landschap met schapen © Veronique De Smedt

Zeeschelde (SIGMA)

BE2300006 - Schelde- en Durme-estuarium van de Nederlandse grens tot Gent
BE2300222 - De Kuifeend en de Blokkersdijk, deel Blokkersdijk
BE2301235 - Durme en de middenloop van de Schelde
BE2301336 - Schorren en polders van de Beneden-Schelde

1 Inleiding

Het Natura 2000-netwerk is een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Deze zijn aangewezen op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen om Europees beschermde habitattypes en soorten de kans te geven duurzaam te overleven en zo de Europese biodiversiteit te bewaren. In Vlaanderen zijn 62 Natura 2000-gebieden aangeduid, ook speciale beschermingszones (hierna: SBZ) genoemd. Deze gebieden zijn essentieel voor het bereiken van de gunstige staat van instandhouding van Europees te beschermen habitats en soorten. Voor Vlaanderen gaat het om 47 habitattypes, 49 dier- en plantensoorten en 58 vogelsoorten. 

Alle lidstaten van de Europese Unie zijn verplicht om de nodige maatregelen te nemen om een ‘gunstige staat van instandhouding’ te realiseren voor Europees te beschermen habitats en soorten. Om deze maatregelen in te vullen heeft de Vlaamse Regering instandhoudingsdoelstellingen (hierna: doelen) op Vlaams niveau en per SBZ bepaald. Op Vlaams niveau zijn dit de zogenaamde gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen (hierna: G-IHD) en per SBZ zijn dit de zogenaamde specifieke instandhoudingsdoelstellingen (hierna: S-IHD). Deze S-IHD zijn, na een intensief overlegproces tussen 2010 en 2013, vastgesteld in aanwijzingsbesluiten (de S-IHD-besluiten) door de Vlaamse Regering op 23 april 2014. 

De realisatie van de doelen wordt gefaseerd en programmatisch aangepakt. Vlaanderen moet elke zes jaar aan Europa rapporteren, daarom is ook voor de realisatie gekozen voor cycli van maximaal zes jaar. Per cyclus of planperiode wordt een Vlaams Natura 2000-programma opgemaakt met een Vlaamse taakstelling en acties voor de komende periode. Het programma omschrijft ook welke organisaties betrokken zijn en geeft een raming van de uitgaven voor de uitvoering van het programma.  

Focus Vlaams Natura 2000 programma 2016–2020

Omdat Vlaanderen in 2020 aan Europa moet rapporteren, loopt de eerste cyclus van het Vlaams Natura 2000-programma van 2016 tot 2020. Op het moment van publicatie van dit voortgangsdocument bestaat er nog geen nieuw Vlaams Natura 2000-programma voor de volgende planperiode (2021-2026), zodat het bestaande programma volgens de regelgeving geldig blijft.  

Voor deze eerste cyclus is vertrokken van de Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 en van het Pact 2020. In het Vlaams Natura 2000-programma zijn een bindende en een richtinggevende taakstelling geformuleerd als een gefaseerd kader voor de realisatie van de doelen.

Het bindend deel van de taakstelling in het Vlaams Natura 2000-programma omvat:

  • het stoppen of vermijden van de verdere achteruitgang van Europees te beschermen habitattypes of soorten (stand still);
  • dat 16 van de 47 Europees te beschermen habitattypes in een gunstige staat verkeren of zijn verbeterd ten opzichte van 2007 (zie bijlage 5 van het Vlaams Natura 2000-programma).

Het bindend deel van de taakstelling moet tegen 2020 worden gerealiseerd.

Het richtinggevende deel van deze taakstelling omvat:

  • dat tegen 2020 voor alle Europees te beschermen habitattypes en soorten samen 70% van de inspanningen operationeel zijn, zodat alle habitats en soorten in een gunstige staat van instandhouding kunnen worden gebracht tegen 2050. Voor soorten die extra oppervlakte leefgebied nodig hebben, moet een derde van de extra oppervlakte gerealiseerd zijn door inrichting en beheer.

De maatregelen nodig om het richtinggevende deel van de taakstelling te realiseren, kunnen al in deze planperiode opgestart worden of, indien al in planning of uitvoering, verder lopen. Deze maatregelen moeten niet noodzakelijk afgerond zijn tijdens de looptijd. In de inspanningsmatrix (hoofdstuk 4 van het voortgangsdocument) is voor elke actie aangegeven of deze behoort tot het bindend of het richtinggevend deel van taakstelling van het Vlaams Natura 2000-programma.

Doelstelling van het voortgangsdocument

Het voortgangsdocument wordt opgemaakt met het oog op:

  • het gradueel realiseren van de S-IHD;
  • het vermijden of stoppen van de verslechtering van de Europees te beschermen habitats en de leefgebieden van Europees te beschermen soorten;
  • het vermijden of het stoppen van de betekenisvolle verstoring van de Europees te beschermen soorten.

Het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna: het ANB) maakt het voortgangsdocument op en beheert het. Dit voortgangsdocument beschrijft de inspanningen die volgens de inventaris hiervan in 2017 geleverd worden door de organisaties voor wie het beheren en ontwikkelen van natuur een maatschappelijke opdracht is. Dit zijn het ANB, de verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen. Tevens biedt het een overzicht van de openstaande taakstelling en van de acties die, volgens de huidige plannen en inzichten, nodig zijn voor de realisatie ervan. Zo vormt het voortgangsdocument het vertrekpunt en de inspiratiebron voor het bereiken van de doelen voor iedereen die daaraan kan bijdragen.

Situering van het SBZ

2 Taakstelling

Voor elke SBZ werden door de Vlaamse Regering de specifieke doelen voor Europees te beschermen habitats en soorten en de prioritaire inspanningen vastgesteld in een S-IHD-besluit. Deze doelen worden in dit voortgangsdocument weergegeven in hoofdstuk 2.1. Deze zijn daarbij geclusterd in landschapstypes. Per Europees te beschermen soort en habitat zijn het gebiedsgericht kwantiteitsdoel (populaties of oppervlakten) en kwaliteitsdoel beschreven. Hoofdstuk 2.2 geeft prioritaire inspanningen weer, die in het S-IHD-besluit vastgesteld zijn voor het realiseren van de doelen. 

2.1 Doelen

Legende bij de oppervlakte-, populatie- en kwaliteitsdoelen

Symbool

Omschrijving

+

Het doel is een stijging van de oppervlakte of populatiegrootte / een verbetering van de kwaliteit.

=

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit.

=/+

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit met lokale uitbreidingsmogelijkheid.

=/-

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit met lokale inkrimpingsmogelijkheid.

In onderstaande tabel met de doelen voor het SBZ worden doelstellingen voor enerzijds het gedeelte dat habitatrichtlijngebied is en anderzijds het gedeelte dat 'zuiver vogelrichtlijngebied' (lees: enkel vogelrichtlijngebied en geen habitatrichtlijngebied) is, niet onderscheiden, maar geïntegreerd. Aan de drie criteria die tegelijk vervuld dienen te zijn om deze doelen voor beide ruimtelijk afgebakende gebieden van elkaar te onderscheiden, werd immers niet voldaan. De drie criteria zijn: 

  • het zuiver vogelrichtlijngebied handelt over een relevante oppervlakte; 

  • het betreft in dit gebied relevante doelstellingen doelen en; 

  • de doelen die in het gedeelte dat zuiver vogelrichtlijngebied is, gerealiseerd dienen te worden, zijn (reeds in dit stadium) bekend.] 

In onderstaande tabel met de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied worden doelstellingen voor enerzijds het gedeelte dat habitatrichtlijngebied is en anderzijds het gedeelte dat 'zuiver vogelrichtlijngebied' (lees enkel vogelrichtlijngebied maar geen habitatrichtlijngebied) is, niet onderscheiden, maar geïntegreerd. Aan de drie criteria die tegelijk vervuld dienen te zijn om deze doelen voor beide ruimtelijk afgebakende gebieden van elkaar te onderscheiden, werd immers niet voldaan. De drie criteria zijn:

  • het zuiver vogelrichtlijngebied handelt over een relevante oppervlakte;
  • het betreft in dit gebied relevante doelstellingen en;
  • de doelstellingen die in het gedeelte dat zuiver vogelrichtlijngebied is, gerealiseerd dienen te worden, zijn (reeds in dit stadium) bekend.

IHD-Zeeschelde - estuarium

De voorkomende habitattypes worden opgesplitst in twee grote landschapstypes: het estuarium en de terrestrische wetlands.

Estuarium

De Habitatrichtlijn onderscheidt meerdere habitattypes binnen estuaria waarvan de volgende in het Belgisch deel van het Schelde-estuarium voorkomen:[1]

  • habitattype 1130: Estuaria.
  • habitattype 1310: Eenjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia spp. en andere zoutminnende soorten
  • habitattype 1320: Schorren met slijkgrasvegetatie (Spartinion maritimae)
  • habitattype 1330: Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritmae)
  • habitattype 3270: Rivieren met slikoevers met vegetaties behorend tot het Chenopodietum rubri p.p. en Bidention p.p
  • habitattype 6430: Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones, subtype verbond van harig wilgenroosje.
  • habitattype 91E0: Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae,Salicion albae), subtype zachthoutooibos.

De totale oppervlakte van deze habitattypes binnen de SBZ’s bedraagt momenteel ca. 4680 ha [2], waarvan ca.3460 ha water (vaargeul), 640 ha schor en 530 ha slik. In de brakke zone komen op het schor pioniervegetaties van de habitattypes 1310 en 1320 voor op een zeer beperkte oppervlakte (resp. 0.6 en 0.1 ha). Het habitattype 1330 ‘Atlantische schorren’ is iets algemener (48.9 ha); hieronder vallen de brakke schorvegetaties gedomineerd door zeebies en strandkweek en de zilte graslanden. De climaxvegetatie in brakwaterschorren, rietland, valt niet onder dit type. Habitattype 3270 is typisch voor de zoete zone, het zou een oppervlakte bedekken van 1.7 ha maar is door zijn zoomvormige voorkomen zeer moeilijk kwantificeerbaar. Een deel van de ruigtevegetaties op de zoete schorren wordt tot habitattype 6430 gerekend (39 ha), het betreft het subtype ‘verbond vanharig wilgenroosje’. De wilgenbossen en -struwelen op de zoete schorren worden tot het habitattype 91E0 gerekend, meer bepaald het subtype zachthoutooibos of wilgenvloedbos. Ze nemen meer dan een derde van de totale schoroppervlakte in (250 ha). De subtidale habitattypes worden in de habitatrichtlijn niet specifiek benoemd. Ook de slikken en zandplaten in het brakke en zoete deel van het estuarium, en een deel van de zoete schorvegetaties (riet, ruigten(zonder harig wilgenroosje) en pioniersvegetaties met biezen) en van de brakke schorvegetaties (climaxvegetatie van riet) worden niet als specifiek habitattype benoemd. Deze vegetatietypes vallen wel onder het op landschapsniveau gedefinieerde habitattype 1130 ‘Estuaria’.

De SBZ Schelde- en Durme-estuarium van de Nederlandse grens tot Gent is essentieel voor de instandhouding van habitattypes 1130, 1330, 6430 (subtype‘verbond van harig wilgenroosje’) en 91E0 (subtype zachthoutooibos) in Vlaanderen, zeer belangrijk voor habitattypes 1320 en 3270 en belangrijk voor habitattype 1310.

Estuaria zijn verbrede riviermondingen waarlangs getijden binnendringen en waar zoet en zout water zich mengen. Het getij dringt op de Schelde door tot aan de sluizen in Gent (Merelbeke), maar ook op de zijrivieren Rupel, Nete, Kleine Nete (tot Grobbendonk), Grote Nete (tot Ittegem), Dijle (tot Mechelen),Zenne (tot Zemst) en de Durme (tot Lokeren). Estuaria zijn uitgesproken gradiëntmilieus. Het Schelde-estuarium wordt gekenmerkt door een ononderbroken zoet-zoutgradiënt, met zoet water tussen Gent en Temse en op de zijrivieren, licht brak water tussen Temse en Antwerpen en op de Rupel en brak water tussen Antwerpen en de grens. De zoutwaterzone bevindt zich verder stroomafwaarts op de Westerschelde. Het zoutgehalte van het water schommelt met het getij, de weersomstandigheden en de seizoenen. Het zoutgehalte en haar schommelingen zijn zeer bepalend voor het voorkomen van habitattypes en soorten in hetestuarium. Naaste deze zoet-zoutovergang, zijn ook de overgangen tussen diep en ondiep water en intertidaal gebied zeer belangrijk. In het estuarium onderscheiden we het pelagiaal, het slik en het schor. Het pelagiaal of het subtidale gebied staat steeds onder water zelfs bij extreem laag tij. Het intertidale gebied bestaat uit slik, de onbegroeide zone met slib of zand die bij laag water droog valt maar bij elk hoog tij overstroomt en schor, de begroeide zone van het intergetijdegebied die niet bij elk getij overstroomt.

Het voedselweb van het estuarium, een fundamenteel onderdeel van het ecosysteem, is zeer complex. Primaire productie door fytoplankton in het water, bodemalgen op het slik en hogere planten op de schorren vormt de basis van het voedselweb, samen met organisch materiaal aangevoerd via de bovenlopen. Zij dienen tot voedsel van zoöplankton, bodemdieren (benthos) en andere ongewervelden, vissen en op het schor grazende dieren zoals ganzen, schapen en koeien. Zoöplankton, bodemdieren en ongewervelden vallen op hun beurt ten prooi aan predatoren (vogels, vissen…). Het voedselweb is erg verschillend naargelang het zoutgehalte van het water. In zout water vormen fytoplankton en kiezelwieren de basis. In de brakke zone is detritus (in het water zwevende of bezonkenorganische deeltjes) zeer belangrijk. De afbraak van dit organisch materiaal gecombineerd met een beperkte primaire productie (zuurstofproductie) leidt soms tot lage zuurstofconcentraties. In het sterk vervuilde water van de zoete zone profiteerden vroeger bacteriën van de aangevoerde voedingsstoffen,waardoor het zuurstofverbruik erg hoog lag. Recent is de waterkwaliteit er verbeterd en zorgt primaire productie van fytoplankton voor hogere zuurstofconcentraties in het water maar ook voor mogelijke algenbloei.

Estuaria zijn van nature zeer dynamische systemen. De hydrodynamiek, als gevolg van afvoer en getij, veroorzaakt voortdurend geomorfologische veranderingen. Sedimentatie- en erosieprocessen wisselen elkaar af in ruimte en tijd. In een niet sediment gelimiteerd systeem zoals de Zeeschelde treedt lokaal sedimentatie op waardoor slikken en platen kunnen ontstaan en verder ophogen. Dit proces wordt sterk versneld als het slik gekoloniseerd wordt door pionierplanten. Verdere sedimentatie en begroeiing leiden op den duur tot het ontstaan van schorren die niet meer dagelijks overstromen. Op deze schorren doorloopt de vegetatie verschillende stadia en kan op termijn een climaxvegetatie ontstaan, rietlanden in het brakke en wilgenvloedbos in het zoete deel van het estuarium. Wijzigingen in de hydrodynamiek of geomorfologie van het riviersysteem of extreme events (stormen) kunnen leiden tot erosie van bestaande schorren waarna de schorontwikkeling opnieuw kan starten (Van De Koppel et al., 2005; Van Der Wal et al., 2008). Op de wijze ontstaat een dynamisch evenwicht waarin steeds alle successiestadia aanwezig zijn.

Menselijke ingrepen zoals inpolderingen, rechttrekkingen en verruiming van de vaargeul hebben een ingrijpende impact op de hydro- en morfodynamische processen van het estuarium(Cox et al., 2003; Van Der Wal et al., 2008). Direct habitatverlies tussen 1850 en 1950 was in de eerste plaats te wijten aan rechttrekkingen en inpolderingen. Hierdoor nam de beschikbare ruimte voor estuariene processen af. Bovendien veroorzaakten infrastructuurwerken(strekdammen e.d.), verhoging van baggervolumes en zandwinningen, en morfologische veranderingen in de Westerschelde na 1950 een sterke toename van het vloedvolume en daarmee gepaard gaand een verhoging van de getijamplitude en de getijenergie. Het gemiddelde hoog water is de voorbije 150 jaar over het volledige estuarium gestegen met 1 tot 1.5 m . Door de hoge sedimentgehaltes in de Schelde hoogden de schorren mee op, waardoor de helling tussen geul en schor steiler werd. Dit veroorzaakt, in combinatie met een verhoogde getijenergie, erosie van schor, slik en ondiepe sublitorale zones en zorgt voor bijkomend habitatverlies en het ontstaan van schorkliffen (Van Braeckel et al., 2006).

Andere knelpunten die het estuarien ecosysteem negatief beïnvloeden zijn een periodiek te hoge zoetwaterafvoer, een slechte waterkwaliteit en een sterke lichtlimitatie. De hoge zoetwaterafvoer bij piekdebieten wordt veroorzaakt door het verhoogd aandeel van verharde oppervlakte en cultuurland in het stroomgebied en door structurele ingrepen in de waterlopen van het stroomgebied gericht op een snelle afvoer van water. De verhoogde toevoer van zoet water bij piekdebieten veroorzaakt het afsterven van weinig mobiele brakwater(benthos)soorten en het versneld uitspoelen van zoetwater planktongemeenschappen naar de brakke zone waar ze afsterven (Van den Bergh et al., 2003b). De waterkwaliteit van de Zeeschelde is de laatste jaren sterk verbeterd, maar ook nu nog is er nergens in het estuarium sprake van een goede chemische of ecologische toestand volgens de criteria van de Kaderrichtlijn Water (Anonymus, 2010).In de jaren ’70 en ’80 van vorige eeuw was de waterkwaliteit in de Zeeschelde erg slecht, zeker in het zoete deel. Zeer hoge organische belasting leidde tot zeer lage zuurstofconcentraties, waardoor de rivier zo goed als dood was. Bovendien bevatte het water in die tijd ook aanzienlijke hoeveelheden toxische stoffen (o.a. zware metalen, organische polluenten…). In de Westerschelde was de situatie iets beter door menging met properder en zuurstofrijker zeewater. Door inspanningen in de waterzuivering is de waterkwaliteit in het estuarium in de jaren ’90 verbeterd. Zowel de hoeveelheid toxische stoffen als de hoeveelheid voedingsstoffen namen sterk af en de zuurstofconcentratie nam toe (Soetaert et al., 2006). Toch stromen er nog steeds zeer veel voedingsstoffen naar het estuarium wat tot algenbloei leidt. Het verbeterde zuurstofklimaat leidt ook tot een terugkeer, een toename en verschuivingen in de soortensamenstelling van bodembewonende dieren. Als in de zoete zone van de Zeeschelde opnieuw een gezonde populatie zoöplankton tot ontwikkeling komt, kunnen deze diertjes de algenbloei mee onder controle houden. Als er zuurstof en plankton in de Schelde zit, zal ook het visbestand toenemen. Een ontwikkeling die nu al merkbaar is. De beperkte primaire productie in de periode van zware vervuiling zou verklaard kunnen worden door limitering van de algengroei door de zeer lage zuurstofgehalten of hoge ammoniumconcentraties (Cox et al., 2009), maar ook door een beperkte beschikbaarheid van licht in het troebele Scheldewater (Van den Bergh et al., 2003b).

De instandhoudingsdoelstellingen op systeemniveau (IHD-Z) zijn gericht op het oplossen van deze knelpunten. Een verbeterde waterkwaliteit (> 5 mg O2l-1 in zomer en > 6 mg O2l-1 in winter) en meer ruimte voor het estuarium moet een robuust en duurzaam hydrodynamisch, geomorfologisch en ecologisch functioneren verzekeren. Aan de hand van de ecologische draagkracht van het slik voor ongewervelde bodemdieren (als voedsel voor vogels en vissen) werd berekend dat een bijkomende oppervlakte van 500 ha slik nodig is ten opzichte van de situatie in 2005(Adriaensen et al., 2005b; Van Damme et al., 2010). Daarnaast werd berekend dat, bij de toenmalige (2005) waterkwaliteit, een bijkomende oppervlakte schor van 1500 ha nodig is ten opzichte van de situatie in 2005 om te voorkomen dat de primaire productie in het estuarium gelimiteerd wordt door te lage siliciumgehalten (Adriaensen et al. 2005). Een tekort aan opgelost silicium in combinatie met een overschot aan voedingsstoffen veroorzaakt verschuivingen in fytoplanktongemeenschappen, het belang van kiezelwieren (die silicium nodig hebben) neemt af. Dit werkt algenbloei (van niet-kiezelwieren) in de hand. Schorren zijn in het zomerhalfjaar, op het moment dat het siliciumtekort optreedt, een belangrijke bron voor biologisch beschikbaar silicium in het estuarium (Struyf, 2005). Bij de bepaling van het maximaal ecologisch potentieel (MEP) voor habitatarealen voor de Kaderrichtlijn Water berekenden Brys et all. (2005) met een hydromorfologische benadering veel grotere oppervlakten slik en schor. De oppervlaktedoelstellingen van de IHD-Z voor slik en schor kunnen dus beschouwd worden als een absoluut minimum om een robuust en duurzaam functionerend estuarium te creëren (Adriaensen et al., 2005a). Deze oppervlaktedoelstellingen, met name de toename van het slikareaal met 500 ha en van het schorareaal met 1500 ha, werden in het Meest Wenselijke Alternatief(MWeA) van het Geactualiseerde Sigmaplan geografisch gealloceerd (Anonymus, 2005). Naast de noodzakelijke toename van de estuariene habitats is ook de aanleg van overstromingsgebieden langs de niet getijgebonden zijrivieren noodzakelijk om piekafvoer van zoet water op te vangen.

Op basis van een uitgebreid multidisciplinair onderzoek (met o.a. maatschappelijke kosten-batenanalyse, een landbouweffectrapport, een ecologische potentieanalyse) werden in het geactualiseerde Sigmaplan gebiedskeuzes gemaakt waarbij de veiligheidsfunctie (overstromingsgebieden) maximaal gecombineerd werd met de ecologische functie (estuariene natuur onder vorm van GOG-GGG’s [3]en ontpolderingen). De IHD-Z formuleert ook doelen voor soorten. Doelen voor gewone zeehond, otter, overwinterende en doortrekkende watervogels, vissen en rondbekken en een aantal broedvogels zijn in grote mate afhankelijk van de 5- en oppervlaktedoelstellingen op systeemniveau.

De subtidale habitattypes, inclusief de vaargeul, zijn essentieel als leefgebied voor de soorten fint en rivierprik en als foerageergebied voor de overwinterende vogelsoorten tafeleend en kuifeend. De slikken (en in mindere mate de schorren en het pelagiaal) zijn essentiële foerageergebieden voor de doortrekkende en overwinterende vogelsoorten kluut, pijlstaart, wintertaling, krakeend en bergeend. Het getijdegebied vormt voor zowel broedende als doortrekkende lepelaars een essentieel foerageergebied. Indien de waterkwaliteit en het visbestand van het estuarium een goede staat vertonen, zullen de wilgenvloedbossen (91E0) in het zoetwatergetijdegebied een essentieel deel vormen van het (potentieel) leefgebied voor kwak.

[1] De SBZ BE2300006 is ook aangemeld voor habitattype 1140 ‘Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten’. De slikken en platen in de Zeeschelde worden echter niet tot dit habitattype gerekend omdat ze niet rechtstreeks door zeewater worden beïnvloed. De slikken ressorteren wel onder habitattype 1130.

[2] Dit is de totale oppervlakte van het habitattype 1130 ‘Estuaria’ dat op landschapsniveau is gedefinieerd. Volgens de in de gIHD gehanteerdedefinitie van estuaria ressorteren de andere estuariene NATURA2000-habitattypen onder dit overkoepelend type.

[3] GGG: Gecontroleerde overstromingsgebieden met gecontroleerd gereduceerd getij.

Habitats - IHD-Zeeschelde - estuarium

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
1130 - Estuaria Omschrijving

Actueel: 4684 ha buiten de natuurontwikkelingsgebieden van het Sigmaplan.[Omdat actueel habitat in de Sigma-natuurontwikkelingsgebieden veelal zal worden omgevormd naar andere habitattypen is bij het bepalen van de oppervlakte actueel habitat voor die habitattypes waarvoor toename wordt voorgesteld, enkel de oppervlakte buiten de natuurontwikkelingsgebieden van het Sigmaplan in rekening gebracht.]

  • 4156 ha in SBZ-H BE2300006,
  • 2 ha in SBZ-H BE2300044,
  • 488 ha in SBZ-V BE2301235,
  • 33 ha in SBZ-V BE 2301336 en
  • 5 ha buiten SBZ. [Het betreft zeer smalle slik/schorstroken langs Grote en Kleine Nete en mismatches tussen de habitatkaart en de SBZ-kaart.]

Doel: + 2000 ha netto waarvan 905 in SBZ-H2300006, 460 ha in SBZ-V2301336, 346 ha buiten SBZ en 300 ha nog te bepalen; door effectieve uitbreiding (richtwaarde 1420 ha, waarvan richtwaarde 628 ha in SBZ-H2300006) en omvorming; door aanleg van nieuwe estuariene getijdengebieden onder vorm van gecontroleerde overstromingsgebieden met gecontroleerd gereduceerd getij (GOG-GGG) en onder vorm van ontpolderingen (2000 ha ten opzichte van de situatie in 2005. Sindsdien is reeds 30 ha gerealiseerd in het GOG-GGG Lippenbroek en de ontpoldering van Heusden.)

Goede staat van instandhouding met betrekking tot ecologisch functioneren van het gehele estuarium met inbegrip van het pelagiaal/de vaargeul.
Een goede chemische waterkwaliteit met hoge zuurstofconcentraties die in het estuarium niet lager zijn dan 5 mg/l in zomer en 6 mg/l in winter.
Voldoende ruimte voor het estuariene processen met specifieke aandacht voor ondiep water, slik en schor.
Geen verdere bevordering van de toename van de getijamplitude en –energie.
Vermijden van storten van baggermateriaal of het strategisch storten op een manier die zoveel mogelijk rekening houdt met de morfodynamiek van de rivier.
Bij beheer- en infrastructuurwerken maximaal rekening houden met de seizoenale patronen in de levenscyclus van estuariene soorten.
Afname van de hoge zoetwaterafvoer tijdens piekdebieten.
Verminderen van de toevoer van sediment vanuit de bovenlopen.

Doel + +
1310 - Eenjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia-soorten en andere zoutminnende planten en 1320 Schorren met slijkgrasvegetatie (Spartinion maritimae) Omschrijving

Actueel: 0.6 ha (1310) en 0.2 ha (1320). Deze oppervlakten zitten vervat in de oppervlakte van habitattype 1130.
Doel: Uitbreiding, oppervlakte moeilijk te kwantificeren. Deze uitbreiding zit vervat in de uitbreiding van habitattype 1130.

Doel: Voldoende ruimte voor een natuurlijk dynamiek en hydromorfologische processen met successie van slik naar schor.
Permanent goede water- en sedimentkwaliteit nastreven.

Doel + +
1330 - Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae) Omschrijving

Actueel: 48.9 ha. Deze oppervlakte zit vervat in de oppervlakte van habitattype 1130.
Doel: +110 ha. Deze uitbreiding zit vervat in de uitbreiding van habitattype 1130.

Doel: Behoud of creëren van voldoende ruimte voor dynamiek van erosie en sedimentatie met natuurlijke successie van slik naar schor.
Permanent goede water- en sedimentkwaliteit nastreven.

Doel + +
3270 - Rivieren met slikoevers met vegetaties behorend tot het Chenopodietum rubri p.p. en Bidention p.p Omschrijving

Actueel: 1.8 ha. Deze oppervlakte zit vervat in de oppervlakte van habitattype 1130.
Doel: Uitbreiding, moeilijk te kwantificeren. Deze uitbreiding zit vervat in de uitbreiding van habitattype 1130.

Doel: Behoud of creëren van voldoende ruimte voor dynamiek van erosie en sedimentatie met natuurlijke successie van slik naar schor.
Permanent goede water- en sedimentkwaliteit nastreven.

Doel + +
6430 - Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones, subtype ‘verbond van harig wilgenroosje’ Omschrijving

Actueel: ca. 65 ha. [Op de habitatkaart staat 39 ha 6430_hw, op de vegetatiekaart 2003 (Vandevoorde et al. in press) is 67 ha 6430_hw terug te vinden, waarvan ca. 65 ha binnen SBZ.] Deze oppervlakte zit vervat in de oppervlakte van habitattype 1130.
Doel: Uitbreiding, moeilijk te kwantificeren. Deze uitbreiding zit vervat in de uitbreiding van habitattype 1130.

Doel: Behoud of creëren van voldoende ruimte voor dynamiek van erosie en sedimentatie met natuurlijke successie van slik naar schor.
Permanent goede water- en sedimentkwaliteit nastreven.

Doel + +
91E0 - Alluviale bossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) subtype zachthoutooibos Omschrijving

Actueel: 250 ha. Deze oppervlakte zit vervat in de oppervlakte van habitattype 1130.
Doel: + 350 ha. Deze uitbreiding zit vervat in de uitbreiding van habitattype 1130.

Doel: Behoud of creëren van voldoende ruimte voor dynamiek van erosie en sedimentatie met natuurlijke successie van slik naar schor.
Permanent goede water- en sedimentkwaliteit nastreven.

IHD-Zeeschelde - wetlands

Naast de estuariene habitats zijn de SBZ ook aangemeld voor een aantal niet estuariene (wetland) habitattypes.

  • habitattype 2310: Psammofiele heide met Calluna en Genista
  • habitattype 2330: Open grasland met Corynephorus- en Agrostis-soorten op landduinen
  • habitattype 3150: Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition
  • habitattype 4030: Droge heide (alle subtypes)
  • habitattype 6410: Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Eu-Molinion)
  • habitattype 6430: Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones
  • habitattype 6510: Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis)
  • habitattype 9160: Eikenbossen van het type Stellario-Carpinetum
  • habitattype 91E0: Alluviale bossen van met Alnus glutinosa en Fraxinus exelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae).(subtype beekbegeleidend vogelkers-essenbos en essen-iepenbos en subtype mesotroof broekbos op minder voedselrijke standplaaten)

Habitattypes 2310, 2330 en 4030 komen amper voor. Ze onderscheiden zich van de andere habitattypes in bovenstaande lijst door een uitgesproken niet-alluviaal karakter. Enkele relicten en een beperkte oppervlakte aan potentievolle gebieden zijn te vinden op enkele fossiele rivierduinen. Hier vinden we ook relicten van en potenties voor habitattype 9120, Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei (Quericion robori-petraeae of Ilici-Fagenion), een habitattype waarvoor de SBZ niet zijn aangemeld.
De overige habitattypes zijn typisch voor alluviale valleigronden en komen in al dan niet aangetaste vorm voor in de vallei van de Schelde en haar getijgebonden zijrivieren. Door bedijking is de natuurlijke overgang tussen schor en achterliggende natte gebieden afgesneden. Onder andere omwille van sociale en economische redenen, maar ook omwille van de bevaarbaarheid van de stroom, is het evident dat op de meeste plaatsen langs de Schelde geen vrij contact tussen rivier en vallei mogelijk is. De terrestrische wetlands die ontstonden in deze lager gelegen (polder)gebieden herberg(d)en tal van Europees te beschermen habitattypes en soorten. Momenteel komt slechts een zeer beperkte oppervlakte van deze habitats in goede lokale staat voor. Een optimalisatie van oppervlakte- en grondwaterbeheer en natuurbeheer zijn nodig om de habitattypes te herstellen. Bij een duurzaam waterbeheer functioneren de gebieden bovendien als kwalitatieve en kwantitatieve buffer voor grond- en oppervlaktewater.

Het voorkomen van habitattype 3150, van nature eutrofe wateren, in Vlaanderen is zeer slecht gedocumenteerd (Leyssen et al., 2009), zo ook in de Scheldevallei. Waarschijnlijk is het overgrote deel van de 135 ha stilstaande voedselrijke wateren die in de SBZ ‘saanwezig zijn niet te beschouwen als habitat. Veelal laat het gebruik (bv visvijvers) en/of de waterkwaliteit de ontwikkeling van de habitat niet toe. Voor habitattype 3140, kalkhoudende oligo-mesotrofe wateren met benthische Chara spp. vegetaties zijn de SBZ niet aangemeld. Dit type komt in Vlaanderen nagenoeg uitsluitend voor in diepe gegraven wateren. Binnen de SBZ’s wordt de plas in het recreatiedomein Nieuwdonk getypeerd als habitattype 3140. Met zijn 26.5 ha beslaat het 35 % van de totale oppervlakte van dit habitattype in Vlaanderen.
Habitattype 7140 Overgangs- en trilveen is nagenoeg verdwenen uit de SBZ’s. In Nieuwdonk en de Wijmeers komen nog enkele kleine relicten voor. Waarschijnlijk kwam dit type vroeger frequenter voor op kwelplaatsen en aan de rand van stilstaande wateren, maar zijn ze sterk achteruit gegaan door verdroging (drainage van de landbouwgronden) en watervervuiling. Potenties zijn vooral aanwezig in bovengenoemde gebieden indien een geschikt waterbeheer wordt ingesteld.

Habitattype 6510, Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis) is nagenoeg beperkt tot de dijken en komt daar meestal in sterk gedegradeerde vorm voor.
Habitattypes 6430, Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones en 91E0, Alluviale bossen van met Alnus glutinosa en Fraxinus exelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae).(subtype beekbegeleidend vogelkers-essenbos en essen-iepenbos en subtype mesotroof broekbos op minder voedselrijke standplaatsen) komen nog frequenter voor en over grotere oppervlakte, maar veelal ook in gedegradeerde vorm.

De alluviale valleien van Schelde, Durme en Rupel zijn zeer vlak en liggen lager dan +5 m TAW. De hoogteligging is afhankelijk van het tijdstip van indijking. Het (hoog)waterpeil in de rivier is de voorbije eeuwen voortdurend gestegen, waardoor ook het getijdegebied steeds hoger kwam te liggen. Daardoor liggen recent ingedijkte gebieden hoger dan gebieden die reeds vroeger zijn ingedijkt. De vallei wordt gekenmerkt door een brede alluviale vlakte vaak begrensd door een steilwand waarin een systeem van oeverwallen (veelal onder de huidige dijken) en komgronden te herkennen is. In de alluviale vlakte vormen pleistocene rivierduinen kleine tot grote zandige opduikingen (donken). De bodem van de oeverwallen bestaat uit zandig materiaal, deze van de komgronden doorgaans uit al dan niet venige klei tot zware klei. De bodems in de komgronden zijn onder invloed van een permanent hoge watertafel profielloos. De drainage verloopt via talrijke sloten en grachten die gravitair of via pompgemalen afwateren naar de Schelde. Momenteel wordt de alluviale vallei nagenoeg over haar volledige oppervlakte intensief gebruikt voor landbouw, bewoning, recreatie (vissen, jagen…) en bosbouw. Sterke drainering en intensief landbouwgebruik veroorzaken verdroging, eutrofiëring en vervuiling (pesticiden). Goed ontwikkelde habitattypes komen, op enkele gebieden e na, dan ook nagenoeg niet meer voor.

In de alluviale vallei vormen de wetlandhabitattypes samen met andere (regionaal belangrijke) biotopen essentieel leefgebied voor tal van soorten. Stilstaande en/of langzaam stromende wateren zijn essentieel of belangrijk als (deel van het) leefgebied van kleine modderkruiper, bittervoorn, kamsalamander, poelkikker, gevlekte witsnuitlibel, bever en otter. De bever heeft nood aan waterlopen en stilstaande wateren met beboste oevers, o.a. in alluviale bostypes van het habitattype 91E0. De otter heeft stromende en stilstaande wateren nodig van hoge kwaliteit met voldoende voedsel (vis), rust-, schuil- en nestgelegenheid. Open water, al dan niet in combinatie met (overstroomde of drassige) graslanden vormen het foerageergebied voor vele doortrekkende en overwinterende vogelsoorten (ganzen, eenden, steltlopers) en tal van vleermuissoorten. Vele soorten waarvoor de SBZ’s zijn aangemeld leven in moerasvegetaties. De regionaal belangrijke biotopen rietland en grote zeggenvegetatie zijn, in combinatie met natte ruigtes van habitattype 6430, essentieel als leefgebied voor zeggekorfslak, roerdomp, woudaap, purperreiger, bruine kiekendief, porseleinhoen, blauwborst en als foerageergebied voor de doortrekkende soorten. Vele van deze soorten hebben nood aan grootschalige moerasgebieden al dan niet in combinatie met open water (roerdomp, woudaap, purperreiger, porseleinhoen, bruine kiekendief). Graslanden van het habitattype 6510, in combinatie met andere graslandtypes (de regionaal belangrijke biotopen dottergrasland, kamgrasland en zilverschoongrasland) en ruigtes (waaronder habitattype 6430) vormen essentieel leefgebied voor kwartelkoning... De alluviale bossen van habitattype 91E0 vormen essentieel deel van het leefgebied van bever en kwak. In oudere boscomplexen fungeren oude holle bomen als kolonieplaats voor enkele vleermuissoorten.

De oppervlaktedoelstellingen werden in het Meest Wenselijke Alternatief (MWeA) van het Geactualiseerde Sigmaplan geografische gealloceerd (Anonymus, 2005). Op basis van een uitgebreid multidisciplinair onderzoek (met o.a. maatschappelijke kosten-baten analyse, een landbouweffect rapport, een ecologische potentieanalyse) werden gebiedskeuzes gemaakt waarbij de veiligheidsfunctie (overstromingsgebieden) maximaal gecombineerd werd met de ecologische functie (estuariene natuur onder vorm van GOG-GGG’s [1] en niet estuariene maar overstromings tolerante habitats). Uit deze oefening bleek dat de doelstellingen niet integraal in de SBZ’s konden worden gerealiseerd. Daarom werden instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd in gebieden met een veiligheidsfunctie, maar buiten SBZ gelegen.

In het MWeA werd gekozen voor grote blokken van gelijkaardig habitat, om te voldoen aan de minimumoppervlaktevereisten van de habitattypes en om leefgebied te creëren voor enkele zeer kritische soorten die uitgestrekte leefgebieden vereisen (b.v. roerdomp, bruine kiekendief, kwartelkoning, kwak, otter…). Grootschalige open water- en moerasgebieden zijn voorzien in de Kalkense Meersen, de Durmevallei (Molsbroek, Hagenmeersen, Putten van Ham, Vijvers Hof ten Reijen, Oude Durme), Prosperpolder-zuid, Varenheuvel-Abroek en in de vallei van de Grote Nete. Grootschalige graslandengebieden worden ontwikkeld in de Kalkense Meersen (incl. Wijmeers, Paardebroek en Paardeweide), de Durmevallei (Nonnengoed, Potpolder I en IV, Bulbierbroek, Weijmeerbroek), het overstromingsgebied van Kruibeke – Bazel – Rupelmonde, vallei van de Grote Nete, Pikhaken en Hollaken-Hoogdonk en Dorent. Grote blokken alluviaal bos zijn voorzien in de Vlassenbroekse Polder, Schellandpolder en Oudlandpolder (in combinatie met de ander aanwezige boscomplexen in Klein Brabant) en het overstromingsgebied van Kruibeke – Bazel – Rupelmonde. De potenties voor drogere habitattypes (heide en bos) kenmerkend voor de fossiele rivierduinen, laten niet toe om grote aaneengesloten oppervlakten te creëren. Behoud en herstel van deze habitat is voorgesteld in de Wijmeers en de Durmevallei.

[1] GGG: Gecontroleerde overstromingsgebieden met gecontroleerd gereduceerd getij

Habitats - IHD-Zeeschelde - wetlands

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
2310 - Psammofiele heide met Calluna en Genista en 2330 Open grasland met Corynephorus- en Agrostis-soorten op landduinen Omschrijving

Actueel: 4.5 ha buiten de natuurontwikkelingsgebieden van het Sigmaplan (volledig in SBZ-H BE2300006).
Doel: + 26 ha door omvorming (12 ha) en effectieve uitbreiding (14 ha) (volledig in SBZ-H BE2300006).

Doel: Maximaal 10 % verbossing en 30 % vergrassing.
Aanwezigheid van kale bodem.
Afname van de atmosferische depositie van stikstof.

Doel = =
3140 - Kalkhoudende oligo-mesotrofe wateren met benthische Chara spp. vegetaties Omschrijving

Actueel: 91 ha (27 ha in deelgebied 4 van SBZ-H BE2300006en 64 ha buiten SBZ in Sigmagebied 95, ).
Doel: Behoud van de huidige oppervlakte (91 ha).

Doel: Behoud van de goede lokale staat van instandhouding.

Doel + +
3150 - Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition Omschrijving

Actueel: 24 ha buiten de natuurontwikkelingsgebieden van het Sigmaplan (volledig in SBZ-H BE2300006).
Doel: + 13 ha in functie van extra leefgebied voor roerdomp door verbetering van kwaliteit van bestaande stilstaande wateren.
Het extra leefgebied voor roerdomp, voorzien in de G-IHD, zal worden gerealiseerd in de natuurontwikkelingsgebieden van het Sigmaplan (zoals beslist door de Vlaamse regering op 22 juli 2005 en 28 april 2006). Binnen het leefgebied voor roerdomp zal dit habitat tot ontwikkeling komen:

  • 7 ha in SBZ-H BE2300006 waarvan 3-4 ha voor roerdomp
  • 0.9-1.4 ha in SBZ-V
  • 3.3-4.9 ha buiten SBZ

Doel: Verbetering van chemische kwaliteit van bestaande stilstaande wateren.
Verbetering van structuurkwaliteit van bestaande stilstaande wateren (o.a. door verondiepen van actueel diepe stilstaande wateren)

Doel + +
6430 - Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones Omschrijving

Actueel: 52 ha buiten de natuurontwikkelingsgebieden van het Sigmaplan.

  • 46 ha in SBZ-H BE2300006
  • 6 ha in SBZ-V BE2301235

Doel: totale oppervlakte van 69 ha

Het extra leefgebied voor kwartelkoning en porseleinhoen, voorzien in de G-IHD, zal worden gerealiseerd in de natuurontwikkelingsgebieden van het Sigmaplan (zoals beslist door de Vlaamse regering op 22 juli 2005 en 28 april2006). Binnen het leefgebied voor deze soorten zal habitat 6430 worden voorzien.
Het habitattype zal zich als zoom ontwikkelen tussen andere habitat- en RBB-types op plaatsen met intermediair beheer of intermediaire abiotische omstandigheden. Bv. minder intensief beheerde zomen rond vochtige hooilanden of minder natte standplaatsen langs rietlanden of andere moerastypes. Dit is voldoende voor kwartelkoning en porseleinhoen omdat ze slechts een klein aandeel van dit habitattype nodig hebben in hun leefgebied.

Doel + +
6510 - Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis) Omschrijving

Actueel: 37 ha buiten de natuurontwikkelingsgebieden van het Sigmaplan:

  • 22 ha in SBZ-H BE2300006
  • 15 ha in SBZ-V BE2301235

Goed ontwikkelde vormen zijn zeer zeldzaam en het habitattype komt bijna uitsluitend voor op dijken (minder dan 5 ha ligt niet op dijken).
Doel: + 132 ha , met als richtwaarde voor uitbreiding 98 ha.
Daarnaast is extra leefgebied voor kwartelkoning voorzien in de G-IHD, dat zal worden gerealiseerd in de natuurontwikkelingsgebieden van het Sigmaplan (zoals beslist door de Vlaamse regering op 22 juli2005 en 28 april2006). Binnen dit leefgebied moet 232 – 476 ha worden voorzien, welke in mozaïek zal voorkomen met andere graslandtypes op matig voedselrijke bodem (rbb_hf, rbb_hc…):

  • 132 ha in SBZ-H BE2300006
  • 106-227 ha buiten SBZ.

Doel + +
7140 - Overgangs- en trilveen Omschrijving

Actueel: 0.4 ha buiten de natuurontwikkelingsgebieden van het Sigmaplan (in SBZ-BE2300006 deelgebied 4,)
Doel: + 7 ha , met als richtwaarde voor uitbreiding 3 ha

Doel: Een gepaste hydrologie (natuurlijke waterhuishouding) en waterkwaliteit.

Doel = =
9120 - Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei (Quericion robori-petraeae of Ilici-Fagenion) Omschrijving

Actueel: 35 ha op fossiele rivierduinen.
Buiten de natuurontwikkelingsgebieden van het Sigmaplan:

  • 22 ha in SBZ-H BE2300006 binnen de natuurontwikkelingsgebieden van het Sigmaplan
  • (9 ha in SBZ-H BE2300006 buiten Sigma)
  • < 1 ha in SBZ-H BE2100040
  • 1 ha in SBZ-H BE2300044
  • 11 ha buiten SBZ

Doel: behoud van de huidige oppervlakte.

Doel = =
9160 - Sub-Atlantische en midden-Europese wintereikenbossen of eiken-haagbeukbossen behorend tot het Carpinion-betuli Omschrijving

Actueel: 2.7 ha.
2.7 ha binnen de natuurontwikkelingsgebieden van het Sigmaplan:

  • 1 ha in SBZ-H BE2300006
  • 1.7 ha buiten SBZ

Doel: behoud van de actuele oppervlakte.

Doel + +
91E0 - Alluviale bossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) Omschrijving

Actueel: 409 ha buiten de natuurontwikkelingsgebieden van het Sigmaplan

  • 350 ha in SBZ-H BE2300006
  • 59 ha in SBZ-V BE2301235

Doel: + 226 ha ha tot een totale oppervlakte van 576 ha in SBZ-H BE 2300006 .
Van de totale toename in SBZ-H BE2300006 van 295 ha (inclusief het deel buiten IHD-Z, zie verder) is een richtwaarde van 106 ha door uitbreiding.

De IHD-Z stelt de ontwikkeling van 400 ha moerasbos in gunstige staat en in grote kernen tot doel als leefgebied voor een aantal doelsoorten. Het besliste geactualiseerde Sigmaplan voorziet in de ontwikkeling van grote kernen 91E0 op een oppervlakte van ca. 296-321 ha in SBZ-H BE2300006 (hiervan is ca. 97 ha actueel habitat). In het GOG KBR (onderdeel van het Sigmaplan) is 100 ha voor 91E0 ingericht.

Bestaand habitat buiten de natuurontwikkelingsgebieden van het Sigmaplan, binnen de SBZ-H 2300006 en SBZ-V BE2301235 wordt in stand gehouden.

Doel: Gepaste hydrologie met een voldoende hoog grondwaterpeil, een voldoende hoge kweldruk en een geschikte overstromingsdynamiek.
Voldoende dood hout.

Soorten - IHD-Zeeschelde

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel =
Bergeend, Krakeend, Pijlstaart, Tafeleend, Wintertaling Omschrijving

behoud van het huidige populatieniveau (seizoensgemiddelde berekend over periode 2000/01 – 2005/06 voor pijlstaart, seizoensgemiddelde berekend over periode 1998/99 – 2006/07 voor wintertaling, seizoensgemiddelde berekend over periode 2002/03 – 2006/07 voor krakeend, seizoensgemiddelde berekend over periode 2001/02 – 2006/07 voor tafeleend, seizoensgemiddelde berekend over periode 1992/93 - 2006/07 voor bergeend) . Een zekere afname als gevolg van een verminderde eutrofiëring in het estuarium is aanvaardbaar en kan minstens gedeeltelijk gecompenseerd worden door natuurontwikkeling op andere plaatsen.
Behoud en optimaal beheer van belangrijke watervogelgebieden (in deel Blokkersdijk van SBZ-V2300222) Het besliste geactualiseerde Sigmaplan voorziet zowel in de uitbreiding van het estuarium als in de ontwikkeling van bijkomende waterrijke gebieden die de terugval in dichtheid van watervogels in het estuarium kunnen opvangen:
Estuariene natuurontwikkelingsgebieden, zie habitattype 1130 in Landschap IHD-Zeeschelde - estuarium.
Ondiepe stilstaande wateren met moerasoevers in SBZ-H 2300006, deelgebieden 1, 4, 16 en 24
Ondiepe stilstaande wateren met moerasoevers buiten SBZ, Sigmagebieden 4, 12, 13, 41.

Doel = =
Bittervoorn Omschrijving

Behoud van huidige populatie en areaal

Streven naar een goede habitatkwaliteit.

Doel =/+
Blauwborst Omschrijving

Behoud of uitbreiding van de bestaande populatie tot minimaal 550 broedparen.
De oppervlaktebehoeften van deze soort zitten vervat in de IHD voor SBZ-V BE2301336 (goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 22/7/2011) en in de voorgestelde benodigde extra oppervlakte aan leefgebied van roerdomp en porseleinhoen.

Streven naar een goede habitatkwaliteit.

Doel + +
Bruine kiekendief Omschrijving

Uitbreiding van de huidige populatie (15-30 broedparen) tot 50 broedkoppels.
De oppervlaktebehoeften van deze soort zitten vervat in de IHD voor SBZ-V BE2301336 (goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 22/7/2011) en in de voorgestelde benodigde extra oppervlakte aan leefgebied van roerdomp en porseleinhoen.

Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied (waaronder het foerageergebied).

Doel + +
Europese bever Omschrijving

Uitbreiding van de huidige populatie tot 40 families in het Scheldebekken.

Streven naar een goede habitatkwaliteit.
Opheffen migratieknelpunten.
Waterlopen en stilstaande wateren dieper dan 60 cm met natuurlijke en beboste oevers.

Doel + +
Fint Omschrijving

Herstel van een populatie in goede staat van instandhouding in de Zeeschelde en de tijgebonden zijrivieren.
Uitbreiding van het huidige areaal stroomopwaarts in de Schelde en de tijgebonden zijrivieren.
Massale trek van adulten in het voorjaar en massale aanwezigheid van juvenielen in de zomer.

Streven naar een goede habitatkwaliteit.
Goede waterkwaliteit in Schelde en zijrivieren , voldoende zuurstofrijk.
Herstel van goede structuurkwaliteit van het estuarium met voldoende laagdynamische slikken en (ondiep) subtidale zones.
Behoud en herstel van geschikt paai- en opgroeihabitat in het zoetwater getijdegebied (Schelde en zijrivieren), meer bepaald onverstoorde (ondiepe) zones met niet te hoge stroomsnelheden.

Doel + +
Franjestaart, Meervleermuis, Rosse vleermuis, Ruige dwergvleermuis, Watervleermuis Omschrijving

Aanwezigheid van zomerkolonies van de soorten, met jaarlijks zwangere wijfjes en/of juvenielen. De aanwezigheid van duurzame populaties van elk van deze soorten wordt nagestreefd.

Doel zomer: Verhoging van habitatkwaliteit in de bossen en insectenrijke graslanden en ruigtes in een omliggend landschap met KLE’s. Creatie geleidelijke bosranden, in het bijzonder nabij open waterpartijen. Behoud en verbetering kwaliteit waterpartijen.
De doelen worden gerealiseerd in het kader van doelen voor habitats 3150, 6430, 9120, 9160 en 91E0. Bijkomend aandacht voor behoud van bestaande verbindingen, en waar nodig uitbreiding van en verbinding tussen bossen en foerageergebieden.
Doel winter: Behoud, inrichten en verbeteren van winterverblijven.

Doel + +
Gevlekte witsnuitlibel Omschrijving

Aanwezigheid van minstens één leefbare kernpopulatie.

Streven naar een goede habitatkwaliteit.
Creëren van moerassen met aanwezigheid van mesotrofe verlandingsvegetaties en vegetaties van drijvende en ondergedoken waterplanten, zonder hoge visdichtheden en een afwisseling van open zonnige plaatsen en struwelen.
De doelen worden mede gerealiseerd in het kader van doelen voor habitattypes 3150 en 7140.

Doel =/+ =/+
Gewone dwergvleermuis, Kleine dwergvleermuis, Laatvlieger Omschrijving

Behoud en uitbreiding van de bestaande populatie

Behoud van de bestaande kwaliteit, behoud en uitbreiding van connectiviteit tussen de gebieden.

Doel = =
IJsvogel Omschrijving

Behoud van de bestaande populatie

Streven naar een goede habitatkwaliteit.

Doel + +
Ingekorven vleermuis Omschrijving

Aanwezigheid van zomerkolonies van de soorten met jaarlijks zwangere wijfjes en/of juvenielen. De aanwezigheid van een duurzame populatie wordt nagestreefd.

Doel zomer: Verhoging van habitatkwaliteit in de bossen en insectenrijke graslanden en ruigtes in een omliggend landschap met KLE’s. Creatie geleidelijke bosranden, in het bijzonder nabij open waterpartijen. Behoud en verbetering kwaliteit waterpartijen.
De doelen worden gerealiseerd in het kader van doelen voor habitats 3150, 6430, 9120, 9160 en 91E0. Bijkomend aandacht voor behoud van bestaande verbindingen, en waar nodig uitbreiding van en verbinding tussen bossen en foerageergebieden.
Doel winter: Behoud, inrichten en verbeteren van winterverblijven.

Doel = =/+
Kamsalamander Omschrijving

Behoud van de huidige populatie. Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied waarbij gestreefd wordt naar een minimum van 50 adulte individuen per populatie in Sigmagebieden 35 (overlap met deelgebied 21 van SBZ-H BE2300044) 36 en 37 (overlap met deelgebied 19 van SBZ-H BE2300044).

Goede staat van instandhouding met betrekking tot water- (telkens > 5 poelen per deelgebied) en landhabitat. Opheffen van migratiebarrieres en aanleg of herstel van diepe poelen die niet droogvallen in de zomer. Verbetering van de kwaliteit van het omringende landschap (kleinschalige landschapselementen, struwelen,..) om de connectiviteit te verbeteren.

Doel + +
Kleine modderkruiper Omschrijving

Uitbreiden van de huidige populatie tot een goede staat en uitbreiding van het areaal in de SBZ-H BE2300006.

Goede waterkwaliteit in estuarium en waterlopen in de vallei.
Goede connectiviteit (voor vissen) tussen het estuarium en waterlopen in de vallei.
Laagdynamisch ondiep subtidale zones in het estuarium en voldoende structuurdiversiteit in estuarium en ander waterlopen.

Doel =
Kleine zwaan Omschrijving

Behoud van de huidige populatie.
De kleine zwaan overwintert jaarlijks in schommelende maar meestal kleine aantallen op Blokkersdijk. Behoud en optimaal beheer van de stilstaande wateren in de Blokkersdijk is wenselijk.

Doel + +
Kluut Omschrijving

Uitbreiden van de huidige populatie (150-200 broedparen) tot een goede staat met 350 broedkoppels in Prosperpolder-noord en Doelpolder.

Streven naar een goede habitatkwaliteit door inrichting van potentieel broed- en foerageerhabitat.

Doel =
Kokmeeuw Omschrijving

Behoud van de huidige populatie.
Gemiddeld worden 3000-5000 kokmeeuwen geteld bij de maandelijkse boottellingen van het INBO op het Schelde-estuarium, de maxima variëren van 5000 tot 11000 exemplaren. De voorziene wetlands en estuariene gebieden in het Sigmaplan zullen de oppervlakte geschikt overwinteringshabitat doen toenemen.

Doel +
Kwak Omschrijving

Creatie van een populatie van 20 broedparen.
De oppervlaktebehoeften van deze soort zijn volledig vervat in de voorgestelde benodigde extra oppervlakte van roerdomp en porseleinhoen. Door de realisatie van de habitatdoelen en de oppervlakte extra leefgebied voor roerdomp en porseleinhoen zal ook de oppervlakte foerageer­habitat toenemen.

Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied, onder meer door verdere verbetering van de waterkwaliteit en behoud en ontwikkeling van moerasbos.

Doel + +
Kwartelkoning Omschrijving

Uitbouw van een populatie in gunstige staat met 40 paren.
Binnen de gebieden van het Sigmaplan moet 600–1200 ha extra oppervlakte leefgebied gerealiseerd worden, boven op de extra oppervlaktes leefgebied van Roerdomp en Porseleinhoen.

Streven naar een goede habitatkwaliteit door inrichting van voldoende grote graslandgebieden (> 30 ha) en een gepast maaibeheer (met late maaidatum)
Uitbreiding van habitattype 6510 met 232 – 475 ha en van habitattype 6430 met 38 – 68 ha. Een bijkomende oppervlakte leefgebied van 330 – 657 ha, bestaande uit mesofiele graslanden (RBB_hc, RBB_hu) en ruigten (RBB_hf).
Actieve bescherming van lokale broedparen door al dan niet tijdelijke beheerovereenkomsten met de betrokken landbouwers.

Doel + +
Lepelaar Omschrijving

Uitbouw van een populatie van 40 paren in gunstige staat.
Via gerichte ingrepen kunnen binnen de extra oppervlakte leefgebied voor roerdomp en porseleinhoen in de gebieden van het Sigmaplan potentiële broedplaatsen voor deze soort worden ingericht. Potentieel foerageergebied zal voldoende aanwezig zijn door de uitbreiding van habitattype 1130 en van de leefgebieden voor roerdomp en porseleinhoen..

Streven naar een goede habitatkwaliteit door inrichting van potentieel broed- en foerageerhabitat.

Doel = =
Poelkikker Omschrijving

Behoud van de soort op de actuele locaties. (Wijmeers)

Om de soort te kunnen behouden, is er nood aan een beter inzicht in het voorkomen van de soort en is een evaluatie van de soort in de tijd noodzakelijk.

Doel + +
Porseleinhoen Omschrijving

Uitbouw van een populatie in gunstige staat met 40 broedparen
Binnen de gebieden van het Sigmaplan moet 800-1200 ha extra leefgebied worden gerealiseerd.

Streven naar een goede habitatkwaliteit door inrichting van voldoende grote moerasgebieden (> 30 ha).
Het leefgebied bestaat uit een mozaïek van open water met oeverzones (RBB_ae), zeggemoerassen (RBB_mc) en natte mesofiele graslanden (RBB_hc, RBB_hu) en ruigten (RBB_hf) en de randen van rietmoerassen (RBB-mr) waaronder uitbreiding van habitattype 6430 met 13 – 14 ha.

Doel + +
Purperreiger Omschrijving

Vestiging van een populatie van 60 broedparen.
De oppervlaktebehoeften van deze soort zijn volledig vervat in de voorgestelde benodigde extra oppervlakte van roerdomp en porseleinhoen.

Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied

Doel + +
Rivierprik Omschrijving

Tot stand komen van een populatie in goede staat in Vlaanderen met het Schelde-estuarium als geschikte migratiecorridor.

De Schelde en haar zijrivieren functioneren als optimale migratiecorridor voor deze soort tussen zee en haar paaigebieden.
Een goede waterkwaliteit in het estuarium
Geen migratieknelpunten tussen het estuarium en de bovenlopen.

Doel + +
Roerdomp Omschrijving

Uitbreiden van de huidige populatie (0-1 broedpaar) tot een goede staat (20 broedkoppels) en uitbreiding van het areaal.
Binnen de gebieden van het Sigmaplan moet 540-900 ha extra leefgebied worden gerealiseerd.

Streven naar een goede habitatkwaliteit.
Grote aangesloten en voldoende natte rietlanden (> 50 ha) in combinatie met vis- en amfibierijke plassen en andere moerasvegetaties.

Doel =
Slobeend Omschrijving

behoud van het huidige populatieniveau (seizoensgemiddelde berekend over periode 2001/02 – 2006/07).
Geschikte herinrichting van diepe winningsputten in de Durmevallei zoals voorzien in het Sigmaplan, zal extra overwinteringshabitat voor slobeend opleveren.

Doel +
Waterrietzanger Omschrijving

Uitbreiding van geschikt leefgebied.
De nieuwe moerasgebieden die in het kader van het Sigmaplan zullen aangelegd worden ten behoeve van o.a. roerdomp en porseleinhoen zullen geschikt doortrekhabitat vormen.

Doel + +
Woudaap Omschrijving

Uitbreiden van de huidige populatie (0-2 broedparen) tot een goede staat met 20 broedkoppels.
De oppervlaktebehoeften van deze soort zijn volledig vervat in de voorgestelde benodigde extra oppervlakte van roerdomp en porseleinhoen.

Goede staat van het leefgebied door uitbreiding van bestaande en ontwikkeling van nieuwe riet- en moerasvegetaties tot grote aangesloten moerassen (> 10 ha).

SBZ ‘Schelde-en Durmeëstuarium buiten Sigma en NOP’ - boslandschap

In de SBZ ‘Schelde en Durmeëstuarium gebieden buiten Sigmaplan en NOP’, wordt het boslandschap beschouwd als bestaande uit habitattypes 9120 en 91E0 en 6430_boszomen. De SBZ-deelgebieden bevinden zich grotendeels in het rivierecosysteem van de Schelde zodat de meeste bossen behoren tot het alluviaal bostype. De SBZ wordt als ‘essentieel’ beschouwd voor de types 91E0 en 6430 en ‘belangrijk’ voor 9120. Concreet kunnen enkele grote categorieën op vlak van doelstellingen onderscheiden worden voor de bossen:

  • 1. Kwaliteitsverbetering op vlak van structuur
    Dit van toepassing op beide SBZ-gebieden. Door het toepassen van een natuurgericht bosbeheer in bossen zal het aandeel aan dikke bomen, dood hout, gevarieerde randen en open plekken op termijn toenemen. Dit zijn maatregelen die veel van de habitattypische soorten en bijlagesoorten ten goede zullen komen. Een dergelijk natuurgericht beheer wordt voorzien in veel beheerplannen, voor bossen in eigendom van/beheerd door het ANB of de erkende terreinbeherende verenigingen. Bij andere openbare besturen en privé-bossen gelegen in VEN zal door toepassen van de CDB, ook de structuurdiversiteit op termijn nog toenemen. Ook de ontwikkeling van gevarieerde bosranden en –zomen zijn voor de SBZ van belang. Op de droge tot natte gronden is het van belang om gevarieerde bosranden en -zomen (o.a. habitattype 6430_subtype boszoom) te voorzien om kleine populaties van habitattypische soorten als Sleedoornpage, Levendbare hagedis, Hazelworm, Zomertortel, , etc… te kunnen realiseren. Meest geschikte zones op droge gronden zijn de steilere, zuidelijk gerichte hellingen, met mogelijke overgangen naar habitattype 6510 (zie verder). Op de rijkere natte bodemtypes zijn dergelijke randen en zomen van belang om optimale condities te creëren voor leefbare populaties van habitattypische soorten van natte ruigtes en graslanden (Rietgors, …) – evenals meer habitattypische soorten van lichtrijke natte bossen (Nachtegaal, Kleine IJsvogelvlinder).
  • 2. Realisatie van kwalitatief degelijke grote boshabitatkernen
    Naast een kwaliteitsverbetering van de bestaande alluviale boshabitats 91E0 in de SBZ ‘Schelde- en Durmeëstuarium buiten Sigma en NOP’ worden als doel plaatselijke versterkingen voorgesteld om de versnipperde kernen te versterken en beter te bufferen tegen invloeden van buitenaf. Volgende methoden kunnen de realisatie van deze boskernen bewerkstelligen:
    • A. Omvorming van bestaande ‘niet habitatwaardige’ bossen. In de door de Vlaamse overheid beheerde bossen en bossen in beheer van de erkende terreinbeherende verenigingen en in het kader van herstelprojecten worden maatregelen voorzien welke tot bijkomend habitat zullen leiden. 20-80% van de niet inheemse bestanden zal hier op termijn tot bijkomend habitat leiden. Via stimulerende maatregelen, kunnen ook privé-eigenaars ingezet worden om bijkomend habitat te realiseren. Zij kunnen een uitgebreid bosbeheerplan opstellen, waarbij ook de CDB dienen gevolgd te worden.
    • B. Bosuitbreiding. Het grootste aandeel voor realisatie van bijkomend habitat zal voor dit SBZ dienen te gebeuren via bosuitbreiding
  • 3. Het degelijk bufferen van kleinere boskernen en / of verbinden van kleinere boskernen
    Voor de kleinere boskernen van SBZ ‘Schelde en Durmeëstuarium gebieden buiten Sigma enNOP’ wordt ook een versterking van de aanwezige boskernen beoogd. Ter hoogte van deelgebied 42 Warandeduinen wordt het bostype 9120 in droge sfeer verder versterkt. In de overige gebieden gaat het over broekbostypes zoals ter hoogte van deelgebieden 29 Moer/Eikevliet en 55 Moer/Coolhembos die verder versterkt worden. Voor de deelgebieden 43-46 Damvallei en 56 Daknamse meersen wordt een versterking van de alluviale boskernen beoogd in overgang naar het grasland- en moeraslandschap.

Habitats - SBZ ‘Schelde-en Durmeëstuarium buiten Sigma en NOP’ - boslandschap

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel = +
2310 - Psammofiele heide met Calluna- en Genista-soorten Omschrijving

Actueel: 0,25 ha in deelgebied 42 in overgang naar 2330
Doel: Duurzaam behoud

Doel: Duurzaam behoud van het habitattype

Doel = +
2330 - Open grasland met Corynephorus- en Agrostis-soorten op landduinen Omschrijving

Actueel: 1,20 ha in deelgebied 42 in overgang naar 2310
Doel: Duurzaam behoud

Doel: Duurzaam behoud van het habitattype.

Doel + +
6430_bz - Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones subtype boszoom Omschrijving

Doel: 1/10 van bosranden ontwikkelen als goed ontwikkelde boszomen, voornamelijk van alluviale en broekbossen (habitats 9130 en 91E0) [Voor het habitattype wordt geen oppervlaktedoel geformuleerd, aangezien deze bij de oppervlaktedoelen van de andere boshabitats gerekend wordt].

Doel: Voldoende tot goede staat van instandhouding, met mantelzoomvegetaties van meer dan 5 meter breedte. De vegetatie heeft geleidelijke overgangen van kruidige delen (zoom) via struwelen (mantel) naar aangrenzend bos met de aanwezigheid van habitattypische planten- en diersoorten.

Doel = +
9120 - Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei (Quercion robori-petraeae of Ilici-Fagenion) Omschrijving

Actueel: 10,7 ha
Doel: behoud van de huidige oppervlakte

Doel: Behoud van actueel aanwezige oppervlakte met plaatselijke versterkingen

Doel + +
91E0 - Alluviale bossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) - alle subtypes Omschrijving

Actueel : 125 ha
Doel: (alle subtypes)+ 69 ha tot een totale oppervlakte van 194 ha.
Van de totale toename in SBZ-H BE2300006 (incl. IHD-Z, zie Landschap: IHD-Zeeschelde) van 295 ha is een richtwaarde van 106 ha door uitbreiding.

Doel: Voldoende staat van instandhouding voor de aanwezige sybtypes.

Doel + +
91E0_vm - subtype mesotroof elzenbroek Omschrijving

Actueel: 102 ha
Doel: zie bij 91E0

Doel: Voldoende staat van instandhouding.
Optimalisatie van de hydrologie in deelgbied 55 Coolhembos
Herstel van een meer natuurlijke hydrologie in deelgbied 29 Moer/Eikevliet

Doel + +
91E0_vn : subtype eutroof elzenbos Omschrijving

Actueel: 23 ha
Doel: zie bij 91E0

Doel: Voldoende staat van instandhouding.

SBZ ‘Schelde-en Durmeëstuarium buiten Sigma en NOP’ - grasland- en moeraslandschap

Het grasland-en moeraslandschap wordt beschouwd als een samenhangend complex van bloemrijke hooilanden (6510), schralere graslandtypes (6410, 6230) en natte ruigtes (6430) Tevens worden eutrofe plassen (3150) en drijftillen (7140) toegevoegd.

De SBZ BE2300006 ‘Schelde- en Durmeëstuarium gebieden buiten Sigma en NOP’ is in de G-IHD als ‘essentieel’ voor het habitattype 6430, 6510, 7140 en 91E0, ‘zeer belangrijk’ voor het habitattype 3150 en 6410, en ‘belangrijk’ voor het habitattype 2310, 2330 en 9120 aangeduid. Er is een kennislacune voor wat het habitattype 6230 betreft. Momenteel komen deze habitattypes in beide SBZ sterk versnipperd voor.

De aanwezigheid van een aantal grotere grasland- en moerascomplexen is noodzakelijk voor de instandhouding van habitattypische soorten gebonden aan deze bloemenrijke graslanden en moerassen, waarbij voor zowel insectenfauna als habitattypische vogelsoorten zoals Paapje, Rietgors, Sprinkhaanzanger, IJsvogel en Slobeend duurzame leefgebieden gecreëerd worden.

Binnen de deelgebieden dient in eerste instantie zorg besteed te worden aan de kwaliteitsverbetering van de aanwezige grasland- en moerashabitats.

In de SBZ ‘Schelde- en Durmeëstuarium, gebieden buiten Sigma en NOP’ worden een 3-5 tal kernen van grasland en moerasvegetaties tot doel gesteld met telkens een oppervlakte van 30-40 ha in de volgende deelgebieden :

  • Deelgebied 43-46 Damvallei : met 2-3 kernen van 30-40 ha elk, met volgende habitattypes : 6410 blauwgrasland (subtype veldrusassociatie), 6230 heischraal grasland en 6510 glanshavergrasland. Ook het zeldzame habitattype 7140 overgangsveen en drijftil (subtype 7140_mrd ‘varen- en/of (veen)mosrijke rietlanden op drijftillen en subtype 7140_meso ‘mineraalarm, circum-neutraal overgangsveen);plaatselijk ook in overgang naar alluviaal bos wordt als doel vooropgesteld.
  • Deelgebied 56 Daknamse meersen : met 1-2 kernen van minimum 30-40 ha met habitattypes 6230 droog heischraal grasland, 6430 natte ruigte en 6510 glanshavergrasland, 7140 overgangsveen en drijftil (subtype 7140_meso ‘mineraalarm, circum-neutraal overgangsveen); plaatselijk in overgang naar alluviaal bos. Ook regionaal belangrijke biotopen moerasspirearuigte, dotterbloemhooiland, kleine zeggenvegetatie en rietland in functie van voldoende oppervlakte voor de nu reeds voorkomende fauna, zoals Ooievaar, Slobeend, Blauwborst en IJsvogel die het gebied actueel reeds gebruiken als broed-, foerageer- en rustgebied. Ook Wespendief foerageert hier.

Daarnaast zijn in de SBZ-gebieden plaatselijk potenties aanwezig voor de verdere ontwikkeling van het habitattype 3150 (eutrofe plassen). Deze situeren zich in deelgebieden 43-46 Damvallei en 56 Daknamse meersen en kunnen bijdragen aan een duurzame instandhouding van de populaties Kleine modderkruiper en Bittervoorn en als foerageergebied voor o.a. IJsvogel.

Habitats - SBZ ‘Schelde-en Durmeëstuarium buiten Sigma en NOP’ - grasland- en moeraslandschap

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel =
3150 - Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition Omschrijving

Actueel: max. 24 ha
Doel: duurzaam behoud van het habitattype in deelgebieden 43-46 Damvallei en 56 Daknamse meersen

Doel =
6230 - Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa) Omschrijving

Actueel: ca 1,4 ha
Doel: duurzaam behoud in deelgebieden 43-46 Damvallei

Doel +
6410 - Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Eu-Molinion), Veldrustype Omschrijving

Actueel: ca 6,9 ha
Doel: Behoud van de actuele oppervlakte in Coolhembos, + 2 ha in deelgebied 43-46 Damvallei en deelgebied 56 Daknamse meersen door omvorming van bestaande graslanden reeds in natuurbeheer door een natuurbeherende vereniging.

Doel =
6430 - Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones, subtype natte ruigte Omschrijving

Actueel: 23 ha
Doel: duurzaam behoud in deelgebieden 43-46 Damvallei en 56 Daknamse meersen. Plaatselijk herstel van samenhangende hooiland- en moerascomplexen met hoge faunawaarde van 30-40 ha.

Doel +
6510 - Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis), subtype Glanshavergraslanden (Arrhenaterion) Omschrijving

Actueel: 3 ha
Doel: + 4 ha door uitbreiding in deelgebieden 43-46 Damvallei en 56 Daknamse meersen. Plaatselijk herstel van samenhangende hooiland- en moerascomplexen met hoge faunawaarde van 30-40 ha.

Doel +
7140 – Overgangs- en trilveen, subtype 7140_meso en subtype 7140_drijftil Omschrijving

Actueel : 0,5 ha
Doel: + 1 ha ha door uitbreiding in deelgebieden 43-46 Damvallei en 56 Daknamse meersen.

Soorten - SBZ ‘Schelde-en Durmeëstuarium buiten Sigma en NOP’

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel =/+ +
Bittervoorn, Kleine modderkruiper Omschrijving

Behoud van de huidige populaties en areaal, met een mogelijke toename.

Voldoende tot goede staat van instandhouding. Streven naar een verbetering van de waterkwaliteit (traagstromende wateren) en een toename van de waterplantenvegetatie.

Doel =/+ +
Brandts vleermuis/Gewone baardvleermuis, Gewone/Grijze grootoorvleermuis Omschrijving

Instandhouding of groei van de populaties.

Instandhouding, herstel en ontwikkeling van lijnvormige KLE’s als verbinding tussen foerageergebieden. Behoud en verbetering habitatkwaliteit voor zomerkolonies (holle bomen, vervangen ongewenste loofhoutsoorten). Specifieke inrichting (kerk)zolders.

Doel + +
Franjestaart, Meervleermuis, Rosse vleermuis, Ruige dwergvleermuis, Watervleermuis Omschrijving

Aanwezigheid van zomerkolonies van de soorten, met jaarlijks zwangere wijfjes en/of juvenielen. De aanwezigheid van duurzame populaties van elk van deze soorten wordt nagestreefd.

Verhoging van structuurdiversiteit in de bossen. Behoud en verbetering kwaliteit waterpartijen. Behoud en uitbreiding van verbindingen en lijnvormige, landschapselementen. De doelen worden gerealiseerd in het kader van doelen habitats 6430, 9120, 9130 en 91E0.

Doel = =/+
Gewone dwergvleermuis, Kleine dwergvleermuis, Laatvlieger Omschrijving

Instandhouding van de actuele populatie.

Instandhouding, herstel en ontwikkeling van lijnvormige KLE’s. Specifieke inrichting (kerk)zolders.

2.2 Prioritaire inspanningen

In samenhang met de hoger beschreven doelstellingen is in het S-IHD-besluit door de Vlaamse Regering een aantal prioritaire inspanningen vastgesteld. Dit is een globale omschrijving van de acties die noodzakelijk zijn voor de realisatie van deze doelstellingen. Voor de uitvoering van de prioritaire inspanningen zijn vaak meerdere acties nodig. Hoofdstuk 4 van dit voortgangsdocument (Inspanningsmatrix) geeft de concrete acties weer die uitvoering geven aan deze prioritaire inspanningen.

3 Oppervlaktebalans

Dit hoofdstuk geeft de stand van zaken weer van de realisatie van de taakstelling, met name van de oppervlaktedoelen, op basis van het passend beheer. Het passend beheer is wettelijk gedefinieerd in het Instandhoudingsbesluit van 20 juni 2014. Het is de oppervlakte waarvoor in een natuurbeheerplan of daarmee vergelijkbaar plannen of overeenkomsten, een of meer Europees te beschermen habitattype(s) of een leefgebied van een of meer Europees te beschermen soort(en) als natuurstreefbeeld is vastgesteld. 

De oppervlaktebalans in dit voortgangsdocument is enkel opgemaakt voor de Europees te beschermen habitats, op basis van de inventarisatie van het terreinbeheer door het ANB, verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen (met name Natuurpunt vzw, vzw Durme en Limburgs Landschap vzw). Voor leefgebieden van Europees te beschermen soorten was dergelijke inventarisatie niet mogelijk met de bestaande gegevens, zodat een oppervlaktebalans per Europees te beschermen soort niet opgenomen is. 

Onderstaande tabel geeft per Europees te beschermen habitat:

  • De habitat code: de code van het habitat waarvoor een doel is gesteld (zie §2.1 'Doelen', voor de benaming en beschrijving);
  • Het totaal doel: de tot doel gestelde oppervlakte per habitat;
  • Het passend beheer: de oppervlakte met passend beheer zoals vastgesteld in een goedgekeurd natuurbeheerplan of daarmee vergelijkbare plannen of overeenkomsten;
  • De openstaande taakstelling: de oppervlakte die wordt berekend als het verschil tussen het totaal doel en de oppervlakte met passend beheer.

In de oppervlaktebalans worden alle oppervlakten weergegeven in hectare, tenzij anders aangegeven. De tabel geeft de situatie in februari 2017 weer.

4 Inspanningsmatrix

Dit hoofdstuk formuleert de acties die uitvoering geven aan de prioritaire inspanningen die vastgesteld werden in het S-IHD-besluit. Daarbij wordt op basis van het Vlaams Natura 2000-programma 2016-2020 aangegeven welke acties behoren tot het bindend deel van de taakstelling (zie hoofdstuk 1). De overige acties behoren tot het richtinggevend deel van de taakstelling. 

Elke actie wordt in onderstaande tabel beschreven, met volgende rubrieken:

  • Nr. actie: het nummer van de actie is een samenstelling van het nummer van de prioritaire inspanning en het nummer van de actie zelf. 
  • Omschrijving actie: geeft beknopt aan wat er moet gebeuren, waarom, met welk resultaat en waar.
  • Prioritaire inspanning: de prioritaire inspanning waaraan deze actie invulling geeft. Vanaf prioritaire inspanning 100 worden acties weergegeven die niet onder de prioritaire inspanningen van hoofdstuk 2.2 vallen. Deze acties zijn toegevoegd aan het voortgangsdocument, aanvullend op de prioritaire inspanningen, omdat ze eveneens nodig zijn om tot de gunstige lokale staat van instandhouding te komen van de betreffende habitat(s) of soort(en).
  • Actie voor de verbetering van het natuurlijk milieu: indien in deze kolom een ‘ja’ staat, dan is deze actie ingeschreven voor de verbetering van het natuurlijk milieu als omschreven in hoofdstuk 5. 
  • Deelgebied(en): de deelgebieden waar deze actie uitgevoerd zal worden. Indien in de tabel geen nummer van een deelgebied is opgegeven, is de actie van toepassing op de volledige SBZ. 
  • Habitats/soort(en): de Europees te beschermen habitat(s) en/of soort(en) waarvoor de actie ondernomen wordt. Het gaat om habitats en soorten waarvoor doelen opgenomen zijn in het S-IHD-besluit en om (cursief aangegeven) habitattypische soorten. Habitattypische soorten zijn kenmerkend voor één of soms meerdere habitattypes. Een habitattype kan enkel in een regionaal gunstige staat van instandhouding verkeren als binnen Vlaanderen ook de habitattypische soorten gelinkt aan dit habitattype in een regionaal gunstige staat van instandhouding verkeren. Meer gedetailleerde informatie over habitattypische soorten is beschikbaar in referenties 1, 2 en 3 (zie hoofdstuk 8).
  • Trekker: de organisatie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de actie.
  • Andere betrokkenen: de organisaties of actoren die betrokken zijn bij de actie, als uitvoerder, omwille van mogelijke impact, het leveren van kennis,…
  • Timing: het moment waarop de uitvoering van de actie start. Kan pas ingevuld worden indien de status ‘gepland’ of ‘in uitvoering’ is.
  • Status: hierbij is onderscheid gemaakt tussen:
    • Op te starten: de actie is benoemd maar nog niet opgestart.
    • In onderzoek: het plan of project voor de uitvoering van de actie is in ontwikkeling. Een trekker is aangeduid en gestart met de voorbereiding van het plan of project .
    • Plan in opmaak: de opmaak van het uitvoeringsplan is gestart. 
    • Plan beschikbaar: het uitvoeringsplan is afgerond en door de betrokken partijen goedgekeurd. De uitvoering ervan moet nog opgestart worden. 
    • In uitvoering: de actie wordt momenteel uitgevoerd.
    • Uitgevoerd: de uitvoering van de actie is beëindigd.
    • Stopgezet: de uitvoering van de actie is stopgezet zonder dat ze helemaal is beëindigd; er is geen plan om ze terug op te starten.
  • Bindend: deze lijn verschijnt enkel als de actie deel uitmaakt van het bindend deel van de taakstelling (zie hoofdstuk 1). Hierbij is onderscheid gemaakt tussen:
    • Stand still: actie noodzakelijk voor de stand still of het tegengaan van achteruitgang.
    • 2020: actie noodzakelijk voor het bereiken van een gunstige of verbeterde staat van instandhouding voor 16 habitats tegen 2020.
    • Deelgebied(en): de deelgebied(en) waarvoor de actie bindend is (sommige acties zijn bindend voor een deelgebied maar richtinggevend voor een ander).
    • Habitats/soorten: de habitats en/of soorten waarvoor de actie bindend is (sommige acties zijn bindend voor een habitat en/of soort maar richtinggevend voor andere habitats en/of soorten).

De tabel geeft de situatie weer in augustus 2017.

5 Overzichtkaart

De overzichtskaart biedt informatie voor en een stand van zaken over de realisatie van de doelen voor deze SBZ. De verschillende onderdelen zijn te consulteren via een geoloket.

 

 5.1 Synthesekaart

De synthesekaart biedt een samengesteld, vereenvoudigd overzicht van de actuele Europees te beschermen habitats en de oppervlaktes Europees te beschermen habitats onder passend beheer (zie hoofdstuk 3).

In het geoloket wordt de synthesekaart weergegeven met dit symbool 

5.2 Situering van de actuele Europees te beschermen habitats

De kaarten ‘Actueel habitat’ geven indicatief de ligging van de actuele Europees te beschermen habitats in deze SBZ weer, op basis van referentie 9 (zie hoofdstuk 6). De kaart ‘Actueel habitat overzicht’ geeft een overzicht alle actuele habitats. De kaarten ‘Actueel habitat per cluster’ en ‘Actueel habitat per habitat’ maken de actuele habitats respectievelijk in clusters van verwante habitats en voor elk habitat apart zichtbaar.

In het geoloket wordt de kaart: 

  • actueel habitat overzicht weergegeven met dit symbool   
  • actueel habitat per cluster met dit symbool  
  • actueel habitat per habitat met dit symbool 

5.3    Situering van de gebieden beheerd met het oog op de realisatie van de doelen

De kaarten ‘Passend beheer’ (voor definitie, zie hoofdstuk 3) geven indicatief weer welke oppervlaktes Europees te beschermen habitats onder passend beheer zijn bij het ANB, verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen (zie hoofdstuk 3). De kaart ‘Passend beheer overzicht’ geeft het overzicht van alle oppervlaktes onder passend beheer voor habitats. De kaarten ‘Passend beheer per cluster’ en ‘Passend beheer per habitat’ maken de oppervlaktes onder passend beheer respectievelijk in clusters van verwante habitats en voor elk habitat apart zichtbaar.

De huidige kaart geeft de situatie weer in februari 2017.

In het geoloket wordt de kaart :

  • oppervlakte onder passend beheer overzicht weergegeven met dit symbool 
  • oppervlakte onder passend beheer per cluster weergegeven met dit symbool 
  • oppervlakte onder passend beheer per habitat weergegeven met dit symbool 

5.4 Situering van de vegetaties relevant als leefgebied voor Europees te beschermen soorten

Omdat voor de vegetaties relevant als leefgebied voor Europees te beschermen soorten geen terreininventarisatiegegevens bestaan, werd deze kaart opgemaakt door middel van een ruimtelijk model. Dit model werkt op basis van de ecologische karakteristieken van de soort, aangevuld met actuele verspreidingsgegevens en de verbreidingscapaciteit van de soort. De bekomen afbakening vormt op dit moment de best beschikbare benadering van de actuele leefgebieden van de betreffende soorten. Voor een gedetailleerde beschrijving van de methodiek wordt verwezen naar referenties 4, 5 en 6 (zie hoofdstuk 6).

De opmaak ervan was niet voor alle Europees te beschermen soorten mogelijk omdat

  • een aantal mobiele soorten zeer ruime en weinig gedifferentieerde leefgebieden kent (bv. slechtvalk, kokmeeuw);
  • voor de leefgebiedkarakteristieken van bepaalde soorten geen (gebiedsdekkende) kaartlaag voorhanden is (bv. bittervoorn en kleine modderkruiper);
  • voor een aantal soorten de wetenschappelijke kennis en de beschikbare data ontoereikend zijn (bv. vleermuizen).

In het geoloket worden de leefgebieden weergegeven met de symbolen symbool leefgebieden voor het overzicht,  Synthesekaart Groepen voor de groepen en symbool leefgebieden voor de soorten, en dit enkel voor soorten waarvoor de opmaak van de kaarten mogelijk was en waarvoor doelen zijn ingeschreven in het S-IHD-besluit.

5.5 Situering van de aanwezigheid van habitattypische soorten

Onderstaand overzicht geeft indicatief weer welke habitattypische soorten actueel voorkomen per deelgebied op basis van referenties 7 en 8 (zie hoofdstuk 6). Habitattypische soorten zijn soorten die kenmerkend zijn voor één of soms meerdere habitattypes. Voor het bereiken van de regionaal gunstige staat van instandhouding van het habitat, moeten de populaties van de habitattypische soorten, verbonden aan dat habitat, ook in een regionaal gunstige staat van instandhouding worden gebracht of gehouden. Meer gedetailleerde informatie over habitattypische soorten is beschikbaar in referenties 1, 2 en 3 (zie hoofdstuk 6).

 

6 Referenties

1.:  Geert De Knijf, Desiré Paelinckx (2012). Typische faunasoorten van de verschillende Natura 2000 habitattypes, in functie van de beoordeling van de staat van instandhouding op niveau Vlaanderen (ref. INBO.A.2013.139)

2.: Adriaens, Dries; Adriaens, Tim; Ameeuw, Griet (2008). Ontwikkeling van criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de habitattypische soorten (ref. INBO.R.2008.35)

3: Adriaens, P. & Ameeuw, G. (red) (2008). Ontwikkeling van criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de vogelrichtlijnsoorten.  D/2008/3241/287 (ref.INBO.R.2008.36)

4.: Maes et al. (2015). Afbakenen van potentiële leefgebiedenkaarten voor Europese en Vlaamse prioritaire soorten in het kader van de voortoets. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2015. (versie 2.0). (ref. INBO.R.2015.10201559). 

5: : Maes D., Anselin A., De Knijf G., Denys L., Devos K., Gouwy J., Leyssen A., Packet J., Pauwels I., Pollet M., Speybroeck J., Stienen E., Thomaes A., T’jollyn F., Van Den Berge K., Van Landuyt W., Van Thuyne G., Vermeersch G. & Verhaeghe F. (2017). Afbakenen van actueel relevant potentieel leefgebied voor een selectie van Europees prioritaire soorten. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2017 (30) (ref. INBO.R.12602606 . Brussel: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

6.: Dirk Maes, Koen Devos, Anny Anselin, Eric Stienen, David Buysse, Ine Pauwels & Thierry Onkelinx (2016). Advies over de leefgebiedenkaarten van Natura 2000-soorten (ref. INBO.A.3415)

7.: De Knijf, Geert; Vermeersch, Glenn (datum). Advies over de actuele verspreiding van de habitattypische soorten per SBZ-H deelgebied - deel fauna (ref. INBO.A.3233)

8.: Van Landuyt, Wouter; De Knijf, Geert (2014). Advies over de verspreiding van de habitattypische soorten per SBZ-H deelgebied - deel flora (ref. INBO.A.3192)

9. De Saeger, S., Guelinckx, R., Oosterlynck, P., De Bruyn, A., Debusschere, K., Dhaluin, P., ... Paelinckx, D. (2020). Biologische Waarderingskaart en Natura 2000 Habitatkaart, uitgave 2020. (Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek; Nr. 35). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. https://doi.org/10.21436/inbor.18840851