ha voor droge heide.Mogelijkheden voor oppervlaktetoename voor met natte heide geassocieerde veenvegetaties (7110, 7140, 7150) zijn er vooral in de Liereman (creatie van één aangesloten heide- en veengebied) door o.a. herstelbeheer vanuit grote zeggenvegetaties, rietmoeras en vochtige struwelen. Voor 7110 wordt behoud van de actuele kwaliteit van de lokale hoogveenelementen in overgangsveen (7110_oli) beoogd (behoud van een intact veenlichaam van ? 2,5 ha). Een cluster aan veenvegetaties creëert uitbreidingsmogelijkheden voor gevlekte witsnuitlibel (twee populaties bekend, SBZ van essentieel belang).
    • Er wordt een toename van 17 ha nagestreefd voor veenvegetaties.De potenties voor heischrale graslanden (6230) zijn in deze SBZ zeer groot door het voorkomen van verschillende kensoorten en de gebufferde zandbodems. Buiten het vliegveld van Weelde kan 6230 door herstel- of omvormingsbeheer versterkt worden in Liereman-Korhaan (1), Turnhouts Vennengebied (3, 5) en Kijkverdriet, Kesseven en Klotgoor (7). Er wordt gestreefd naar minimaal 3 kernen van 30 ha 6230 in functie van duurzame populaties van habitattypische soorten. Belangrijk is dat in deze kernen de lokale variaties naar subtypes (6230_ha, 6230_hn en 6230_hmo incl. ‘6230_hmo_kwel’ en ‘6230_hmo_klei’ ) maximaal worden aangesproken (al dan niet in complex).
    • Er wordt een toename van heischraal grasland met 99 ha nagestreefd.
  • Verdere toename van vennen met oeverkruid- en waterlobelia-vegetaties en van de populaties drijvende waterweegbree
    Dit gebied is voor vennen van essentieel belang in Vlaanderen. Door het licht gebufferd karakter komen hier nog uiterst zeldzame soorten voor zoals gesteeld glaskroos, waterlobelia, pilvaren en oeverkruid. Het behoud van de goed ontwikkelde vegetaties van mineraalarme oligotrofe (3110) en oligo-mesotrofe stilstaande wateren (3130_aom, oeverkruidgemeenschappen) is een eerste doelstelling. Om duurzame populaties van de habitattypische flora en fauna te verkrijgen is verdere toename van deze habitats noodzakelijk. Een toename van 3110 en 3130 in een matrix van venen (7140, 7150), natte (4010) en droge heide (4030) en heischraal grasland (6230), gecombineerd met een extensivering van het landbouwgebruik en herstel van de natuurlijke hydrologie, draagt bij tot een verdere verhoogde interne buffering van deze vennen. Voor de dystrofe vennen (3160) wordt behoud van de huidige oppervlakte (minstens 1,9 ha) voorop gesteld. Gezien de kennislacune die er is ten aanzien van mogelijk andere 3160-vennen in de Liereman (bijkomende oppervlakte?) kan de effectief te behouden oppervlakte vermoedelijk hoger liggen. De 3110-vennen zijn op Vlaams niveau van essentieel belang voor habitattypische soorten als waterlobelia.Er wordt een toename van 4 ha voor 3110 en 17 ha voor 3130 nagestreefd.Deze oppervlaktetoename geeft eveneens kansen voor de uitbreiding van het aantal populaties van drijvende waterweegbree. Naast een oppervlaktetoename (die abiotisch in ruimte beperkt is), dient een verdere algemene kwaliteitsverbetering voor 3110 en 3130 nagestreefd. Beschikbaarheid van voldoende geschikte voortplantingsplassen is van belang voor heikikker en poelkikker.
  • Kwaliteitsverbetering van de heidehabitats
    Naast oppervlaktetoename is ook kwaliteitsverbetering door het instellen van een gericht beheer (en het opheffen van actueel onaangepast beheer) aan de orde. Herstel van de natuurlijke hydrologie is essentieel voor het bereiken van een goede lokale staat van instandhouding voor natte heide, laagveen en vennen.

Habitats - Heidelandschap - BE21000024

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
2310 – Psammofiele heide met Calluna- en Genistasoorten en 2330 - Open grasland met Corynephorus- en Agrostissoorten op landduinen Omschrijving

De actuele oppervlakte aan 2310 bedraagt 25 ha (21 ha en 4 ha ingericht via LIFE en NI). De actuele oppervlakte aan 2330 bedraagt 24,05 ha (7,15 ha en 16,9 ha ingericht via LIFE en NI). Toename van 2310 en 2330 (in complex) met 2 ha in deelgebied 5 en met 25 ha in deelgebied 1. Toename van 2310 en 2330 is mogelijk door omvorming van beboste landduinen en (aanvullend) het nastreven van 30-40% open plekken in bos op bodems zonder profiel, voor 2330 ook door herstelbeheer vanuit landbouw. Belangrijk hierbij is dat de aanwezigheid van de verschillende subtypes wordt verzekerd: enerzijds het subtype 2330_bu (buntgrasverbond), anderzijds het subtype 2330_dw (dwerghaververbond). Het belang van deze SBZ voor het behoud van subtype dwerghaververbond in Vlaanderen wordt als hoog ingeschat. Binnen het dwerghaververbond is er in deze SBZ een lokale variatie tussen een mineraalarm en (zeer bijzonder) mineraalrijk type. Bij herstel van 2330 dient bijzondere aandacht uit te gaan naar het mineraalrijke type 2330_dw. De bermen met habitats hebben hierbij een verbindende, maar ook belangrijke reservoirfunctie.In functie van het verzekeren van een actieve windwerking en spontane dynamiek worden deze landduinhabitats in eerste instantie best ingebed in een matrix met andere schrale open vegetaties.

Globaal wordt een voldoende tot goede lokale lokale SVI nagestreefd. Belangrijkste doelen zijn:

  • behoud van de aanwezige vegetaties van het subtype 2330_dw op brandwegen en andere open zandige plekken die geen duinzand zijn (vlakvormige toename op aanpalende percelen)
  • verminderen van eutrofiëring en/of verzuring
  • recreatieve zonering
  • nastreven van de verschillende typische successiestadia op landduinen, met klemtoon op het behoud van open zand. Dit impliceert aanwezigheid van een zekere dynamiek (door begrazing, windwerking, plaggen van vergraste zones).

Doel + +
3110 - Mineraalarme oligotrofe wateren van de Atlantische zandvlakten (Littorelletalia uniflora) Omschrijving

De actuele oppervlakte aan 3110 bedraagt 0,5 ha + 7,3 ha (ingericht via LIFE en NI) = 7,8 ha + toename met 4,5 ha = ca. 12 ha. De oppervlaktetoename van 3110 kan gerealiseerd worden in de deelgebieden 5 en 7 (beperkte opp.). De vennen kunnen er ontwikkeld worden in een matrix met 4010, 7110, 7140 en 7150. In functie van habitatherstel en -ontwikkeling: behoud van niet-habitat-waardige oppervlaktewaterlichamen. De abiotiek (voornamelijk voorkomen op minerale bodem) laat geen toename van het habitat toe buiten de gekende zones (5 en 7).

Globaal wordt een goede tot voldoende lokale SVI beoogd door:

  • tegengaan verzuring en eutrofiëring (ook in het waterleverend gebied)
  • herstel natuurlijke hydrologie en hydrografie
  • herstel natuurlijke wind- en waterpeildynamiek
  • boom-en struikvrije, droogvallende oevers
  • minimaal voorkomen invasieve exoten
  • geïntegreerd beheer zomerganzen
  • tegengaan sedimentatieopbouw

samen met een kwaliteitsverbetering van het open heidesysteem (4010, 4030) waar deze vennen veelal in ingebed zijn.
Bij herstel van de natuurlijke hydrologie en het weren van bemesting in de hydrologische intrekzones is er mogelijkheid tot herstel van historisch verdwenen vennen en kwaliteitsverbetering van de bestaande vennen.

Doel + +
3130 - Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot het Littorelletalia uniflorae en/of Isoëto-Nanojuncetea Omschrijving

De actuele oppervlakte 3130 bedraagt 30,6 ha + 10 ha (ingericht via LIFE en NI) = 41 ha + toename met 17 ha = 58 ha. Toename van de bestaande oppervlakte tot voldoende grote clusters van dit habitattype. Indien het habitattype samen voorkomt met heikikker worden clusters van > 5 ha tot doel gesteld. Waar heikikker niet voorkomt, is 0,5 – 5 ha voldoende. De oppervlaktetoename van 3130 kan vooral gerealiseerd worden in de deelgebieden 1, 5, 6 en 13. De vennen kunnen er ontwikkeld worden in een matrix met 4010, 7110, 7140 en 7150.In functie van habitatherstel en -ontwikkeling: behoud van niet-habitat-waardige oppervlaktewaterlichamen.

Globaal wordt een goede tot voldoende lokale SVI beoogd door:

  • tegengaan verzuring en eutrofiëring (ook in het waterleverend gebied)
  • herstel natuurlijke hydrologie
  • herstel natuurlijke wind- en waterpeildynamiek
  • boom-en struikvrije, droogvallende oevers
  • minimaal voorkomen invasieve exoten
  • geïntegreerd beheer zomerganzen

samen met een kwaliteitsverbetering van het open heidesysteem (4010, 4030) waar deze vennen veelal in ingebed zijn.In de deelgebieden 8, 9, 10, 1, 12, 13 en 16 wordt specifiek een kwaliteitsverbetering van de aanwezige vennen nagestreefd. De actueel niet-habitatwaardige vennen in de Nieuwe Bossen (4) moeten ontwikkeld worden als leefgebied voor hei- en poelkikker.

Bij herstel van de natuurlijke hydrologie en het weren van bemesting in de hydrologische intrekzones is er mogelijkheid tot herstel van historisch verdwenen vennen en kwaliteitsverbetering van de bestaande vennen.

Doel = +
3160 – Dystrofe vennen Omschrijving

De actuele oppervlakte aan 3160 bedraagt minstens 1,9 ha. Het habitattype is aanwezig in deelgebieden 7 en 8. Gezien de zeer specifieke standplaatsfactoren wordt een globaal kwalitatief behoud van de actuele oppervlakte voorop gesteld. Toename is weinig evident. In het Kijkverdriet (7) dient de habitatvlek van 0,2 ha behouden in een ven met een totale oppervlakte van minstens 0,5 ha. In de Grote Poeierling (8) dient de habitatvlek van 0,9 ha behouden in een ven met een totale oppervlakte van minstens 1,2 ha. Vennen zijn natuurlijke, ondiepe plassen met zwak tot niet-gebufferd en voedselarm water. BWK-code: ao of aoo.

Globaal wordt een goede tot voldoende lokale SVI beoogd door:

  • tegengaan verzuring en eutrofiëring (ook in de waterleverende gebieden)
  • herstel natuurlijke hydrologie (maximaliseren voeding: oppervlakkig afstromend water en neerslag)
  • tegengaan verlanding (kleinschalig uitvenen, met aandacht voor aanwezige bultvormende veenmossen)
  • boom-en struikvrije oevers
  • minimaal voorkomen invasieve exoten
  • geïntegreerd beheer zomerganzen

samen met een kwaliteitsverbetering van het open heidesysteem (4010, 4030) waar deze vennen veelal in ingebed zijn.

Doel + +
4010 – Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix; 7150 – Slenken in veengronden met vegetatie behorend tot het Rhynchosporion Omschrijving

De actuele oppervlakte 4010, lokaal in complex met 7150, bedraagt (ingericht, al dan niet in mozaïek met 7150 via LIFE en NI) 149 ha. Om te komen tot een aantal kernen met een voldoende tot goede lokale SVI wordt een toename met 81 ha beoogd. De toename van 4010 kan gerealiseerd worden in de deelgebieden 1, 3, 5 en 7 door omvormingsbeheer vanuit bos en herstelbeheer vanuit landbouw (door afgraving, uitmijning of enig ander verschralingsbeheer). Samen met de toename van de oppervlakte vochtige heide zal de oppervlakte aan veenvegetaties toenemen (zie 7110, 7140 en 7150). De actuele oppervlakte aan 7150 in het gebied bedraagt 2 ha. Een oppervlaktetoename met 1,5 ha voor de SBZ wordt vooropgesteld, waarbij een koppeling met ontwikkeling van 3130 en 4010 wordt gezocht. De totale beoogde oppervlakte voor 7150 is ca. 4 ha. De toename van 7150 kan zowel op plagplekken als hoogdynamische natuurlijke groeiplaatsen (bv. periodiek overstroomde oevers van vennen).

Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI voor 4010 nagestreefd. Belangrijkste doelen zijn:

  • tegengaan verzuring en eutrofiëring
  • geïntegreerd beheer zomerganzen
  • tegengaan vegetatiesuccessie (incl. herstelbeheer)
  • recreatieve zonering
  • herstel natuurlijke hydrologie
  • aanwezigheid verschillende ouderdomsstadia

Specifiek dient in deelgebieden 10, 11, 12, 16 een gericht beheer ingesteld in functie van 4010 en habitattypische soorten van natte heide (en het actueel onaangepast beheer in 10, 11 en 12 opgeheven).

Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd voor 7150 door:

  • behoud van pioniervegetaties onder de vorm van variabele plagplekken
  • behoud en herstel van periodiek overstroomde zandige oevers van sommige vennen
  • herstel natuurlijke hydrologie (realiseren van een voor dit type geschikte waterhuishouding, behoud natuurlijke waterpeilschommelingen
  • tegengaan verdroging
  • tegengaan eutrofiëring
  • geïntegreerd beheer zomerganzen
  • tegengaan verzuring

De voor 7150 nagestreefde kwaliteitsverbetering is gelinkt aan een kwaliteitsverbetering van de natte heideterreinen waar het habitat voorkomt.

Doel + +
4030 - Droge Europese heide Omschrijving

De actuele oppervlakte 4030 bedraagt 59 ha + 17 ha (ingericht via LIFE en NI) = 76 ha.Om te komen tot een aantal kernen met een voldoende tot goede SVI wordt een toename met 172 ha beoogd, waarvan 1 ha in deelgebied 3, 36 ha in deelgebied 5 en 135 ha in deelgebied 1. Een kwaliteitsvolle toename kan gerealiseerd worden in de deelgebieden 1, 3 en 5 door omvormingsbeheer van naaldhoutaanplanten en herstelbeheer vanuit landbouw. Ontwikkeling van droge heide kan in bovenstaande gebieden in een matrix met 2310, 2330 en 6230_hn. Hierbij dient gestreefd naar het verzekeren van voldoende interne samenhang tussen de verschillende droge heidegebieden. Er wordt gestreefd naar minimaal 3 droge heidekernen met een grote interne samenhang. Daarbuiten wordt gestreefd naar habitatvlekken met een minimale oppervlakte om tot een voldoende SVI te kunnen komen.

In alle deelgebieden dienen droge heidehabitats minstens kwalitatief versterkt. Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI nagestreefd door:

  • tegengaan vegetatiesuccessie
  • tegengaan vergrassing
  • tegengaan verzuring en eutrofiëring
  • recreatieve zonering
  • aanwezigheid verschillende ouderdomsstadia
  • behoud van pioniervegetaties onder de vorm van variabele plagplekken

Daarnaast dient in deelgebieden 10 en 16 een gericht beheer ingesteld in functie van 4030 en habitattypische soorten van droge heide.

Doel + +
6230 - Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa) Omschrijving

De actuele oppervlakte aan 6230 bedraagt 42,5 ha + 10ha (ingericht via LIFE en NI) = 52,5ha. Om te komen tot een aantal kernen met een voldoende tot goede SVI wordt een toename beoogd met 99 ha. Belangrijk is dat in deze kernen de lokale variaties naar subtypes (6230_ha, 6230_hn en 6230_hmo incl. ‘6230_hmo_kwel’ en ‘6230_hmo_klei’ ) maximaal worden aangesproken (al dan niet in complex).De toename kan gerealiseerd worden in de deelgebieden 1 (84 ha), 3 (1 ha), 5 (12 ha) en 7 (2 ha) door omvormingsbeheer vanuit naaldhoutaanplanten, herstelbeheer vanuit landbouw of vanuit voedselrijkere graslandtypes in natuurbeheer. De bermen waarin habitats voorkomen hebben hierbij naast een verbindende, een belangrijke reservoirfunctie.

Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI nagestreefd door:

  • tegengaan verzuring en eutrofiëring (ook in het waterleverend gebied, is van belang voor de lokale kwelgevoede subtypes)
  • herstel natuurlijke hydrologie
  • recreatieve zonering
  • tegengaan vegetatiesuccessie
  • aangepast maai- en graasbeheer
  • kleinschalig plaggen

Doel + +
7110 - Actief hoogveen Omschrijving

In het veengebied van de Liereman (1) komen nog oppervlakten bultvormende veenmossen voor, in combinatie met 7150 en natte venige heide (4010). De potenties voor 7110 beperken zich louter tot het veengebied van de Liereman (1). Toename waar mogelijk, gelet op de lange ontwikkelingstermijn en de beperkingen van het fysisch milieu, door ontwikkeling van lokale hoogveenelementen in overgangsveen (7140_oli). Er wordt een intact veenlichaam (7140_oli) met hoogveenelementen met een oppervlakte van ≥ 2,5 ha beoogd. Het veenlichaam is gelegen in een voldoende groot, niet-voedselrijk moeras. Tot moeras worden alle niet-voedselrijke plaatsen gerekend waarbij het waterpeil zich permanent tussen 20 cm boven of onder maaiveld situeert (BWK-codes: m-reeks, ao, ce, so, sm, vm, vo).

Minstens behoud van de actuele kwaliteit van de lokale hoogveenelementen in overgangsveen (7140_oli) door:

  • tegengaan ontwatering
  • tegengaan eutrofiëring (via instroom, atmosferische depositie)
  • recreatieve zonering

Herstel van hoogveen is in principe mogelijk via natuurtechnische ingrepen: in eerste instantie door het herstel van de waterhuishouding en het verzekeren van een goede waterkwaliteit.

Doel + +
7140 – Overgangs- en trilveen (7140_oli), 7140_meso - mineraalarm, circum-neutraal overgangsveen Omschrijving

De actuele oppervlakte aan 7140_oli bedraagt 8 ha. De actuele habitatwaardige oppervlakte aan 7140_meso in het ‘heidelandschap’ bedraagt eveneens 8 ha (in herstel). Voor veenvegetaties in het heidelandschap wordt een toename met 17 ha beoogd (complex van 7140_oli en 7140_meso). De toename kan gerealiseerd worden in deelgebied 1 (13 ha), 2 (1 ha), 7 (2 ha), 2 (1 ha) en 17 (1 ha). De habitats zijn ingebed in voedselarme moerassen met een voldoende grote oppervlakte. Tot moeras worden alle niet-voedselrijke plaatsen gerekend waarbij het waterpeil zich permanent tussen 20 cm boven of onder maaiveld situeert (BWK-codes: m-reeks, ao, ce, so, sm, vm, vo).

Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

  • herstel natuurlijke hydrologie (verzekeren stabiel peil)
  • verzekeren constante voeding (zeker indien grondwatergevoed)
  • verstoringen waterhuishouding tegengaan
  • tegengaan eutrofiëring (ook in het waterleverend gebied)
  • tegengaan vegetatiesuccessie (incl. ophalen achterstallig beheer: verbossing en verrruiging)
  • recreatieve zonering
  • kleinschalig plaggen of baggeren (aanwezigheid verschillende verlandingsstadia)

De globaal nagestreefde kwaliteitsverbetering van de habitatvlekken impliceert een parallelle kwaliteitsverbetering van de moerassen waar deze voorkomen.

Soorten - Heidelandschap - BE21000024

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel = +
Bergeend, Krakeend, kuifeend, Pijlstaart, Slobeend, Smient, Tafeleend, Wintertaling Omschrijving

Behoud van doortrekkende en overwinterende aantallen.

Behoud van het belang van het gebied voor doortrekkende en overwinterende watervogels (niet-broedvogels). Voldoende kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied. Genoemde eendensoorten frequenteren tijdens de winter en in de trek de grote(re) vennen. De kwaliteitseisen voor deze soorten in het ‘heidelandschap’ worden o.a. gedekt door de doelen voor de habitats 3110, 3130 en 3160. Bijkomend wordt voor al de soorten voldoende rust als kwaliteitseis meegegeven. Bergeend lift ook mee met de doelen voor 2310, 2330, 4030, 4010_7150 en 7110.

Doel + +
Blauwborst Omschrijving

Uitbreiding in de SBZ van de broedpopulatie tot 50-60 bp (i.f.v. een voldoende lokale SVI

Blauwborst lift in het heidelandschap mee met de doelen voor 3110, 3130, 3160, 4010/7150 en 7140. Een goede tot voldoende lokale SVI wordt beoogd door voldoende kwalitatief leefgebied, zowel in de moerasgebieden als in de veen– en heidegebieden.

Doel = +
Blauwe kiekendief Omschrijving

De soort overwintert jaarlijks in lage aantallen in het gebied. Behoud van doortrekkende en overwinterende aantallen.

Behoud van het belang van het gebied voor doortrekkende en overwinterende watervogels (niet-broedvogels).
Blauwe kiekendief komt voor een brede keur aan open landschappen: wei- en akkerland, kapvlaktes, aanplantingen, moerasgebieden, heidevelden en venen.
Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

  • voldoende kwalitatief foerageergebied (waaronder heidevelden)
  • tegengaan van verdere versnippering van open ruimtegebieden in de SBZ
  • kwaliteit van de slaapplaats(en) behouden door het garanderen van voldoende rustgebieden
  • behoud van de openheid van overwinteringsgebieden.

De potenties voor blauwe kiekendief kunnen toenemen bij een verdere kwaliteitsverbetering van veen- en heideterreinen (bij uitbreiding de moerasgebieden), maar ook bij een toename van het voedselaanbod in aangrenzend, extensief cultuurlandschap met natte, schrale graslanden.

Doel + +
Boomleeuwerik Omschrijving

De soort komt in SBZ-H tot broeden in de deelgebieden 1, 3, 5, 7, 8, 9 en 13. Uitbreiding van de broedpopulatie in de SBZ i.f.v. een voldoende tot goede lokale SVI (50-60 bp).

Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

  • toename van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit van de heide- en landduinhabitats (2310, 2330 en 4030)
  • behoud van het open zandig karakter van een aantal brandwegen
  • behoud van de rustgebieden
  • inrichten van de bosranden zodat er een zachtere overgang is van bos naar heide. De soort is ook gebaat bij brede schrale bermen langsheen deze zandwegen.

Doel + +
Drijvende waterweegbree Omschrijving

Toename op de gekende vindplaatsen (3, 5) van de populatiegrootte tot meer dan 1.000 planten per populatie. Terugkeer van duurzame populaties op recent verdwenen groeiplaatsen (7) tot meer dan 1.000 planten per populatie (populatiestructuur > 50 m2 en bloeiende planten en vruchten aanwezig). Uitbreiding van de bestaande populatie in de vallei van de Wamp (stroomafwaarts buiten de SBZ) tot de vallei en waterpartijen in de SBZ-V (16), tot één grote aaneengesloten populatie of verschillende structureel samenhangende groeiplaatsen.

Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd, gekoppeld aan een kwaliteitsverbetering van 3130 en 3260.

  • maximaal herstel van natuurlijke hydrologie in de inzijggebieden van de vennen
  • behoud en/of herstel waterkwaliteit vennen (ionenarm water met zeer lage ammoniumconcentratie)
  • tegengaan eutrofiëring en verzuring (ook in het waterleverend gebied)
  • in stand houden van pioniersmilieus (opbouw sliblaag tegengaan, verzekeren voldoende windwerking)
  • gefaseerd ruimingsbeheer in 3260
  • behoud en/of herstel waterkwaliteit 3260
  • Doel + +
    Gevlekte witsnuitlibel Omschrijving

    Satellietpopulatie in het Turnhouts Vennengebied (3, 5) met vestigingsmogelijkheden voor bijkomende satellietpopulaties in Liereman-Korhaan (1) en Kijkverdriet, Kesseven en Klotgoor(7). Er wordt per populatie een voldoende populatiegrootte beoogd voor een gunstige lokale SVI: voortplantingsbewijs en ≥ 10 adulten of geen voortplantingsbewijs en ≥ 20 adulten. Streven naar clusters van geschikte waterrijke gebieden die fungeren als leefgebieden.

    Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied (vennen en verlandingsvegetaties zoals vermeld bij 3130 en 7140_oli).
    Verbetering van de kwaliteit in de aanwezige cluster van verlandingsvegetaties (verschillende verlandingsstadia, open oeverzones,…):

    • 25-50% open waterzone, enkel door toename van habitatvlekken
    • langzame verlanding, volledige verlanding is echter nefast.

    Doel + +
    Heikikker Omschrijving

    Behoud van bestaande en herstel van recent verdwenen populaties. De soort is bekend van Turnhouts Vennengebied (3, 5), Nieuwe Bossen (4), Kesseven en Klotgoor (7), Liereman-Korhaan (1) en Goorken en Rode Del (16). Heikikker verdween recent in de Lei (10) en Kijkverdriet (7). Per populatie wordt gestreefd naar minimaal ≥ 200 roepende mannetjes, die zich in één of meer grote (> 250 m2) of meerdere kleine (> 10, permanente of tijdelijke) wateren (< 250 m2) voortplanten. De plassen zijn ingebed in een matrix van vochtige heide en voedselarm vochtig bos met een oppervlakte van 50-100 ha.

    Kwalitatieve verbetering van de waterhabitat:

    • herstel natuurlijke hydrologie
    • tegengaan verzuring
    • tegengaan eutrofiëring
    • herstel natuurlijke oeverzones
    • opheffen migratiebarrières tussen populaties en tussen land- en waterbiotoop

    De voortplantingsplassen van heikikker zijn oligo- tot mesotroof en hebben een pH tussen 5-6 (BWK-code: ao, aoo, aom). Kwaliteitsverbetering van het landbiotoop (zie kwaliteitsdoelen 4010, 6230, 7140, 7150, 9190).

    Doel =/+ +
    Kemphaan Omschrijving

    Behoud van de doortrekkende aantallen.

    Behoud van het belang van het gebied voor doortrekkende en overwinterende watervogels (niet-broedvogels). Kemphaan lift in het ‘heidelandschap’ mee met de doelen voor 4010/7150 en 6230. De soort wordt in de trek ook aangetroffen in open (vochtige) heide en schrale graslanden. Bijkomend wordt voldoende rust als kwaliteitseis meegegeven.

    Doel geen doelstelling +
    Korhoen Omschrijving

    Historische broedvogel. De soort is uitgestorven in Vlaanderen. Een terugkeer van uit gebieden in Nederland waar de soort recent werd geïntroduceerd- is - omwille van de geringe mobiliteit van de soort - weinig waarschijnlijk (maar kan niet worden uitgesloten).

    Herstel van de wisselwerking tussen relatief extentief beheerd kleinschalig landbouwgebied en voor een leefbare populatie voldoende aangrenzende heidegebieden. De soort vereist naast voldoende kwalitatief heidegebied, ook voldoende mozaïekrijk extensief cultuurlandschap dat er op aansluit (zie ook Landschap: mozaïekrijk weidevogelgebied’). De soort houdt zich in het winterhalfjaar vooral op in het kleinschalig extensief cultuurlandschap.

    Doel + +
    Nachtzwaluw Omschrijving

    Uitbreiding tot een kernpopulatie van ≥ 30 bp. Stijging van de populatiegrootte in de SBZ met minstens 10 bp i.f.v. een goede lokale SVI.

    De soort broedt in structuurrijke heide met voldoende open zand.
    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

    • toename van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit van de heide- en landduinhabitats (2310, 2330 en 4030)
    • verzekeren van aanwezigheid van voldoende open zand in een structuurrijke heide
    • inrichten van de bosranden zodat er een zachtere overgang is van bos naar heide
    • recreatieve zonering

    Doel + +
    Poelkikker Omschrijving

    Behoud en versterking van de bestaande populaties. De soort is bekend van Nieuwe Bossen (4), Zand- en Koeven (3), Liereman-Korhaan (1) Goorken en Rode Del (16) en Bogaerd (13). Per populatie wordt gestreefd naar 50-200 roepende mannetjes die zich voortplanten in een complex van < 3 permanente kleine plassen (< 250m2) of één grote plas (> 250m2), ingebed in een matrix van voldoende geschikt leefgebied (vochtige heide, moeras en zuur laagveen). Zuur laagveen (BWK-code: ms) wordt gerekend tot moeras. Tot moeras worden alle niet-voedselrijke plaatsen gerekend waarbij het waterpeil zich permanent tussen 20 cm boven of onder maaiveld situeert (BWK-codes: m-reeks, ao, ce, so, sm, vm, vo).

    Kwalitatieve verbetering van de vennen:

    • verzuring, verdroging, eutrofiëring en aanwezigheid van vis (vraat) vormen de belangrijkste bedreigingen;
    • opheffen van migratiebarrières tussen populaties en tussen land- en waterbiotoop.
    • samen met een verbetering van het landbiotoop (4010, 7140, 7150).

    Vennen zijn natuurlijke, ondiepe plassen met zwak tot niet-gebufferd en voedselarm water. BWK-kartering: ao, aoo of aom.

    Doel geen doelstelling +
    Regenwulp Omschrijving

    Behoud van de doortrekkende aantallen.

    Behoud van het belang van het gebied voor doortrekkende en overwinterende watervogels (niet-broedvogels). Regenwulp lift in het ‘heidelandschap’ mee met de doelen voor 3110, 3130, 3160 en 4010/7150. De slaapplaatsen van de soort omvatten o.a. heidevennen. Bijkomend wordt voldoende rust als kwaliteitseis meegegeven.

    Doel + +
    Rugstreeppad Omschrijving

    Behoud en verbetering van de huidige populatie(s). Ruqstreeppad is bekend van Liereman-Korhaan (1) en Ravelse Bergen (5). In Liereman-Korhaan (1) heeft de soort haast alle voor rugstreeppad geschikte terreinen gekoloniseerd. Potenties voor de soort liggen vooral in de Ravelse Bergen (5), gekoppeld aan de ontwikkeling van 2310, 2330, 4030 en 6230. Per populatie wordt gestreefd naar ≥ 200 roepende mannetjes, die zich in één of meer grote (> 250 m2) of meerdere kleine waterpartijen (< 100 m2) voortplanten (> 5 plassen, zelfs tijdelijk) in een matrix van voldoende geschikt leefgebied (open terreinen met zandige bodem).

    Kwalitatieve verbetering van het waterhabitat (BWK-code: ao, aoo, aom):

    • tegengaan verzuring
    • tegengaan eutrofiëring
    • herstel natuurlijke oeverzones
    • opheffen migratiebarrières tussen populaties en tussen land- en waterbiotoop

    samen met een kwaliteitsverbetering van het landbiotoop (zie kwaliteitsdoelen 2310, 2330, 4030, 6230).

    Doel = +
    Zwartkopmeeuw Omschrijving

    Jaarlijkse broedvogel in de SBZ. Behoud van huidige broedpopulatie (ca. 4 bp) Dit vereist geen extra oppervlakte leefgebied.

    Voldoende kwalitatief broedbiotoop. De soort komt in het binnenland, naast moerassen en vijvers, ook voor op vennen. De Zwartkopmeeuw lift in het heidelandschap mee met de doelen voor 3110, 3130 en 3160.

    Moeraslandschap - BE2100024

    De SBZ wordt gekenmerkt door diverse types wateren met habitattypische soorten. Vennen maken integraal deel uit van het open heidesysteem (zie Landschap: Heidelandschap). Naast vennen, zijn moerassen, oude ontginningsplassen en poelen typisch voor het gebied. De moerashabitats komen vaak voor in mozaïek met alluviaal bos en/of rbb’s. De waterrijke gebieden zijn belangrijk als broed-, rust- en foerageergebied voor water- en moerasvogels.

    Volgende habitats, regionaal belangrijke biotopen en habitattypische soorten zijn van belang in het moeraslandschap:

    • van nature eutrofe plassen (3150), laaglandbeek (3260), beekbegeleidende graslanden (6410), laaggelegen schraalland (6510), alkalisch laagveen (7230), alkalisch laagveen op drijftillen (7140_base), alluviaal bos (91E0)
    • grote zeggevegetaties (rbbMc), kleine zeggenvegetaties (rbbMs), rietmoeras (rbbMr), moerasbos (rbbSf), dotterbloemgraslanden (rbbHc), moerasspirearuigtes met graslandkenmerken (rbbHf)

    Voor deze SBZ worden voor moerashabitats volgende extra oppervlaktes beoogd: + 5 ha voor 3150 (inrichting ontginningsplassen en vijvers), + 9 ha voor 6410, + 5 ha voor 7140_meso/7140_base (in complex), 2 ha voor 6510 en + 0,5 ha voor habitattype 7230. Voor alluviaal bos (91E0) wordt, naast behoud van de actuele oppervlakte, uitbreiding met 8 ha (door omvorming) vooropgesteld (excl. secundair habitat). Lokaal kan secundair alluviaal bos i.f.v. de prioritering hersteld worden naar een doelhabitat in de open sfeer.

    Naast de specifieke doelen per habitat en de soorten worden volgende algemene doelen voorop gesteld voor het moeraslandschap:

    Realisatie van een habitatwaardige Wamp en aansluitende wateren met duurzame populaties van grote en kleine modderkruiper.
    Het voorkomen van grote modderkruiper is beperkt tot de Wamp en aanpalende wateren in het Goorken (16). Kleine modderkruiper wordt daarnaast ook nog aangetroffen in de Rode Loop (behorend tot het deelbekken van de Wamp) in de Liereman (1). Verdere vernatuurlijking van de Wamp in het Goorken met een aangepast ruimingsbeheer is noodzakelijk voor herstel van het enige leefgebied van grote modderkruiper in deze SBZ. Bij verbetering van de waterkwaliteit, zijn er grote potenties voor de ontwikkeling van habitat 3260 waardoor de duurzame instandhouding van de soort versterkt wordt. Bij de verbetering van de kwaliteit van het leefgebied is het instandhouden of creëren van ondiepe moerassige plaatsen en wetlands, in contact met de Wamp, van belang.beekherstel (hermeandering door inrichting, herstel stroomkuilenpatroon, inbreng van boomstammen of andere stroomdeflectoren, ...) en een aangepast ruimingsbeheer in de Rode Loop (1) zijn dan weer gunstig voor kleine modderkruiper. Een goede waterkwaliteit is ook hier een belangrijke randvoorwaarde.

    Ontwikkelen van 3 moerascomplexen met broedpopulaties van moerasvogelsoorten

    • Het herstel van de laagveenplassen en aanleg van wetlands in het Goorken (16) voor grote modderkruiper wordt gekoppeld aan herstel en ontwikkeling van broedgebied voor roerdomp (1 bp) en bruine Kiekendief (1 bp). De relatie met en de potenties in de Rode Del voor deze soorten (via kwaliteitsverbetering habitats en rbb’s) worden hierbij eveneens aangesproken, 30 tot 50 ha geschikt leefgebied wordt beoogd in Goorken en Rode Del (16) voor genoemde soorten. Voor roerdomp is extra leefgebied vereist, voornamelijk te voorzien door toename.
    • Naast het Goorken (16) zijn er ook potenties in het Geleeg (6) om te komen tot een groot aaneengesloten moerascomplex met broedpotentieel voor roerdomp (1 bp) en bruine kiekendief (1 bp), 30 tot 50 ha geschikt leefgebied wordt beoogd in de voormalige ontginningsplassen langsheen het kanaal. De relaties met en de potenties in de andere ontginningsplassen in deelgebieden 5 en 18 dienen hierbij eveneens aangesneden (via kwaliteitsverbetering habitats en rbb’s). Voor roerdomp is extra leefgebied vereist, voornamelijk te voorzien door toename.
    • In Liereman-Korhaan (1) zijn er ter plaatse Groot Moddergoor en Rode Goor potenties om te komen tot ontwikkeling tot grote aaneengesloten moerasvegetaties met bijkomend broedpotentieel voor porseleinhoen (regelmatige broedvogel) en bruine kiekendief (1 bp). 30-50 ha geschikt leefgebied wordt beoogd (via kwaliteitsverbetering habitats en rbb’s). Voor porseleinhoen is extra leefgebied vereist, voornamelijk te voorzien door toename (30 ha).Het is evident dat andere voorkomende moerasvogelsoorten in de SBZ mee profiteren van de ontwikkeling van deze moerascomplexen.

    Ontwikkeling van een laagveencomplex in de depressie van het Moer bestaande uit alkalisch overgangsveen, blauwgraslanden en ruigten in mozaïek met vochtige hooi- en graslanden, andere rbb’s en alluviaal bos.
    De SBZ is in Vlaanderen belangrijk voor beekbegeleidende graslanden 6410 en laaggelegen schraalland 6510. Het Moer is de enige locatie in de SBZ waar een complex van mesotrofe valleibossen, laagveen en vochtige gras- en hooilanden kan hersteld worden. Volgende doelen worden beoogd: een duurzame kern mesofiel elzenbroekbos (91E0_meso, > 20 ha) door behoud van de actuele oppervlakte en toename van het habitat ter hoogte van de (verlaten) recreatievijvers. Een klein deel van de oppervlakte (10% gedegradeerd alluviaal bos en oud populierenbos) wordt omgevormd tot 7140_base i.f.v. toename van de actuele aanwezige 7140_base. Ontwikkeling van galigaanvegetaties 7120 in goede SVI (minimum 1 ha met een minimale habitatvlek van 0,1 ha) en ontwikkeling van overgangs – en trilveen, kleine zeggenvegetaties, veldrusgraslanden, glanshavergraslanden, dottergraslanden en blauwgrasland.

    Habitats - Moeraslandschap - BE21000024

    Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
    Doel + +
    3150 - Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition Omschrijving

    3150 komt voor in de deelgebieden 2, 5, 6 en 16. De actuele oppervlakte bedraagt 21 ha. Toename met 5 ha tot 26 ha wordt beoogd. Potenties voor ontwikkeling van 3150 zijn er in oude ontginningsplassen in deelgebieden 6, 18 en in voormalige viskweekvijvers in 16.

    Een voldoende tot goede lokale SVI wordt beoogd door:

    • tegengaan eutrofiëring en waterverontreiniging (ook in de waterleverende gebieden);
    • natuurlijk peilbeheer
    • tegengaan bosontwikkeling op en bosaanplant van de oevers
    • natuurlijke visstand
    • gepast beheer (geen betuining, andere ‘harde’ ingrepen,…)
    • exotenbeheer (o.a. stierkikker)
    • geïntegreerd beheer zomerganzen
    • recreatieve zonering (visteelt, hengelrecreatie, andere)

    Doel + +
    3260 - Laaglandbeek Omschrijving

    Toename van het actuele habitat (0,1 ha) tot een habitatwaardig beektraject van de Wamp binnen heel deelgebied 16.

    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

    • behoud en verbetering van de aanwezige vegetaties en faunasoorten door een verbetering van de waterkwaliteit en structuurkwaliteit van de waterloop binnen de speciale beschermingszone
    • noodzaak tot aanleg van oeverstroken nagaan langs bovenloop Wamp, Vaartloop en Jokevenloop om inspoeling meststoffen te beperken.

    Een kwaliteitsverbetering betekent onderzoek naar de impact van afstroming van Nederlandse landbouwgronden op de waterkwaliteit binnen de SBZ.

    Doel + +
    6410_mo – Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of leemhoudende kleibodem (Eu-molinion); 6410-ve - Veldrusassociatie ; 6230_hmo Vochtige soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenlan Omschrijving

    6410 komt voor in de deelgebieden 1, 2 en 7. Voor Liereman (1), Kijkverdriet (7) en Moer (2) wordt minimaal behoud van de actuele oppervlakte beoogd (5,13 ha). In de Liereman (1) komt 6410_ve over een oppervlakte van 4,63 ha voor (Echelkuil en voormalig vliegveld). Het habitat komt voor als ‘overgangsvorm’ (6230_hmo lokaal overgaand in 6410_ve) in het Kijkverdriet (7). In deelgebied 7 komt verder een tussenvorm voor van 6230_hmo en 6410_mo met vertegenwoordigers van beide types. De totale oppervlakte aan 6410 in het Kijkverdriet beslaat ca. 0,2 ha. In deelgebied 2 komt ca. 0,3 ha 6410_ve overgaand naar 6230_hmo voor. Een toename voor 6410 met 0,2 ha in deelgebied 2 en 0,3 ha in deelgebied 7 ter hoogte van de groeiplaats van Spaanse ruiter dient nagestreefd. De bestaande habitatvlekken worden hierbij best ingebed in complexen van andere open habitats op voedselarme en/of venige bodems. Actuele oppervlakte: 5 ha + 9 ha toename = totale beoogde oppervlakte 14 ha.

    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

    • herstel lokale hydrologie (i.f.v, mineralenrijke kwel)
    • aangepast maaibeheer
    • tegengaan verzuring (o.a. stagnerend regenwater tegengaan)
    • tegengaan eutrofiëring (ook in het waterleverend gebied)

    Doel + +
    6510 – Laaggelegen schraalland Omschrijving

    Het habitat komt actueel niet voor in de SBZ-H. Op basis van modellering door VLM zijn er –na ruilverkaveling- binnen de SBZ ontwikkelingsmogelijkheden in deelgebied 2 voor glanshaver- en kamgrasvegetaties (doelhabitats 6510_hu en rbbKam), respectievelijk 24 ha en 7,7 ha. Onduidelijk is of in het Moer (2) na ruilverkaveling de vooropgestelde abiotiek en bijgevolg de beoogde oppervlaktes effectief hersteld kunnen worden. Vandaar dat een beperkt oppervlaktedoel van 2 ha wordt gesteld voor 6510.

    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

    • herstel lokale hydrologie
    • aangepast maai- en graasbeheer
    • tegengaan overstromingen met verontreinigd en/of nutriëntenrijk water

    Doel + +
    7140_base - alkalisch overgangsveen; 7140_meso - mineraalarm, circum-neutraal overgangsveen Omschrijving

    7140_base komt voor in deelgebieden 2 en 16. De actuele oppervlakte in 16 bedraagt 1,6 ha waar het voorkomt in complex met 7230. De actuele oppervlakte in 2 aan 7140_base bedraagt ca. 0,2 ha. Deze aan 7140_meso bedraagt ca. 0,1 tot 0,2 ha. Voor 7140_meso in het Moer (2) wordt uitgegaan van behoud van de aanwezige oppervlakte. Toename van 7140_base in het Moer (2) is mogelijk in oud populierenbos. In het moeraslandschap wordt voor het complex 7140_base/7140_meso een toename beoogd van 5 ha in de deelgebieden 16 (4 ha) en 2 (1ha). De overgangs- en trilvenen zijn ingebed in voedselarme moerassen met een voldoende grote oppervlakte.

    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

    • tegengaan verstoringen waterhuishouding
    • herstel lokale hydrologie (verzekeren stabiel peil)
    • tegengaan vegetatiesuccessie (door actief beheer, ophalen achterstallig beheer: verbossing en verruiging)
    • tegengaan verzuring
    • tegengaan eutrofiëring (ook in waterleverend gebied)

    De kwaliteitsverbetering van de habitats gaat gepaard met een kwaliteitsverbetering van de moerassen waar de habitats zijn ingebed. Tot moeras worden alle niet-voedselrijke plaatsen gerekend waarbij het waterpeil zich permanent tussen 20 cm boven of onder maaiveld situeert (BWK-codes: m-reeks, ao, ce, so, sm, vm, vo).

    Doel + +
    7210 - Kalkhoudende moerassen met Cladium mariscus en soorten van het Caricion davallianae Omschrijving

    In het Moer (2) wordt een habitatvlek beoogd van 0,1 ha in een niet-voedselrijkmoeras van 1 ha. Eenzelfde doel wordt gesteld voor Liereman (1) en Kijkverdriet (7). Toename met 0,3 ha. Tot moeras worden alle niet-voedselrijke plaatsen gerekend waarbij het waterpeil zich permanent tussen 20 cm boven of onder maaiveld situeert (BWK-codes: m-reeks, ao, ce, so, sm, vm, vo).

    Er wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

    • tegengaan vegetatiesuccessie
    • herstel lokale hydrologie
    • tegengaan eutrofiëring
    • cyclisch maaibeheer
    • kleinschalig plagbeheer (herstel vanuit de zaadbank)

    Doel + +
    7230 – alkalisch laagveen Omschrijving

    Het voorkomen is - gezien de zeer specifieke abiotiek - beperkt tot het Goorken (16). De actuele oppervlakte bedraagt 0,5 ha. Er wordt 1 ha tot doel gesteld (toename met + 0,5 ha) in een voldoende groot, niet-voedselrijk moeras. Tot moeras worden alle niet-voedselrijke plaatsen gerekend waarbij het waterpeil zich permanent tussen 20 cm boven of onder maaiveld situeert (BWK-codes: m-reeks, ao, ce, so, sm, vm, vo).

    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd:

    • behoud en maximaliseren kwel (in dit geval doorsijpelend kanaalwater)
    • tegengaan vegetatiesuccessie
    • lokaal plaggen (‘bultvegetaties’)
    • aangepast maaibeheer
    • tegengaan verzuring (o.a. stagnerend regenwater tegengaan)
    • tegengaan eutrofiëring
    • overstromingen met verontreinigd en/of nutriëntenrijk water vermijden

    De nagestreefde kwaliteitsdoelstelling voor 7230 impliceert een parallelle kwaliteitsverbetering van het moeras (matrix van 7140_base, 7150, 3130 en rbb’s) waar het habitat voorkomt.

    Doel + +
    91E0 - Alluviale bossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) Omschrijving

    De actuele oppervlakte bedraagt 93 ha, waarvan ca. 10 ha als secundair habitat is te aanzien. Voor alluviaal bos (91E0) wordt, naast behoud van de actuele oppervlakte (excl. secundair habitat), een uitbreiding met 8 ha beoogd (louter door omvorming). De uitbreiding kan gerealiseerd worden in de deelgebieden 13 en 18. Lokaal kan secundair alluviaal bos i.f.v. de prioritering hersteld worden naar een doelhabitat in de open sfeer.

    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

    • tegengaan verdroging
    • behoud goede waterkwaliteit grond- en oppervlaktewater
    • kleinschalig hakhoutbeheer
    • natuurlijk waterpeilbeheer

    Soorten - Moeraslandschap - BE21000024

    Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
    Doel = +
    Bergeend, Krakeend, kuifeend, Pijlstaart, Slobeend, Smient, Tafeleend, Wintertaling Omschrijving

    Behoud van doortrekkende en overwinterende aantallen.

    Behoud van het belang van het gebied voor doortrekkende en overwinterende watervogels (niet-broedvogels). Voldoende kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied. Genoemde eendensoorten frequenteren tijdens de winter en in de trek grote(re) waterplassen en moerassen in de SBZ. De soorten liften mee met de doelen die voor het moeraslandschap en andere habitattypische soorten ervan wordt nagestreefd. Bijkomend wordt voor al de soorten voldoende rust als kwaliteitseis meegegeven.

    Doel + +
    Blauwborst Omschrijving

    Uitbreiding in de SBZ van de broedpopulatie tot 50-60 bp (i.f.v. een voldoende lokale SVI).

    De soort heeft een voorkeur voor iets verruigde rietvelden, rietsloten en gevarieerde moerassen. Een goede tot voldoende lokale SVI wordt beoogd door voldoende kwalitatief leefgebied, zowel in de moerasgebieden als in de veen– en heidegebieden.

    Doel = +
    Blauwe kiekendief Omschrijving

    Behoud van doortrekkende en overwinterende aantallen.

    Behoud van het belang van het gebied voor doortrekkende en overwinterende watervogels (niet-broedvogels).
    Blauwe kiekendief komt voor in een brede keur aan open landschappen: wei- en akkerland, kapvlaktes, aanplantingen, moerasgebieden, heidevelden en venen.

  • Een voldoende tot gunstige lokale SVI wordt beoogd door:

    • Voldoende kwalitatief foerageergebied (waaronder moerasgebieden)
    • voldoende rust op de gemeenschappelijke slaapplaatsen (rietvelden) en het garanderen van voldoende rustgebieden
    • tegengaan van verdere versnippering van open ruimtegebieden in de SBZ.
    • behoud van de openheid van overwinteringsgebieden.

    De soort lift mee met de kwaliteitsverbetering die voor het moeraslandschap en andere habitattypische soorten ervan wordt nagestreefd.

  • Doel = +
    Brandts vleermuis/Gewone baardvleermuis, Gewone/Grijze grootoorvleermuis, Meervleermuis, Watervleermuis Omschrijving

    Behoud van de actuele populaties.

    De Myotis- en Plecotus-soorten kunnen mee profiteren van de doelen die voor de andere watergebonden vleermuissoorten zijn gesteld.

    Doel + +
    Bruine kiekendief Omschrijving

    Bruine kiekendief is onregelmatige broedvogel in het gebied en is actueel gekend als overwinteraar in lage, maar stabiele aantallen. Herstel van de broedpopulatie. Er wordt een broedpopulatie van minimaal 3 bp beoogd. De oppervlaktebehoeften van deze soort zijn volledig vervat in de benodigde extra oppervlaktes leefgebied van roerdomp en porseleinhoen. Niet-broedvogels: behoud van doortrekkende en overwinterende aantallen.

    Bruine kiekendief is een soort van open landschappen met grote moeras- en rietvegetaties. De soort lift zowel als broedvogel als doortrekker/overwinteraar mee met de doelen voor Roerdomp en Porseleinhoen, de doelen voor moerashabitats en de kwaliteitsverbetering die voor het moeraslandschap en andere habitattypische soorten ervan wordt nagestreefd. Bijkomend wordt voldoende rust als kwaliteitseis meegegeven.

    Doel = +
    Franjestaart, Laatvlieger, Rosse vleermuis, Ruige/Gewone/Kleine dwergvleermuis Omschrijving

    Behoud van de actuele populaties.

    Een voldoende tot goede lokale LSVI wordt beoogd door:

    • beschikbaarheid van voldoende open water met structuurrijke oevers of gevarieerde beekvalleien (natte graslanden, KLE’s, e.d.)
    • goede waterkwaliteit foerageerwateren
    • natuurlijke visstand
    • behoud, herstel en ontwikkeling van lijnvormige landschapselementen (zowel groene als blauwe) op de aanvliegroutes tussen foerageergebied en zomerverblijf enerzijds en foerageergebied en winterverblijf anderzijds.
    • vermijden van lichtpollutie op vliegroutes en jacht-, zwerm-, paar- en overwinteringsplaatsen

    Doel + +
    Grote modderkruiper Omschrijving

    Grote modderkruiper komt enkel voor in het Goorken (deelgebied 16). Uitbreiding van de populatie in deelgebied 16 tot:

    • het ganse traject van de Wamp in de SBZ
    • de moerashabitats langsheen de Wamp

    Beoogde populatiegrootte i.f.v. gunstige lokale SVI: ≥ 300 individuen/hectare.
    Mogelijkheid tot uitwisseling met de stroomopwaartse Nederlandse populaties.

    Er wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

    • voldoende vlakdekkende onderwatervegetaties en een luchtige modderbodem op zand
    • waterloop met een hoge naturlijkheid
    • aangepast beek- en oeverbeheer
    • geen waterbouwkundige ingrepen
    • exotenbeheer (stierkikker)
    • verzekeren goede waterkwaliteit (dient gezien het waterleverend gebied in grensoverschrijdend perspectief te gebeuren)
    • opheffen migratiebarrières

    Buiten de waterloop zelf wordt een kwaliteitsverbetering (en herstel) van aangrenzende laagveenplassen en wetlands beoogd.

    Doel = +
    Grote zilverreiger Omschrijving

    De soort overwintert in het gebied in lage, maar stabiele aantallen. Behoud van doortrekkende en overwinterende aantallen.

    Behoud van het belang van het gebied voor doortrekkende en overwinterende watervogels (niet-broedvogels).De geprefereerde foerageergebieden zijn rietmoerassen en oeverzones langsheen grote, ondiepe plassen en vijvers, maar ook vochtige en ondergelopen graslanden, met enkele bomen of struiken.
    Een voldoende tot goede lokale SVI wordt beoogd door:

    • voldoende kwalitatief foerageergebied waaronder moerasgebieden
    • afwisselend delen met en zonder (hoge) watervegetatie
    • uitgebreide ondiepe zones
    • voldoende rust in het foerageergebied en de rustplaatsen

    De soort lift mee met de kwaliteitsverbetering die voor het moeraslandschap en andere habitattypische soorten ervan wordt nagestreefd.

    Doel + +
    IJsvogel Omschrijving

    Uitgaande van de beoogde kwaliteitsverbetering van verschillende zoetwaterhabitats lijkt een lichte toename van de broedpopulatie met 2-3 bp zelfs mogelijk: uitbreiding van de broedpopulatie tot 9-13 bp. De broedaantallen zijn sterk onderhevig aan het weer (regen, gemiddelde temperatuur). De populatie is bovendien zeer wintergevoelig.

    IJsvogel is gebonden aan zuiver, visrijk (ijsvrij), stilstaand tot traag stromend water. De soort broedt in steile zandige oeverwanden langs beken, plassen en kleiputten. Een voldoende tot goede lokale SVI wordt beoogd door:

    • voldoende kwalitatief leefgebied en het oplossen van ongunstige waterkwaliteit in de leefgebieden
    • behoud van potentiële nestlocaties (steile, natuurlijke rivier- en beekoevers en wortelkluiten van omgevallen bomen in de nabijheid van waterlopen.

    De soort lift mee met de kwaliteitsverbetering die voor het moeraslandschap en andere habitattypische soorten ervan wordt nagestreefd.

    Doel + +
    Kamsalamander Omschrijving

    Toename van de huidige populaties, door verbetering van de kwaliteit van het leefgebied via bijkomende aanleg van een functioneel netwerk van poelen (zowel in SBZ-V als SBZ-H). Per populatie wordt gestreefd naar 20-50 adulte dieren die zich in één (>250 m2) of meerdere (3-5, < 100m2) permanente plassen voortplanten. De plassen liggen in een matrix van geschikt leefgebied (kleinschalig landschap met ruigtevegetaties, houtwallen, e.d.).

    De voortplantingsplaatsen zijn poelen, vijvers, kleigroeven, relatief voedselrijke vennen en andere plassen met een neutrale pH. Het leefgebied wordt gekenmerkt door een hoge diversiteit aan biotopen.
    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door verbeteren van de habitatkwaliteit van de huidige leefomgeving:

    • voldoende waterpartijen
    • verzekeren neutrale pH
    • tegengaan beschaduwing
    • weinig tot geen predatie door vissen
    • 10-50% ondergedoken of drijvende waterplanten
    • nabijheid van geschikt landbiotoop

    Doel + +
    Kleine modderkruiper Omschrijving

    Kleine modderkruiper werd vastgesteld in Wamp (16) en Rode Loop (1). Behoud en verbetering (waar mogelijk uitbreiding) van de huidige populatie op het beektraject van de Rode Loop in de SBZ (1). Beoogde populatiegrootte i.f.v. een gunstige lokale SVI: ≥ 2.000 individuen/ha. In de Wamp (16) zal de soort ten dele meeliften met de inspanningen ten aanzien van grote modderkruiper.

    Er wordt een goede tot voldoende lokale SVI beoogd door:

    • aangepast beek- en oeverbeheer
    • verzekeren goede waterkwaliteit
    • opheffen migratiebarrières
    • nastreven hoge natuurlijkheid waterloop
    • actief beekherstel (hermeandering, inbrengen stroomdeflectoren, e.d.)
    • voldoende sedimentvariatie (zowel modder, als zandig/stenig substraat aanwezig)

    Doel = +
    Porseleinhoen Omschrijving

    De soort is een actuele broedvogel in het gebied (meerdere koppels, met invasie-achtig voorkomen). Behoud van de soort als broedvogel. Voor porseleinhoen wordt een broedpopulatie van 5 tot 7 bp beoogd. Een broedpopulatie van 5 tot 7 bp vereist 75 tot 210 ha geschikt leefgebied. Dit komt neer op een toename van het leefgebied met 30 ha.

    Porseleinhoen komt in Vlaanderen vooral voor in moerassen, turfputten, natte graslanden en verlandende waterplassen. Globaal wordt een gunstige kwaliteit van het leefgebied van de soort beoogd door:

    • het instellen van een op de soort gericht beheer waarbij een voldoende hoge, permanente waterstand van ca. 20 cm boven maaiveld wordt nagestreefd met overgangszones naar natte graslanden;
    • een op de soort afgestemd maairegime;
    • het actief tegengaan van verbossing.

    Bijkomend wordt voldoende rust als kwaliteitseis meegegeven.
    Naast extra leefgebied moeten de doelen voor moerashabitats en de beoogde kwaliteitsverbetering ervan leiden tot 3 moerascomplexen met voldoende geschikt leefgebied (30-50 ha) voor Porseleinhoen en behoud van de broedpopulatie.

    Doel + +
    Roerdomp Omschrijving

    Roerdomp is een onregelmatige broedvogel in het gebied en is actueel gekend als overwinteraar in lage, stabiele aantallen. Niet-broedvogels: behoud van de overwinterende aantallen. Broedvogels: herstel van de broedpopulatie. Er wordt een broedpopulatie van 2 bp beoogd. Dit vereist een oppervlakte geschikt leefgebied van 60 – 100 ha waarvan 27 tot 35 ha extra leefgebied vooral via omvorming.

    Roerdomp vereist uitgestrekte, voldoende natte rietmoerassen met zuiver water en stabiele waterstand. In de winter houdt de soort zich ook op in grote zeggenvegetaties en natte ruigten. Globaal wordt een gunstige kwaliteit van het leefgebied van de soort nagestreefd door:

    • een gericht beheer in functie van het behoud van waterrietvegetaties in vroegere, actuele en potentiële broedgebieden;
    • het tegengaan van verruiging van rietvelden;
    • een aan de soort aangepast peilbeheer (waterpeil van 10-30 cm);
    • voldoende beschikbaarheid aan open water;
    • een voldoende groot voedselaanbod (vis en amfibieën);
    • voldoende rust.

    Naast extra leefgebied moeten de doelen voor moerashabitats en de beoogde kwaliteitsverbetering ervan leiden tot 3 moerascomplexen met voldoende geschikt leefgebied (30-50 ha) voor roerdomp en herstel van de broedpopulatie.

    Doel = +
    Zwartkopmeeuw Omschrijving

    Jaarlijkse broedvogel in de SBZ. Behoud van de soort als broedvogel.

    Voldoende kwalitatief broedbiotoop. De soort komt in het binnenland voor in moerassen, natte ruigtes en vijvers.

    Droge bossen - BE2100024

    Bos komt verspreid over de deelgebieden voor. Naaldbos en gemengd bos domineren. Het aandeel habitatwaardig bos is gering. Deze SBZ is zeer belangrijk voor de zuurminnende eikenberkenbossen. Het belangrijkste knelpunt voor de bossen is in veel gevallen de jonge leeftijd en het te hoog aandeel naaldhout. Binnen deze SBZ ligt de nadruk niet zozeer op bosuitbreiding, maar op een sterke kwaliteitsverbetering van de loofbossen. Dit moet leiden tot enkele grotere loofboskernen die goed gebufferd zijn en duurzame populaties van typische bossoorten kunnen bewerkstelligen. Daarnaast is er ook aandacht voor realisatie van open plekken en geleidelijke overgangen naar open vegetaties voor soorten als nachtzwaluw en boomleeuwerik.

    Naast een uitbreiding (louter door omvorming) van de (droge) loofbossen met 303 ha, is het globaal doel het behoud van de actuele oppervlakte aan habitat:

    • 9120: 4 ha
    • 9160: 3 ha
    • 9190: 21 ha

    Habitats - Droge Bossen - BE21000024

    Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
    Doel + +
    9120 - Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei (Quercion robori-petraeae of Ilici-Fagenion) Omschrijving

    Naast behoud van de actuele habitatwaardige oppervlakte van 4 ha (in een ruimere boskern) een uitbreiding (louter door omvorming) met 13 ha (al dan niet in complex met 9190). Door voortschrijdende successie van eikenberkenbossen is natuurlijke toename van dit bostype in de SBZ te verwachten.

    Globaal wordt een kwaliteitsverbetering van de habitatwaardige oppervlakte beoogd door:

    • verminderen atmosferische depositie
    • exotenbeheer
    • maximaal behoud dikke bomen en dood hout
    • mantel- en zoombeheer
    • open plekken-beheer
    • habitatvlekken inbreiden door omvorming of successie tot grotere oppervlaktes
    • goede verticale en horizontale structuur

    Doel = +
    9160 - Sub-Atlantische en Midden-Europese wintereikenbossen of eiken-haagbeukbossen behorend tot het Carpinion-betuli Omschrijving

    Behoud van de habitatwaardige oppervlakte van 3 ha in een boskern van 15-150 ha.

    Globaal wordt een kwaliteitsverbetering van de habitatwaardige oppervlakte beoogd door:

    • verminderen atmosferische depositie
    • tegengaan eutrofiëring (instroom, inspoelen)
    • mantel- en zoombeheer
    • open plekken-beheer
    • exotenbeheer
    • maximaal behoud dikke bomen en dood hout
    • habitatvlekken inbreiden door omvorming of successie tot grotere oppervlaktes
    • goede verticale en horizontale structuur

    De kwaliteitsverbetering van de habitatvlek dient gepaard te gaan met een kwaliteitsverbetering van het eikenberkenbos waar deze is ingebed op basis van een bosbeheer conform de geldende duurzaamheidscriteria.

    Doel = +
    9190 - Oude zuurminnende eikenbossen met Quercus robur op zandvlakten Omschrijving

    Naast behoud van de actuele oppervlakte 9190 aan 21 ha (in een ruimere boskern) uitbreiding (louter door omvorming) van eikenberkenbossen met 290 ha. Deze omvorming (al dan niet in complex met 9120) kan gerealiseerd worden in de deelgebieden 1 (110 ha) en 5, 7, 8, 9, 13, 18 (samen 180 ha). Door het ouder worden van de eikenberkenbossen die actueel een onvoldoende leeftijd vertonen om aan de strikte definitie van dit habitattype te voldoen, zal de oppervlakte van dit habitattype stijgen.

    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI en een kwaliteitsverbetering van de eikenberkenbossen beoogd door:

    • verminderen van de atmosferische depositie
    • verminderen luchtvervuiling
    • tegengaan eutrofiëring (bemestingsinvloeden)
    • herstel lokale hydrologie (voor de vochtige variant)
    • grote structuurvariatie (verticaal/horizontaal)
    • habitatvlekken inbreiden door omvorming of successie tot grotere oppervlaktes
    • exotenbeheer
    • mantel- en zoombeheer
    • open plekken-beheer
    • maximaal behoud dikke bomen en dood hout

    Soorten - Droge Bossen - BE21000024

    Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
    Doel + +
    Boomleeuwerik Omschrijving

    Uitbreiding van de broedpopulatie in de SBZ i.f.v. een voldoende tot goede lokale SVI (50-60 bp).

    De soort komt ook tot broeden in kapvlaktes, aanplantingen, open naald- of gemengd parkachtig bos op zandige bodem, afgewisseld met korte vegetaties.
    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI van het leefgebied beoogd door open tot halfopen bosstructuur met heideondergroei en/open plekken met:

    • permanente beschikbaarheid van brede zandvlakten en -paden (≥ 50 m)
    • mantel-zoomvegetaties zodat er een zachtere overgang is van bos naar open vegetaties
    • voldoende structuurvariatie
    • open plekken-beheer in de bestanden
    • bijkomende beschikbaarheid van tijdelijk open plekken (kapvlaktes)
    • recreatieve zonering

    Doel geen doelstelling +
    Brandts vleermuis/Gewone baardvleermuis, Gewone/Grijze grootoorvleermuis Omschrijving

    Ten aanzien van het voorkomen van de aangemelde soorten vleermuizen (zie Ruige/Gewone/Kleine dwergvleermuis, Rosse vleermuis, Franjestaart, Laatvlieger) is er een kennislacune (populatiegrootte, e.d.). Eenzelfde kennislacune is er ten aanzien van vastgestelde, maar voor deze SBZ niet aangemelde Myotis- en Plecotus-soorten (zonder uitzondering allemaal Bijlage II en/of IV-soorten).

    De Myotis- en Plecotus-soorten kunnen mee profiteren van de doelen die voor de andere (aangemelde) vleermuissoorten zijn gesteld.

    Doel = +
    Franjestaart, Laatvlieger, Rosse vleermuis, Ruige/Gewone/Kleine dwergvleermuis Omschrijving

    Behoud van de huidige populaties.

    Een goede tot voldoende LSVI wordt beoogd door:

    • beheer van bossen met bijzondere aandacht voor oude bomen, open plekken en geleidelijke bosranden:
      • minimaal 10 % open plekken in de bossen met een natuurgericht beheer
      • minimaal 5 % open plekken in de private bossen (cf. Criteria Duurzaam Bosbeheer)
    • voldoende kwalitatieve loofbossen en parkgebieden in de omgeving van de foerageergebieden
    • toename van het aantal (oude) bomen met spleten, holten, scheuren
    • behoud, herstel en ontwikkeling van lijnvormige landschapselementen (zowel groene als blauwe) op de aanvliegroutes tussen foerageergebied en zomerverblijf enerzijds en foerageergebied en winterverblijf anderzijds.
    • vermijden van lichtpollutie op vliegroutes en jacht-, zwerm-, paar- en overwinteringsplaatsen

    Doel = +
    Middelste bonte specht Omschrijving

    De soort komt na recente kolonisatie met 1 bp tot broeden in de SBZ. Minimaal behoud van de huidige broedpopulatie.

    De soort is gebonden aan oude, structuurrijke, vochtige loofbossen. Met veel dood hout en loofhout met een ruwe stam, waarin zich grote insecten kunnen ophouden. Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI van het leefgebied beoogd door:

    • grote structuurvariatie
    • herstel lokale hydrologie
    • groot aanbod staand dood hout en of dikke zijtakken, ruwe stammen
    • lange bosbezetting (dikke bomen)
    • voldoende grote habitatvlekken

    Doel + +
    Nachtzwaluw Omschrijving

    Uitbreiding van de broedpopulatie in de SBZ naar een kernpopulatie van ≥ 30 bp. Stijging van de populatiegrootte in de SBZ met minstens 10 bp i.f.v. een goede lokale SVI.

    Hoewel de soort kenmerkend is voor het heidelandschap, kan deze (broedend) voorkomen in open plekken of bosranden in naaldbossen op zandige bodem. Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

    • permanente beschikbaarheid van brede zandvlakten en -paden
    • mantel-zoomvegetaties zodat er een zachtere overgang is van bos naar open vegetaties
    • open tot halfopen bosstructuur met heideondergroei en/of open plekken
    • open plekken-beheer in de bestanden
    • bijkomende beschikbaarheid van tijdelijk open plekken (kapvlaktes)

    Doel = +
    Wespendief Omschrijving

    Minimaal behoud van de huidige broedpopulatie (ca. 3 bp).

    Wespendief verkiest grote, oude(re) loofbossen met open stukken. Lokaal kan de soort broedend voorkomen in naaldbossen met heideondergroei. Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI van het leefgebied beoogd door:

    • laten verouderen van de bestaande loofbossen
    • omvormen van een deel van de naaldhoutbestanden naar zuurminnend eikenberkenbos (9190)
    • lokaal nastreven ijl naaldbos met heideondergroei (heidebos)
    • recreatieve zonering

    Doel + +
    Zwarte specht Omschrijving

    Uitbreiding van de broedpopulatie in de SBZ tot ≥ 30 bp (i.f.v. een goede lokale SVI).

    De soort verkiest oude, aaneengesloten bossen (naald, gemengd, loof) met een hoog aandeel beuk, afgewisseld met open ruimten.

  • In het heidelandschap behaalt de soort vooral in zeer ijle naaldbossen met heidesoorten in de ondergroei (‘boomheide’) hoge broeddichtheden.
  • Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd van het leefgebied o.a. door:

    • laten verouderen van de bestaande loofbossen
    • behoud van een deel van de naaldhoutbestanden
    • behoud van voldoende dik, staand dood (naald)hout
    • recreatieve zonering
    • behoud en ontwikkeling open plekken (kaalkap, brandwegen, zomen) en nastreven ijle structuur in de ‘droge bossen’

  • Droge bossen - SBZ-V BE2101538

    Met uitzondering van landbouw (2.723 ha) is bos (1.447 ha) qua oppervlakte de belangrijkste landschapsdrager in het vogelrichtlijngebied. De bossen zijn er tevens de belangrijkste natuurkernen. De aanwezige bossen zijn belangrijk als habitat voor middelste bonte specht, zwarte specht en wespendief. Indien er voldoende open, zandige heideplekken aanwezig zijn, is dit landschapstype ook belangrijk als habitat voor Vogelrichtlijnsoorten boomleeuwerik en nachtzwaluw.

    Voor de deze SBZ-V zijn naast de groengebieden volgens gewestplan de vennen, heiden, loofbossen en KLE’s specifiek beschermde habitats. Binnen deze SBZ-V ligt de nadruk op een sterke kwaliteitsverbetering van de aanwezige bossen door omvorming naar eikenberkenbos (doelhabitat 9190) en gelijksporende habitattypes. Open, structuurrijke eikenberkenbossen met open plekken (die onderling verbonden zijn), schrale bermen (met overgangen van 6230_hn en 6230_hmo) en mantelzoomvegetaties (van 10 tot 25 meter breed) vormen bijkomend leefgebied voor soorten die normaliter geassocieerd worden met heidehabitats. Zo zal door de voorziene maatregelen in het UBHP Ravels het doelhabitat 9120/9160-complex aan belang winnen en zo het leefgebied van middelste bonte specht, zwarte specht, wespendief en aan bos gebonden vleermuissoorten kwalitatief doen toenemen. Eenzelfde analyse kan gemaakt worden voor de gemeentebossen van Ravels. Binnen deze boskern komen landduinen onder bos en heide- en venrelicten voor. Vogelrichtlijnsoorten boomleeuwerik, nachtzwaluw en andere habitattypische soorten zullen, indien er voldoende open zandige heideplekken aanwezig zijn, positief reageren op een omvorming naar zuurminnend eikenbos.

    Een aantal bosgebieden in SBZ-V zijn van belang als inzijggebied. Zo is het domeinbos Ravels een belangrijk infiltratiegebied voor het opwellend grondwater in het Kijkverdriet (7). De hoge botanische rijkdom in het Moer (2) is afkomstig van een regionaal grondwatersysteem, waarin de gemeentebossen ten noorden van het MD Weelde een belangrijk infiltratiegebied vormen. De natte graslanden in de percelen tot landinrichting in Eindegoor-Bloksgoor (rvk Weelde) worden vanuit hetzelfde complex gevoed door ondiepe infiltratie. In deze bosgebieden dienen waterconserverende maatregelen getroffen.

    Soorten - Droge Bossen – SBZ-V BE2101538

    Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
    Doel + +
    Boomleeuwerik Omschrijving

    Boomleeuwerik komt in het vogelrichtlijngebied tot broeden in de omgeving van het kasteeldomein Schrieken, gemeentebos Wegmeerheide en de maatregelen tot landinrichting in de rvk Weelde. Uitbreiding van de broedpopulatie in de SBZ i.f.v. een voldoende tot goede lokale SVI (50-60 bp).

    De soort komt als typische heidevogel ook tot broeden in kapvlaktes, aanplantingen, open naald- of gemengd parkachtig bos op zandige bodem, afgewisseld met korte vegetaties.
    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI van het leefgebied beoogd door:

    • open tot halfopen bosstructuur met heideondergroei en/open plekken met:
      • permanente beschikbaarheid van brede zandvlakten en -paden (≥ 50 m)
      • mantel-zoomvegetaties zodat er een zachtere overgang is van bos naar open vegetaties
      • voldoende structuurvariatie
      • open plekken-beheer in de bestanden
      • bijkomende beschikbaarheid van tijdelijk open plekken (kapvlaktes)
    • recreatieve zonering

    Doel = +
    Middelste bonte specht Omschrijving

    Middelste bonte specht komt na recente kolonisatie met 1 bp voor in de SBZ. Minimaal behoud van de huidige populatie.

    De soort is gebonden aan oude, structuurrijke, vochtige loofbossen. Met veel dood hout en loofhout met een ruwe stam, waarin zich grote insecten kunnen ophouden.
    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI van het leefgebied beoogd door:

    • grote structuurvariatie
    • herstel lokale hydrologie
    • groot aanbod staand dood hout en of dikke zijtakken, ruwe stammen
    • lange bosbezetting (dikke bomen)
    • voldoende grote habitatvlekken

    Doel + +
    Nachtzwaluw Omschrijving

    Uitbreiding van de broedpopulatie in de SBZ naar een kernpopulatie van ≥ 30 bp. Stijging van de populatiegrootte in de SBZ met minstens 10 bp i.f.v. een goede lokale SVI.

    Hoewel de soort kenmerkend is voor het heidelandschap, kan deze (broedend) voorkomen in naaldbossen op zandige bodem.
    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

    • permanente beschikbaarheid van brede zandvlakten en -paden
    • mantel-zoomvegetaties zodat er een zachtere overgang is van bos naar open vegetaties
    • open tot halfopen bosstructuur met heideondergroei en/of open plekken
    • open plekken-beheer in de bestanden
    • bijkomende beschikbaarheid van tijdelijk open plekken (kapvlaktes)

    De doelstellingen overlappen met de doelstellingen voor Boomleeuwerik.

    Doel + +
    Wespendief Omschrijving

    De soort komt enkel broedend voor in delen van het vogelrichtlijngebied die overlappen met habitatrichtlijngebied. Daarbuiten zijn heden geen broedgevallen bekend. Minimaal behoud van de huidige broedpopulatie (ca. 3 bp).

    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

    • bossen met voldoende variatie aan (loofboom)soorten, voldoende oude bomen, dreven en open plekken
    • het beheer van de bossen moet voldoen aan de criteria duurzaam bosbeheer

    Deze doelstellingen overlappen met de doelstellingen voor zwarte specht.

    Doel + +
    Zwarte specht Omschrijving

    Zwarte specht komt in de SBZ-V voor met 4-5 bp (gemeentebos Wegmeerheide, Overbroek, domeinbos Ravels Noord en Zuid). Uitbreiding van de broedpopulatie in de SBZ tot ≥ 30 bp (i.f.v. een goede lokale SVI).

    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

    • bossen met voldoende variatie aan (loofboom)soorten, voldoende oude bomen, dreven en open plekken
    • het beheer van de bossen moet voldoen aan de criteria duurzaam bosbeheer

    Deze doelstellingen overlappen met de doelstellingen voor Wespendief.

    Mozaïekrijk weidevogelgebied met KLE's en natte graslanden - SBZ-V BE2101538

    Grote delen van het vogelrichtlijngebied zijn in landbouwgebruik. Kleinschalige agrarische landschappen die aansluiten op heidegebieden vormen belangrijke foerageergebieden voor de kenmerkende heidevogels als blauwe kiekendief en korhoen. De tussenliggende graslandpercelen variëren sterk in trofie- en vochtigheidsgraad (van droog over vochtig tot zeer nat). In de graslandpercelen zijn er poelen, tijdelijke natte depressies en permanente wateren. Daarnaast verschillen ze van begraasd tot verruigd. Er is een rijk en gevarieerd prooiaanbod aan ongewervelden, visjes, amfibieën, kleine zoogdieren en zangvogels.

    Naast soorten die in nat grasland broeden, vinden soorten die in natte graslanden foerageren zoals kemphaan, regenwulp, zwartkopmeeuw, grote zilverreiger, roerdomp, bruine kiekendief en doortrekkende en overwinterende eendensoorten zoals bergeend, krakeend, kuifeend, pijlstaart, slobeend, smient, tafeleend en wintertaling er ook een plaats. Om de verschillende ruimte-eisende soorten voldoende foerageermogelijkheden te bieden zijn één of meerdere graslandcomplexen met een gezamenlijke oppervlakte van 200 ha nodig, waarvan minstens 100 ha nat tot zeer nat is. Globaal hebben deze graslandcomplexen een open tot halfopen karakter.

    Lokaal is er een dicht netwerk van KLE’s en structuurrijke overgangen naar aansluitende natuurcomplexen. Het netwerk van KLE’s vormt ook leefgebied voor vleermuizen spec. en kamsalamander. Binnen het mozaïekrijk weidevogelgebied liften ook verschillende rbb’s mee.

    Soorten - Mozaïekrijk weidevogelgebied met KLE’s en natte graslanden, - SBZ-V BE2101538

    Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
    Doel = +
    Bergeend, Krakeend, kuifeend, Pijlstaart, Slobeend, Smient, Tafeleend, Wintertaling Omschrijving

    Behoud van doortrekkende en overwinterende aantallen.

    Behoud van het belang van het gebied voor doortrekkende en overwinterende watervogels (niet-broedvogels). Voldoende kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied. Voor soorten als Bergeend, Krakeend, Slobeend en Wintertaling dienen voldoende overstroomde graslanden, ondergelopen akkers, weideplassen en open waters (klein tot groot, diep tot ondiep) beschikbaar te zijn. Kuifeend en tafeleend zullen eveneens gebruik maken van deze open waters mits voldoende diep. Smient en Pijlstaart verkiezen zeer open gebieden met veel open water. Smienten zijn uitgesproken grazers met een voorkeur voor vochtige, voedselrijke weilanden. De soorten liften mee met de kwaliteitsverbetering die voor de ecotoopcluster ‘weidevogelgebied’ en andere habitattypische soorten ervan wordt nagestreefd. Bijkomend wordt voor al de soorten voldoende rust als kwaliteitseis meegegeven.

    Doel = +
    Blauwe kiekendief Omschrijving

    De soort overwintert in lage aantallen. Behoud van doortrekkende en overwinterende aantallen.

    Behoud van het belang van het gebied voor doortrekkende en overwinterende watervogels (niet-broedvogels).
    De potenties voor blauwe kiekendief kunnen toenemen bij een toename van het voedselaanbod in de SBZ. Een groot aanbod aan Veldmuizen en zangvogels moet tijdens de winter beschikbaar zijn, wat inhoudt dat voldoende geschikt habitat (niet te dichte ruigtes, extensief grasland, ruige akkerranden en stoppelvelden) moet voorzien zijn in agrarisch gebied.

    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door:

    • verbetering van het voedselaanbod door voldoende areaal extensief grasland en behoud en herstel van structuurrijke overgangen van de heide naar extensieve landbouwgronden
    • kwaliteit van de slaapplaats (in open ruigtes of akkergewassen) behouden door het garanderen van een groot onverstoord rustgebied
    • het vrijwaren van grote aaneengesloten rustgebieden
    • tegengaan van verdere versnippering van open ruimtegebieden in de SBZ
    • behoud van de openheid van overwinteringsgebieden.

    Doel + +
    Boomleeuwerik Omschrijving

    Uitbreiding van de broedpopulatie in de SBZ i.f.v. een voldoende tot goede lokale SVI (50-60 bp).

    De soort komt in de SBZ (buiten het ‘heidelandschap’ en ‘droge bossen’) ook tot broeden in het half-open cultuurland in kleine opgaande begroeiingen of boomgroepen op kale of schaars begroeide zandige bodems. Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI van het leefgebied beoogd door:

    • voldoende beschikbaarheid van kale, zandige of schaars begroeide bodems met verspreide, opgaande begroeiing of boomgroepen
    • permanente beschikbaarheid van brede zandige stroken en -paden (≥ 50 m)
    • mantel-zoomvegetaties zodat er een zachtere overgang is van open vegetaties naar bos
    • voldoende structuurvariatie
    • recreatieve zonering

    Doel = +
    Brandts vleermuis/Gewone baardvleermuis, Gewone/Grijze grootoorvleermuis, Meervleermuis, Watervleermuis Omschrijving

    Behoud van de actuele populaties.

    De Myotis- en Plecotus-soorten kunnen mee profiteren van de doelen die voor de andere vleermuissoorten zijn gesteld aangaande KLE’s.

    Doel = +
    Bruine kiekendief Omschrijving

    De soort overwintert in lage aantallen. Onregelmatige broedvogel. Behoud van doortrekkende en overwinterende aantallen.

    Behoud van het belang van het gebied voor zowel broedvogels als doortrekkers en overwinteraars.De soort verkiest in agrarische gebieden vochtige weilanden en akkerland (bij voorkeur korenvelden) om te foerageren op vogels en kleine zoogdieren. Bijkomend wordt voldoende rust als kwaliteitseis meegegeven.

    Doel = +
    Franjestaart, Ruige/Gewone/Kleine dwergvleermuis Omschrijving

    Behoud van de actuele populaties.

    Een goede tot voldoende LSVI wordt beoogd door:

    • behoud, herstel en ontwikkeling van lijnvormige landschapselementen (zowel groene als blauwe) op de aanvliegroutes tussen foerageergebied en zomerverblijf enerzijds en foerageergebied en winterverblijf anderzijds.
    • vermijden van lichtpollutie op vliegroutes en jacht-, zwerm-, paar- en overwinteringsplaatsen

    Doel = +
    Grote zilverreiger Omschrijving

    Jaarlijkse doortrekker/overwinteraar in lage, maar stabiele aantallen. Behoud van doortrekkende en overwinterende aantallen.

    Behoud van het belang van het gebied voor doortrekkende en overwinterende watervogels (niet-broedvogels). De geprefereerde foerageergebieden zijn rietmoerassen en oeverzones langsheen grote, ondiepe plassen en vijvers, maar ook vochtige en ondergelopen graslanden, met enkele bomen of struiken. Voldoende kwalitatief foerageergebied

  • afwisselend delen met en zonder (hoge) watervegetatie
  • uitgebreide ondiepe zones
  • voldoende rust in het foerageergebied en de rustplaatsen
  • Doel + +
    Kamsalamander Omschrijving

    Kamsalamander komt in het vogelrichtlijngebied voor in het gemeentebos Baetenheide en in voedselrijke(re) plassen in het domeinbos Ravels en de periferie ervan (Kijkverdriet, in SBZ-H). Toename van de huidige populaties, door kwaliteitsverbetering van het leefgebied via bijkomende aanleg van een functioneel netwerk van poelen (zowel in SBZ-V als SBZ-H). Per populatie wordt gestreefd naar 20-50 adulte dieren die zich in één (> 250 m2) of meerdere (3-5, < 100 m2) permanente plassen voortplanten. De plassen liggen in een matrix van geschikt leefgebied (kleinschalig landschap met ruigtevegetaties, houtwallen, e.d.).

    De voortplantingsplaatsen zijn poelen, vijvers, kleigroeven, relatief voedselrijke vennen en andere plassen met een neutrale pH. Het leefgebied wordt gekenmerkt door een hoge diversiteit aan biotopen. In het vogelrichtlijngebied is de soort aanwezig in poelen.
    Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door verbeteren van de habitatkwaliteit van de huidige leefomgeving

    • voldoende waterpartijen
    • behoud neutrale pH
    • tegengaan eutrofiëring
    • tegengaan beschaduwing
    • weinig tot geen predatie door vissen
    • 10-50% (onder)watervegetaties
    • nabijheid van geschikt landbiotoop

    Doel =/+ +
    Kemphaan Omschrijving

    Onregelmatige broedvogel. Hervestiging als broedvogel (aangemeld) lijkt veraf (dalende Europese broedpopulatie). Hypothetisch kunnen broedgevallen bij voorbaat niet worden uitgesloten, maar hiervoor wordt er nu géén specifieke doelstelling vastgelegd. De soort is actueel een jaarlijkse doortrekker in de SBZ, in sterke variërende aantallen. Behoud van het belang van het gebied voor doortrek en behoud van stabiele aantallen doortrekkers

    Behoud van het belang van het gebied voor doortrekkende en overwinterende watervogels (niet-broedvogels). Kemphaan verkiest in de winter en op doortrek drassige en overstroomde weilanden om te foerageren. Het voedsel bestaat uit insecten en hun larven. Ook akkers worden hierbij gefrequenteerd.

  • Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied:

    • voor doortrekkers en overwinteraars dienen voldoende ondiepe overstroomde graslanden (foerageergebied) en voldoende, grote ondiepe weideplassen (gemeenschappelijke slaapplaats) beschikbaar te zijn
    • het garanderen van de nodige rust op de slaapplaatsen
    • verhoging van waterpeilen in graslandgebieden.

  • Doel geen doelstelling +
    Korhoen Omschrijving

    Historische broedvogel. De soort kwam in 1993 voor het laatst tot broeden in de SBZ-V. Midden jaren ’80 van vorige eeuw was de soort uit vrijwel alle andere historische broedgebieden in de regio verdwenen. Gezien de algemene terugval van het korhoen in vrijwel geheel West-Europa en de lage mobiliteit van deze soort is een terugkeer van het korhoen als broedvogel onwaarschijnlijk (maar kan, gezien herintroductie in nabije Nederlandse gebieden, niet worden uitgesloten).

    Herstel van de wisselwerking tussen relatief extentief beheerd kleinschalig landbouwgebied en voor een leefbare populatie voldoende aangrenzende heidegebieden. Korhoen houdt zich in de winter vooral op in de overgangszone van heide en open bosgebieden met kleinschalig cultuurland. Het kleinschalig cultuurland wordt gekenmerkt door:

    • extensieve hooilanden
    • ruige graslanden
    • natte, weinig bewerkte graslandpercelen
    • braakliggende graanakkers (geen maïs)
    • verspreide boomopslag

    Doel = +
    Regenwulp Omschrijving

    De soort is een jaarlijkse doortrekker in significante aantallen in de SBZ. De aantallen doortrekkende en foeragerende regenwulpen zijn groter dan in de westelijke Kempen (Wuustwezel en omgeving). Behoud van de doortrekkende aantallen.

    Behoud van het belang van het gebied voor doortrekkende en overwinterende watervogels (niet-broedvogels). Herstel en verbetering van de huidige kwaliteit van het foerageer- en leefgebied om het voorkomen van regenwulp als pleisteraar te versterken. Dit omvat extensieve graslanden, die tot einde april plas-dras staan. De slaapplaatsen van de soorten omvatten heidevennen enerzijds, weideplassen en overstroomde depressies in graslandcomplexen anderzijds. Er dient in het voorjaar voldoende kwalitatief foerageergebied beschikbaar te zijn voor gemiddeld 1.000-1.500 doortrekkers. Hiervoor dient 200 ha nat (tot zeer nat) grasland hersteld te worden. Bijkomend wordt voldoende rust als kwaliteitseis meegegeven.

    Doel = +
    Roerdomp Omschrijving

    Overwinteraar in lage, maar stabiele aantallen. Onregelmatige broedvogel. Behoud van de doortrekkende en overwinterende aantallen.

    Behoud van het belang van het gebied voor zowel doortrekkers en overwinteraars als broedvogels. Het voedsel bestaat uit visjes, amfibieën en ongewervelden. Roerdomp komt in de winter ook voor in natte ruigtes.

  • Voldoende kwalitatief leefgebied:

    • voldoende beschikbaarheid aan open water;
    • een aan de soort aangepast peilbeheer (waterpeil van 10-30 cm);
    • overgangszones riet-water en riet-grasland
    • beschut grasland
    • permanente inundatiezones
    • helder water (voldoende waterkwaliteit) met een voldoende groot voedselaanbod (vis en amfibieën).
    • voldoende rust

  • Doel = +
    Zwartkopmeeuw Omschrijving

    Jaarlijkse broedvogel in de SBZ. Behoud van de huidige broedpopulatie.

    Voldoende kwalitatief broedbiotoop: moerassen en vijvers. Voldoende kwalitatief foerageergebied. Voor de huidige kernpopulatie van zwartkopmeeuw langsheen de Beneden-Schelde wordt in de Kempen (de geografische omschrijving is ruimer dan de Noorderkempen waar deze SBZ is gelegen) gemikt op ≥ 200ha grasland met veel voedsel.

    2.2 Prioritaire inspanningen

    In samenhang met de hoger beschreven doelstellingen is in het S-IHD-besluit door de Vlaamse Regering een aantal prioritaire inspanningen vastgesteld. Dit is een globale omschrijving van de acties die noodzakelijk zijn voor de realisatie van deze doelstellingen. Voor de uitvoering van de prioritaire inspanningen zijn vaak meerdere acties nodig. Hoofdstuk 4 van dit voortgangsdocument (Inspanningsmatrix) geeft de concrete acties weer die uitvoering geven aan deze prioritaire inspanningen.

    3 Oppervlaktebalans

    Dit hoofdstuk geeft de stand van zaken weer van de realisatie van de taakstelling, met name van de oppervlaktedoelen, op basis van het passend beheer. Het passend beheer is wettelijk gedefinieerd in het Instandhoudingsbesluit van 20 juni 2014. Het is de oppervlakte waarvoor in een natuurbeheerplan of daarmee vergelijkbaar plannen of overeenkomsten, een of meer Europees te beschermen habitattype(s) of een leefgebied van een of meer Europees te beschermen soort(en) als natuurstreefbeeld is vastgesteld. 

    De oppervlaktebalans in dit voortgangsdocument is enkel opgemaakt voor de Europees te beschermen habitats, op basis van de inventarisatie van het terreinbeheer door het ANB, verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen (met name Natuurpunt vzw, vzw Durme en Limburgs Landschap vzw). Voor leefgebieden van Europees te beschermen soorten was dergelijke inventarisatie niet mogelijk met de bestaande gegevens, zodat een oppervlaktebalans per Europees te beschermen soort niet opgenomen is. 

    Onderstaande tabel geeft per Europees te beschermen habitat:

    • De habitat code: de code van het habitat waarvoor een doel is gesteld (zie §2.1 'Doelen', voor de benaming en beschrijving);
    • Het totaal doel: de tot doel gestelde oppervlakte per habitat;
    • Het passend beheer: de oppervlakte met passend beheer zoals vastgesteld in een goedgekeurd natuurbeheerplan of daarmee vergelijkbare plannen of overeenkomsten;
    • De openstaande taakstelling: de oppervlakte die wordt berekend als het verschil tussen het totaal doel en de oppervlakte met passend beheer.

    In de oppervlaktebalans worden alle oppervlakten weergegeven in hectare, tenzij anders aangegeven. De tabel geeft de situatie in februari 2017 weer.

    4 Inspanningsmatrix

    Dit hoofdstuk formuleert de acties die uitvoering geven aan de prioritaire inspanningen die vastgesteld werden in het S-IHD-besluit. Daarbij wordt op basis van het Vlaams Natura 2000-programma 2016-2020 aangegeven welke acties behoren tot het bindend deel van de taakstelling (zie hoofdstuk 1). De overige acties behoren tot het richtinggevend deel van de taakstelling. 

    Elke actie wordt in onderstaande tabel beschreven, met volgende rubrieken:

    • Nr. actie: het nummer van de actie is een samenstelling van het nummer van de prioritaire inspanning en het nummer van de actie zelf. 
    • Omschrijving actie: geeft beknopt aan wat er moet gebeuren, waarom, met welk resultaat en waar.
    • Prioritaire inspanning: de prioritaire inspanning waaraan deze actie invulling geeft. Vanaf prioritaire inspanning 100 worden acties weergegeven die niet onder de prioritaire inspanningen van hoofdstuk 2.2 vallen. Deze acties zijn toegevoegd aan het voortgangsdocument, aanvullend op de prioritaire inspanningen, omdat ze eveneens nodig zijn om tot de gunstige lokale staat van instandhouding te komen van de betreffende habitat(s) of soort(en).
    • Actie voor de verbetering van het natuurlijk milieu: indien in deze kolom een ‘ja’ staat, dan is deze actie ingeschreven voor de verbetering van het natuurlijk milieu als omschreven in hoofdstuk 5. 
    • Deelgebied(en): de deelgebieden waar deze actie uitgevoerd zal worden. Indien in de tabel geen nummer van een deelgebied is opgegeven, is de actie van toepassing op de volledige SBZ. 
    • Habitats/soort(en): de Europees te beschermen habitat(s) en/of soort(en) waarvoor de actie ondernomen wordt. Het gaat om habitats en soorten waarvoor doelen opgenomen zijn in het S-IHD-besluit en om (cursief aangegeven) habitattypische soorten. Habitattypische soorten zijn kenmerkend voor één of soms meerdere habitattypes. Een habitattype kan enkel in een regionaal gunstige staat van instandhouding verkeren als binnen Vlaanderen ook de habitattypische soorten gelinkt aan dit habitattype in een regionaal gunstige staat van instandhouding verkeren. Meer gedetailleerde informatie over habitattypische soorten is beschikbaar in referenties 1, 2 en 3 (zie hoofdstuk 8).
    • Trekker: de organisatie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de actie.
    • Andere betrokkenen: de organisaties of actoren die betrokken zijn bij de actie, als uitvoerder, omwille van mogelijke impact, het leveren van kennis,…
    • Timing: het moment waarop de uitvoering van de actie start. Kan pas ingevuld worden indien de status ‘gepland’ of ‘in uitvoering’ is.
    • Status: hierbij is onderscheid gemaakt tussen:
      • Op te starten: de actie is benoemd maar nog niet opgestart.
      • In onderzoek: het plan of project voor de uitvoering van de actie is in ontwikkeling. Een trekker is aangeduid en gestart met de voorbereiding van het plan of project .
      • Plan in opmaak: de opmaak van het uitvoeringsplan is gestart. 
      • Plan beschikbaar: het uitvoeringsplan is afgerond en door de betrokken partijen goedgekeurd. De uitvoering ervan moet nog opgestart worden. 
      • In uitvoering: de actie wordt momenteel uitgevoerd.
      • Uitgevoerd: de uitvoering van de actie is beëindigd.
      • Stopgezet: de uitvoering van de actie is stopgezet zonder dat ze helemaal is beëindigd; er is geen plan om ze terug op te starten.
    • Bindend: deze lijn verschijnt enkel als de actie deel uitmaakt van het bindend deel van de taakstelling (zie hoofdstuk 1). Hierbij is onderscheid gemaakt tussen:
      • Stand still: actie noodzakelijk voor de stand still of het tegengaan van achteruitgang.
      • 2020: actie noodzakelijk voor het bereiken van een gunstige of verbeterde staat van instandhouding voor 16 habitats tegen 2020.
      • Deelgebied(en): de deelgebied(en) waarvoor de actie bindend is (sommige acties zijn bindend voor een deelgebied maar richtinggevend voor een ander).
      • Habitats/soorten: de habitats en/of soorten waarvoor de actie bindend is (sommige acties zijn bindend voor een habitat en/of soort maar richtinggevend voor andere habitats en/of soorten).

    De tabel geeft de situatie weer in augustus 2017.

    5 Overzichtkaart

    De overzichtskaart biedt informatie voor en een stand van zaken over de realisatie van de doelen voor deze SBZ. De verschillende onderdelen zijn te consulteren via een geoloket.

     

     5.1 Synthesekaart

    De synthesekaart biedt een samengesteld, vereenvoudigd overzicht van de actuele Europees te beschermen habitats en de oppervlaktes Europees te beschermen habitats onder passend beheer (zie hoofdstuk 3).

    In het geoloket wordt de synthesekaart weergegeven met dit symbool 

    5.2 Situering van de actuele Europees te beschermen habitats

    De kaarten ‘Actueel habitat’ geven indicatief de ligging van de actuele Europees te beschermen habitats in deze SBZ weer, op basis van referentie 9 (zie hoofdstuk 6). De kaart ‘Actueel habitat overzicht’ geeft een overzicht alle actuele habitats. De kaarten ‘Actueel habitat per cluster’ en ‘Actueel habitat per habitat’ maken de actuele habitats respectievelijk in clusters van verwante habitats en voor elk habitat apart zichtbaar.

    In het geoloket wordt de kaart: 

    • actueel habitat overzicht weergegeven met dit symbool   
    • actueel habitat per cluster met dit symbool  
    • actueel habitat per habitat met dit symbool 

    5.3    Situering van de gebieden beheerd met het oog op de realisatie van de doelen

    De kaarten ‘Passend beheer’ (voor definitie, zie hoofdstuk 3) geven indicatief weer welke oppervlaktes Europees te beschermen habitats onder passend beheer zijn bij het ANB, verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen (zie hoofdstuk 3). De kaart ‘Passend beheer overzicht’ geeft het overzicht van alle oppervlaktes onder passend beheer voor habitats. De kaarten ‘Passend beheer per cluster’ en ‘Passend beheer per habitat’ maken de oppervlaktes onder passend beheer respectievelijk in clusters van verwante habitats en voor elk habitat apart zichtbaar.

    De huidige kaart geeft de situatie weer in februari 2017.

    In het geoloket wordt de kaart :

    • oppervlakte onder passend beheer overzicht weergegeven met dit symbool 
    • oppervlakte onder passend beheer per cluster weergegeven met dit symbool 
    • oppervlakte onder passend beheer per habitat weergegeven met dit symbool 

    5.4 Situering van de vegetaties relevant als leefgebied voor Europees te beschermen soorten

    Omdat voor de vegetaties relevant als leefgebied voor Europees te beschermen soorten geen terreininventarisatiegegevens bestaan, werd deze kaart opgemaakt door middel van een ruimtelijk model. Dit model werkt op basis van de ecologische karakteristieken van de soort, aangevuld met actuele verspreidingsgegevens en de verbreidingscapaciteit van de soort. De bekomen afbakening vormt op dit moment de best beschikbare benadering van de actuele leefgebieden van de betreffende soorten. Voor een gedetailleerde beschrijving van de methodiek wordt verwezen naar referenties 4, 5 en 6 (zie hoofdstuk 6).

    De opmaak ervan was niet voor alle Europees te beschermen soorten mogelijk omdat

    • een aantal mobiele soorten zeer ruime en weinig gedifferentieerde leefgebieden kent (bv. slechtvalk, kokmeeuw);
    • voor de leefgebiedkarakteristieken van bepaalde soorten geen (gebiedsdekkende) kaartlaag voorhanden is (bv. bittervoorn en kleine modderkruiper);
    • voor een aantal soorten de wetenschappelijke kennis en de beschikbare data ontoereikend zijn (bv. vleermuizen).

    In het geoloket worden de leefgebieden weergegeven met de symbolen symbool leefgebieden voor het overzicht,  Synthesekaart Groepen voor de groepen en symbool leefgebieden voor de soorten, en dit enkel voor soorten waarvoor de opmaak van de kaarten mogelijk was en waarvoor doelen zijn ingeschreven in het S-IHD-besluit.

    5.5 Situering van de aanwezigheid van habitattypische soorten

    Onderstaand overzicht geeft indicatief weer welke habitattypische soorten actueel voorkomen per deelgebied op basis van referenties 7 en 8 (zie hoofdstuk 6). Habitattypische soorten zijn soorten die kenmerkend zijn voor één of soms meerdere habitattypes. Voor het bereiken van de regionaal gunstige staat van instandhouding van het habitat, moeten de populaties van de habitattypische soorten, verbonden aan dat habitat, ook in een regionaal gunstige staat van instandhouding worden gebracht of gehouden. Meer gedetailleerde informatie over habitattypische soorten is beschikbaar in referenties 1, 2 en 3 (zie hoofdstuk 6).

     

    6 Referenties

    1.:  Geert De Knijf, Desiré Paelinckx (2012). Typische faunasoorten van de verschillende Natura 2000 habitattypes, in functie van de beoordeling van de staat van instandhouding op niveau Vlaanderen (ref. INBO.A.2013.139)

    2.: Adriaens, Dries; Adriaens, Tim; Ameeuw, Griet (2008). Ontwikkeling van criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de habitattypische soorten (ref. INBO.R.2008.35)

    3: Adriaens, P. & Ameeuw, G. (red) (2008). Ontwikkeling van criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de vogelrichtlijnsoorten.  D/2008/3241/287 (ref.INBO.R.2008.36)

    4.: Maes et al. (2015). Afbakenen van potentiële leefgebiedenkaarten voor Europese en Vlaamse prioritaire soorten in het kader van de voortoets. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2015. (versie 2.0). (ref. INBO.R.2015.10201559). 

    5: : Maes D., Anselin A., De Knijf G., Denys L., Devos K., Gouwy J., Leyssen A., Packet J., Pauwels I., Pollet M., Speybroeck J., Stienen E., Thomaes A., T’jollyn F., Van Den Berge K., Van Landuyt W., Van Thuyne G., Vermeersch G. & Verhaeghe F. (2017). Afbakenen van actueel relevant potentieel leefgebied voor een selectie van Europees prioritaire soorten. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2017 (30) (ref. INBO.R.12602606 . Brussel: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

    6.: Dirk Maes, Koen Devos, Anny Anselin, Eric Stienen, David Buysse, Ine Pauwels & Thierry Onkelinx (2016). Advies over de leefgebiedenkaarten van Natura 2000-soorten (ref. INBO.A.3415)

    7.: De Knijf, Geert; Vermeersch, Glenn (datum). Advies over de actuele verspreiding van de habitattypische soorten per SBZ-H deelgebied - deel fauna (ref. INBO.A.3233)

    8.: Van Landuyt, Wouter; De Knijf, Geert (2014). Advies over de verspreiding van de habitattypische soorten per SBZ-H deelgebied - deel flora (ref. INBO.A.3192)

    9. De Saeger, S., Guelinckx, R., Oosterlynck, P., De Bruyn, A., Debusschere, K., Dhaluin, P., ... Paelinckx, D. (2020). Biologische Waarderingskaart en Natura 2000 Habitatkaart, uitgave 2020. (Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek; Nr. 35). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. https://doi.org/10.21436/inbor.18840851