|
Doel |
= |
+ |
| Bergeend, Krakeend, kuifeend, Pijlstaart, Slobeend, Smient, Tafeleend, Wintertaling |
Omschrijving |
Behoud van doortrekkende en overwinterende aantallen. |
Behoud van het belang van het gebied voor doortrekkende en overwinterende watervogels (niet-broedvogels). Voldoende kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied. Genoemde eendensoorten frequenteren tijdens de winter en in de trek de grote(re) vennen. De kwaliteitseisen voor deze soorten in het ‘heidelandschap’ worden o.a. gedekt door de doelen voor de habitats 3110, 3130 en 3160. Bijkomend wordt voor al de soorten voldoende rust als kwaliteitseis meegegeven. Bergeend lift ook mee met de doelen voor 2310, 2330, 4030, 4010_7150 en 7110. |
|
Doel |
+ |
+ |
| Blauwborst |
Omschrijving |
Uitbreiding in de SBZ van de broedpopulatie tot 50-60 bp (i.f.v. een voldoende lokale SVI |
Blauwborst lift in het heidelandschap mee met de doelen voor 3110, 3130, 3160, 4010/7150 en 7140. Een goede tot voldoende lokale SVI wordt beoogd door voldoende kwalitatief leefgebied, zowel in de moerasgebieden als in de veen– en heidegebieden. |
|
Doel |
= |
+ |
| Blauwe kiekendief |
Omschrijving |
De soort overwintert jaarlijks in lage aantallen in het gebied. Behoud van doortrekkende en overwinterende aantallen. |
Behoud van het belang van het gebied voor doortrekkende en overwinterende watervogels (niet-broedvogels). Blauwe kiekendief komt voor een brede keur aan open landschappen: wei- en akkerland, kapvlaktes, aanplantingen, moerasgebieden, heidevelden en venen. Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door: - voldoende kwalitatief foerageergebied (waaronder heidevelden)
- tegengaan van verdere versnippering van open ruimtegebieden in de SBZ
- kwaliteit van de slaapplaats(en) behouden door het garanderen van voldoende rustgebieden
- behoud van de openheid van overwinteringsgebieden.
De potenties voor blauwe kiekendief kunnen toenemen bij een verdere kwaliteitsverbetering van veen- en heideterreinen (bij uitbreiding de moerasgebieden), maar ook bij een toename van het voedselaanbod in aangrenzend, extensief cultuurlandschap met natte, schrale graslanden. |
|
Doel |
+ |
+ |
| Boomleeuwerik |
Omschrijving |
De soort komt in SBZ-H tot broeden in de deelgebieden 1, 3, 5, 7, 8, 9 en 13. Uitbreiding van de broedpopulatie in de SBZ i.f.v. een voldoende tot goede lokale SVI (50-60 bp). |
Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door: - toename van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit van de heide- en landduinhabitats (2310, 2330 en 4030)
- behoud van het open zandig karakter van een aantal brandwegen
- behoud van de rustgebieden
- inrichten van de bosranden zodat er een zachtere overgang is van bos naar heide. De soort is ook gebaat bij brede schrale bermen langsheen deze zandwegen.
|
|
Doel |
+ |
+ |
| Drijvende waterweegbree |
Omschrijving |
Toename op de gekende vindplaatsen (3, 5) van de populatiegrootte tot meer dan 1.000 planten per populatie. Terugkeer van duurzame populaties op recent verdwenen groeiplaatsen (7) tot meer dan 1.000 planten per populatie (populatiestructuur > 50 m2 en bloeiende planten en vruchten aanwezig). Uitbreiding van de bestaande populatie in de vallei van de Wamp (stroomafwaarts buiten de SBZ) tot de vallei en waterpartijen in de SBZ-V (16), tot één grote aaneengesloten populatie of verschillende structureel samenhangende groeiplaatsen. |
Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd, gekoppeld aan een kwaliteitsverbetering van 3130 en 3260. maximaal herstel van natuurlijke hydrologie in de inzijggebieden van de vennenbehoud en/of herstel waterkwaliteit vennen (ionenarm water met zeer lage ammoniumconcentratie)tegengaan eutrofiëring en verzuring (ook in het waterleverend gebied)in stand houden van pioniersmilieus (opbouw sliblaag tegengaan, verzekeren voldoende windwerking)gefaseerd ruimingsbeheer in 3260behoud en/of herstel waterkwaliteit 3260 |
|
Doel |
+ |
+ |
| Gevlekte witsnuitlibel |
Omschrijving |
Satellietpopulatie in het Turnhouts Vennengebied (3, 5) met vestigingsmogelijkheden voor bijkomende satellietpopulaties in Liereman-Korhaan (1) en Kijkverdriet, Kesseven en Klotgoor(7). Er wordt per populatie een voldoende populatiegrootte beoogd voor een gunstige lokale SVI: voortplantingsbewijs en ≥ 10 adulten of geen voortplantingsbewijs en ≥ 20 adulten. Streven naar clusters van geschikte waterrijke gebieden die fungeren als leefgebieden. |
Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied (vennen en verlandingsvegetaties zoals vermeld bij 3130 en 7140_oli). Verbetering van de kwaliteit in de aanwezige cluster van verlandingsvegetaties (verschillende verlandingsstadia, open oeverzones,…): - 25-50% open waterzone, enkel door toename van habitatvlekken
- langzame verlanding, volledige verlanding is echter nefast.
|
|
Doel |
+ |
+ |
| Heikikker |
Omschrijving |
Behoud van bestaande en herstel van recent verdwenen populaties. De soort is bekend van Turnhouts Vennengebied (3, 5), Nieuwe Bossen (4), Kesseven en Klotgoor (7), Liereman-Korhaan (1) en Goorken en Rode Del (16). Heikikker verdween recent in de Lei (10) en Kijkverdriet (7). Per populatie wordt gestreefd naar minimaal ≥ 200 roepende mannetjes, die zich in één of meer grote (> 250 m2) of meerdere kleine (> 10, permanente of tijdelijke) wateren (< 250 m2) voortplanten. De plassen zijn ingebed in een matrix van vochtige heide en voedselarm vochtig bos met een oppervlakte van 50-100 ha. |
Kwalitatieve verbetering van de waterhabitat: - herstel natuurlijke hydrologie
- tegengaan verzuring
- tegengaan eutrofiëring
- herstel natuurlijke oeverzones
- opheffen migratiebarrières tussen populaties en tussen land- en waterbiotoop
De voortplantingsplassen van heikikker zijn oligo- tot mesotroof en hebben een pH tussen 5-6 (BWK-code: ao, aoo, aom). Kwaliteitsverbetering van het landbiotoop (zie kwaliteitsdoelen 4010, 6230, 7140, 7150, 9190). |
|
Doel |
=/+ |
+ |
| Kemphaan |
Omschrijving |
Behoud van de doortrekkende aantallen. |
Behoud van het belang van het gebied voor doortrekkende en overwinterende watervogels (niet-broedvogels). Kemphaan lift in het ‘heidelandschap’ mee met de doelen voor 4010/7150 en 6230. De soort wordt in de trek ook aangetroffen in open (vochtige) heide en schrale graslanden. Bijkomend wordt voldoende rust als kwaliteitseis meegegeven. |
|
Doel |
geen doelstelling |
+ |
| Korhoen |
Omschrijving |
Historische broedvogel. De soort is uitgestorven in Vlaanderen. Een terugkeer van uit gebieden in Nederland waar de soort recent werd geïntroduceerd- is - omwille van de geringe mobiliteit van de soort - weinig waarschijnlijk (maar kan niet worden uitgesloten). |
Herstel van de wisselwerking tussen relatief extentief beheerd kleinschalig landbouwgebied en voor een leefbare populatie voldoende aangrenzende heidegebieden. De soort vereist naast voldoende kwalitatief heidegebied, ook voldoende mozaïekrijk extensief cultuurlandschap dat er op aansluit (zie ook Landschap: mozaïekrijk weidevogelgebied’). De soort houdt zich in het winterhalfjaar vooral op in het kleinschalig extensief cultuurlandschap. |
|
Doel |
+ |
+ |
| Nachtzwaluw |
Omschrijving |
Uitbreiding tot een kernpopulatie van ≥ 30 bp. Stijging van de populatiegrootte in de SBZ met minstens 10 bp i.f.v. een goede lokale SVI. |
De soort broedt in structuurrijke heide met voldoende open zand. Globaal wordt een voldoende tot goede lokale SVI beoogd door: - toename van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit van de heide- en landduinhabitats (2310, 2330 en 4030)
- verzekeren van aanwezigheid van voldoende open zand in een structuurrijke heide
- inrichten van de bosranden zodat er een zachtere overgang is van bos naar heide
- recreatieve zonering
|
|
Doel |
+ |
+ |
| Poelkikker |
Omschrijving |
Behoud en versterking van de bestaande populaties. De soort is bekend van Nieuwe Bossen (4), Zand- en Koeven (3), Liereman-Korhaan (1) Goorken en Rode Del (16) en Bogaerd (13). Per populatie wordt gestreefd naar 50-200 roepende mannetjes die zich voortplanten in een complex van < 3 permanente kleine plassen (< 250m2) of één grote plas (> 250m2), ingebed in een matrix van voldoende geschikt leefgebied (vochtige heide, moeras en zuur laagveen). Zuur laagveen (BWK-code: ms) wordt gerekend tot moeras. Tot moeras worden alle niet-voedselrijke plaatsen gerekend waarbij het waterpeil zich permanent tussen 20 cm boven of onder maaiveld situeert (BWK-codes: m-reeks, ao, ce, so, sm, vm, vo). |
Kwalitatieve verbetering van de vennen: - verzuring, verdroging, eutrofiëring en aanwezigheid van vis (vraat) vormen de belangrijkste bedreigingen;
- opheffen van migratiebarrières tussen populaties en tussen land- en waterbiotoop.
- samen met een verbetering van het landbiotoop (4010, 7140, 7150).
Vennen zijn natuurlijke, ondiepe plassen met zwak tot niet-gebufferd en voedselarm water. BWK-kartering: ao, aoo of aom. |
|
Doel |
geen doelstelling |
+ |
| Regenwulp |
Omschrijving |
Behoud van de doortrekkende aantallen. |
Behoud van het belang van het gebied voor doortrekkende en overwinterende watervogels (niet-broedvogels). Regenwulp lift in het ‘heidelandschap’ mee met de doelen voor 3110, 3130, 3160 en 4010/7150. De slaapplaatsen van de soort omvatten o.a. heidevennen. Bijkomend wordt voldoende rust als kwaliteitseis meegegeven. |
|
Doel |
+ |
+ |
| Rugstreeppad |
Omschrijving |
Behoud en verbetering van de huidige populatie(s). Ruqstreeppad is bekend van Liereman-Korhaan (1) en Ravelse Bergen (5). In Liereman-Korhaan (1) heeft de soort haast alle voor rugstreeppad geschikte terreinen gekoloniseerd. Potenties voor de soort liggen vooral in de Ravelse Bergen (5), gekoppeld aan de ontwikkeling van 2310, 2330, 4030 en 6230. Per populatie wordt gestreefd naar ≥ 200 roepende mannetjes, die zich in één of meer grote (> 250 m2) of meerdere kleine waterpartijen (< 100 m2) voortplanten (> 5 plassen, zelfs tijdelijk) in een matrix van voldoende geschikt leefgebied (open terreinen met zandige bodem). |
Kwalitatieve verbetering van het waterhabitat (BWK-code: ao, aoo, aom): - tegengaan verzuring
- tegengaan eutrofiëring
- herstel natuurlijke oeverzones
- opheffen migratiebarrières tussen populaties en tussen land- en waterbiotoop
samen met een kwaliteitsverbetering van het landbiotoop (zie kwaliteitsdoelen 2310, 2330, 4030, 6230). |
|
Doel |
= |
+ |
| Zwartkopmeeuw |
Omschrijving |
Jaarlijkse broedvogel in de SBZ. Behoud van huidige broedpopulatie (ca. 4 bp) Dit vereist geen extra oppervlakte leefgebied. |
Voldoende kwalitatief broedbiotoop. De soort komt in het binnenland, naast moerassen en vijvers, ook voor op vennen. De Zwartkopmeeuw lift in het heidelandschap mee met de doelen voor 3110, 3130 en 3160. |