In onderstaande tabel met de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied worden doelstellingen voor enerzijds het gedeelte dat habitatrichtlijngebied is en anderzijds het gedeelte dat 'zuiver vogelrichtlijngebied' (lees enkel vogelrichtlijngebied maar geen habitatrichtlijngebied) is, niet onderscheiden, maar geïntegreerd. Aan de drie criteria die tegelijk vervuld dienen te zijn om deze doelen voor beide ruimtelijk afgebakende gebieden van elkaar te onderscheiden, werd immers niet voldaan. De drie criteria zijn:
- het zuiver vogelrichtlijngebied handelt over een relevante oppervlakte;
- het betreft in dit gebied relevante doelstellingen en;
- de doelstellingen die in het gedeelte dat zuiver vogelrichtlijngebied is, gerealiseerd dienen te worden, zijn (reeds in dit stadium) bekend.
Gezien de oppervlakte (9.664 ha) en diversiteit van dit habitat- en vogelrichtlijngebied zijn doelentabellen opgemaakt per landschappelijke eenheid. Een landschappelijke eenheid is een aangesloten geografisch gebied bestaande uit gelijkaardige geomorfologische kenmerken, waarin de verschillende habitattypen en soorten in een samenhangend complex voorkomen. Er zijn doelentabellen opgemaakt voor de landschappelijke eenheid:
- Landschap voor de het valleicomplex van de Zwarte beek (1.324 ha)
- Landschap van de heide, vennen en bossen op en rond het Kamp van Beverlo (6.905 ha)
- Landschap van Dommel en Bolisserbeek (822 ha)
- Landschap van de Grote Nete (613 ha)
Daarnaast zijn er doelen voor soorten, waarvan hun leefgebied zich uitstrekt over de verschillende landschappen of die voorkomen in de verschillende landschappen. Voor Vleermuizen zijn afzonderlijke doelen per soort minder zinvol.
Het betreft volgende soorten, waarvoor de SBZ op Vlaams niveau essentieel tot zeer belangrijk is:
- Beekprik
- Knoflookpad
- Heikikker
- Rugstreeppad
- Gladde slang
- Wespendief
Voor Nachtzwaluw is de SBZ eveneens essentieel, gezien groot aantal voorkomende broedkoppels (meer dan 100 ex.) Als belangrijke soorten ijsvogel, blauwborst, kamsalamander, zwarte specht. Grauwe kiekendief is in de G-IHD opgegeven als kennislacune voor deze SBZ-V. Nochtans is het Kamp van Beverlo samen met het Schietveld van Houthalen-Helchteren het enige heideterrein in Vlaanderen waar de soort de afgelopen decade verschillende malen gebroed heeft.
Uitgezonderd voor gladde slang is er géén extra leefgebied noodzakelijk voor de verschillende soorten. De soorten liften mee met de habitatdoelen, die ingebed zijn in een matrix van soortenrijke graslanden en regionale belangrijke biotopen. De actuele oppervlakte soortenrijke graslanden en regionale belangrijke biotopen bedraagt meer dan 1300 ha. Behoud en kwaliteitsverbetering van de habitats, soortenrijke graslanden en regionale belangrijke biotopen is nodig voor het realiseren van goede kwaliteit van de leefgebieden van wespendief, grauwe kiekendief, blauwborst in het richtlijngebied.
Doelstellingen op hoofdlijnen
Het richtlijngebied heeft een totale oppervlakte van 9.664 ha, waarvan het grootste deel bestaat uit het Militair domein van Kamp Beverlo met uitgestrekte heide en boscomplexen. Dit groot natuurcomplex wordt doorsneden door de beekvalleien van de Zwarte beek, Grote Nete, Grote beek en Broekbeek. Via het brongebied van de Zwarte beek sluit het kerngebied aan op de smalle beekvalleien van Dommel en Bolisserbeek met waardevolle valleibossen en veldrusgraslanden. De aangrenzende beekvalleien van de Helderbeek, Broekbeek en Grote beek zijn belangrijke foerageergebieden en natuurlijke verbindingen naar andere natuurkernen. Door de uitgestrekte oppervlakte bossen en heide, die overgaan naar aangrenzende beekvalleien met laagveen, natte schraalgraslanden en valleibossen, is het een Vlaams kerngebied voor bedreigde habitats en soorten van voedselarme biotopen.
Het SBZ is op Vlaams niveau essentieel tot zeer belangrijk voor een reeks van soorten en habitattypes waaronder:
- Landduinen en heide: habitattypen 2310 psammofiele heide, 2330 open vegetaties op landduinen, 4010 vochtige heide, 4030 droge heide en 7150 slenkvegetaties, nachtzwaluw, boomleeuwerik, gladde slang, heikikker
- Soorten van overgangen van grote heidegebieden naar extensief landbouwgebied; velduil; grauwe kiekendief, knoflookpad
- Beken: habitat 3260 en beekprik
- Vennen en laagveen (habitat 3160, rugstreeppad, gevlekte witsnuitlibel)
- Laagveen (habitattype 7140)
- Schrale graslanden: heischrale graslanden (habitat 6230)
- Natte ruigten (6430)
- Loofbossen: habitattype 9190 oud zuurminnend eikenbos, habitattype 91E0 oligotrofe en mesotrofe alluviale broekbossen, wespendief
Het behoud en versterken van deze habitats vormt een belangrijke doelstelling. Daarnaast moet het gebied ook functioneren als brongebied voor flora en fauna van heide, laagveen en schrale graslanden om op Vlaams niveau tot duurzame populaties te komen (nachtzwaluw, boomleeuwerik, heikikker, rugstreeppad en habitattypische soorten watersnip, gentiaanblauwtje).
Om deze natuurwaarden te versterken, wordt nagegaan wat het meest nodig is: een kwaliteitsverbetering van de habitat, verbinding naar andere gebieden of vergroten van de habitats?
Grootte
Actueel zijn er ongeveer 3.100 ha heide, vennen en landduinen aanwezig, waarvan veruit het grootste deel in Kamp Beverlo. Dit is op Vlaams niveau veruit de grootste oppervlakte en voldoet in principe voor de meest kenmerkende heidesoorten zoals nachtzwaluw, boomleeuwerik, gladde slang, heikikker, rugstreeppad. Voor de meest kritische broedvogels van grootschalige heidegebieden zoals velduil, grauwe kiekendief, korhoen is de oppervlakte echter een beperkende factor. De grote open ruimten worden vaak onderbroken door zones met naaldbos of verboste beekvalleien. In combinatie met het aangrenzende Schietveld van Helchteren biedt dit gebied op Vlaams niveau unieke mogelijkheden om voldoende grote en onverstoorde broedgebieden voor deze ruimte-eisende soorten te herstellen. Hiervoor moet vooral ingezet worden op omvorming van interne bosbarrières en herstel van overgangen van het grootschalig open heidelandschap naar open beekvalleien en extensieve landbouwgebieden met schrale graslanden en akkers. De noodzakelijke rust voor deze broedvogels kan gecombineerd worden in de militaire domeinen via de afspraken van het samenwerkingsprotocol tussen ANB en Defensie. Een toename van heide, vennen en landduinen betreft ongeveer 700 ha.
Voor laagveen stellen de G-IHD expliciet dat het grootste deel van de oppervlakte-uitbreiding in deze SBZ dient gerealiseerd te worden: hiermee herstelt men een intact veenlichaam dat tevens groot genoeg is als leefgebied voor porseleinhoen en habitattypische soorten als watersnip. In functie daarvan dient de oppervlakte laagveen te verhogen met 188 ha.
Voor de overige habitattypes zijn in principe voldoende grote oppervlaktes aanwezig, behalve voor alluviaal bos. Het betreft een einddoel van 427 ha met een richtwaarde van 96 ha bosuitbreiding. Voor de veldrusgraslanden is een toename door omvorming van 3 ha in de Dommelvallei opgenomen.
Kwaliteit
De kwaliteit van de meeste habitats is actueel onvoldoende. In combinatie met de vaak versnipperde ligging is een belangrijk deel van de oppervlakten actueel niet geschikt is als leefgebied voor de meest kwetsbare fauna en flora van heide, schrale graslanden en laagveen. Bij de habitats van heide, vennen en landduinen zijn de belangrijkste knelpunten vergrassing, verbossing en het ontbreken van typische plantensoorten in de oevers van vennen en een laag aandeel van pioniersvegetaties op landduinen. Via gericht natuurbeheer kan de kwaliteit van deze habitats nog sterk verbeteren en kunnen lokaal te kleine open habitats uitgebreid worden. Herstel van het grootschalig open heidelandschap moet eveneens zorgen voor een kwaliteitsverbetering door minder snelle verbossing, een betere winddynamiek en verhoogde grondwaterinfiltratie. Dit is positief voor pioniersvegetaties van landduinen en vennen, en voor een verhoogde grondwatervoeding naar kwelzones met laagveen en alluviale broekbossen.
In de beekvalleien van de Zwarte beek, Grote Nete en Dommel streeft men naar herstel van samenhangende laagveenkernen, die kunnen functioneren als leefgebied voor porseleinhoen, grauwe klauwier, blauwborst en een Vlaamse kernpopulatie van de habitattypische soort watersnip. Herstel van laagveen vergt aaneengesloten beekdalen met een natuurlijke waterhuishouding en geen invloed van nutriënten. Concreet streeft men hiervoor naar complexen van kleine zeggevegetaties, dottergraslanden, moerasspirearuigten en natte ruigten, die overgaan naar heischrale graslanden en kamgraslanden op de valleiflanken. In het samenvloeiingsgebied van Dommel en Bolisserbeek moeten de habitats van veldrusgraslanden eveneens uitbreiden tot een duurzaam in stand te houden oppervlakte en ingebed worden in een halfnatuurlijke vallei met valleibossen, laagveen en extensieve graslanden.
Ook de beekhabitats vormen een belangrijk onderdeel van deze valleien: de Zwarte beek herbergt de grootste populatie van beekprik in Vlaanderen maar het leefgebied is sterk ingekrompen door beekruimingen en negatieve impacten van onnatuurlijke piekdebieten en waterverontreiniging door intensieve landbouw in het brongebied. Herstel van een natuurlijk beekregime en een hoge waterkwaliteit zijn noodzakelijk voor duurzame instandhouding van deze soort, dit ook voor habitattypische soort bosbeekjuffer. Op lange termijn streeft men ook naar hervestiging van beekprik in de Dommel, Bolisserbeek en Grote Nete.
De valleibossen ontstonden spontaan door verbossing van beekdalhooilanden en hebben door hun relatief jonge leeftijd doorgaans nog een zwak ontwikkelde structuur. Lokaal zorgen zones met verspreide weekendverblijven voor versnippering en verstoring van de waterhuishouding. Op het niveau van de SBZ streeft men globaal naar een toename van de actuele oppervlakte van circa 286 ha valleibos. Lokaal habitatverlies van elzenbroekbos in functie van laagveenherstel wordt elders gecompenseerd door natuurlijke verbossing.
De bossen op de hogere plateaus bestaan grotendeels uit dennenaanplanten, met een laag aandeel inheems loofhout, een zwak ontwikkelde structuur en te weinig dood hout. Loofboshabitats van eikenberkenbos en zuur beukenbos liggen erg versnipperd en bereiken nergens een oppervlakte die voldoet aan het MSA. Het richtlijngebied heeft door de grote oppervlakte voedselarme, ongestoorde podzolzandgronden op Vlaams niveau belangrijke potenties voor toename van eikenberkenbossen. Voor de bossen op het militair domein, wordt maximaal ingezet op omvorming van naaldhout naar inheems loofbos en een sterke verbetering van de habitatkwaliteit, onder meer voor habitattypische soort kleine ijsvogelvlinder. Hierdoor zal de oppervlakte droge loofboshabitat toenemen van circa 247 ha naar een einddoel van 1643 ha met een richtwaarde van 351 ha bosuitbreiding.
Voor een duurzame instandhouding van de laagveenhabitats, alluviale bossen, heischrale graslanden, populatie beekprik en het beekhabitat 3260 zelf, is buffering noodzakelijk. Bepaalde maatregelen in land- en tuin- of bosbouwsector , zoals het toedienen van mest of gebruik van bestrijdingsmiddelen, hebben nadelige gevolgen voor een aantal habitattypes. Er moet vermeden worden dat (relicten van) habitattypes binnen deze SBZ verdwijnen of achteruitgaan door gebruik van bepaalde bestrijdingsmiddelen of door aanrijking. Dit moet verder opgevolgd word/gemonitord/onderzocht worden. De eutrofiëringsbronnen dienen afgebakend te worden zodat kostenefficiënte maatregelen ter remediëring kunnen worden opgestart.
Het betreft 15 ha landbouwgebruik in natuurgebied in de middenloop van de Zwarte beek, ongeveer 160 ha in de bovenloop van de Bolisserbeek en 170 ha in het brongebied van de Zwarte beek. Dit komt uit landbouwgebruik (gras)akkers. Er zal met de verschillende actoren in het brongebied Zwarte Beek gezocht/gemonitord/opgevolgd worden welke maatregelen het meest efficiënt zijn. Het brongebied van de Zwarte beek is gelegen binnen de SBZ ten oosten van de baan Hasselt-Eindhoven en omvat ook het gebied met toponiem Grote Heide, op de waterscheiding met de Bolisserbeek. Het wordt doorsneden door de oude spoorlijn (nu fietspad). Het brongebied volgt de begrenzing van het landschap van het valleicomplex van de Zwarte beek. De bovenloop van de Bolisserbeek is gelegen binnen de SBZ stroomopwaarts van Resterheide en volgt de begrenzing van het landschap van Dommel en Bolisserbeek. Het brongebied van de Zwarte beek (stroomopwaarts van de baan Hasselt-Eindhoven) heeft een oppervlakte van ongeveer 300 ha. De bovenloop van de Bolisserbeek heeft ook ongeveer een oppervlakte van 300 ha. Naast de doelen die in dit gebied gerealiseerd worden door omvorming en uitbreiding, het behoud en de kwaliteitsverbetering van graslanden en regionale biotopen komt er nog een aanzienlijke oppervlakte akkers voor.
Buffering omvat stopzetten van nutriëntenaanvoer en pesticidengebruik, herstel van de bodem tot gewenst trofieniveau, het bouwvrij houden van het gebied, opheffen van drainage en herstel van de natuurlijke hydrologie. Dit zal leiden tot een sterke verbetering van de waterkwaliteit voor beekprik en het beekhabitat en voor gunstige standplaatscondities voor oligotrofe tot mesotrofe broekbossen, laagveen en heischrale graslanden. Het brongebied van Zwarte beek – Bolisserbeek is tevens cruciaal voor ontwikkeling van foerageergebieden voor vogels van het aangrenzende heidelandschap en als stapsteen voor minder mobiele soorten van heide en landduinen. Daarnaast is deze zone essentieel voor herstel van de laatste relictpopulaties van knoflookpad. De doelstelling voor dit gebied is dan ook om een aaneengesloten complex van soortenrijke graslanden te ontwikkelen, als foerageergebied voor grauwe kiekendief en velduil, met daarin stapstenen van heide of heischraal grasland zodat opnieuw een functionele heideverbinding ontstaat voor minder mobiele heidesoorten als gladde slang, heikikker en de habitattypische soort gentiaanblauwtje, heivlinder, kommavlinder.
Naast deze kerngebieden zijn ook de aangrenzende beekvalleien van Helderbeek, Broekbeek, Grote beek en de bovenloop van de Bolisserbeek belangrijke onderdelen van het SBZ. Ze bevatten ze lokaal waardevolle elzenbroekbossen en zijn ook belangrijk als foerageergebied voor Wespendief, Vleermuizen en vogels van het heidelandschap. De globale doelstelling voor deze beekvalleien is vooral verbeteren van de kwaliteit van het kleinschalig beekdallandschap met een afwisseling van valleibosjes, extensieve graslanden en houtkanten.
Verbindingen
Herstel van het samenhangende heidelandschap met overgangen naar beekvalleien en agrarische gebieden zal de interne uitwisselingsmogelijkheden binnen het gebied sterk doen toenemen. Binnen het richtlijngebied worden de volgende interne verbindingen en stapstenen ontwikkeld:
- Herstel van heidehabitats in de vallei van de Grote Nete ter hoogte van Veeweide moet zorgen voor uitwisseling van de populatie gladde slang tussen Kamp Beverlo en de populaties van het Pijnven.
- Herstel van zowel een droge als natte heide stapsteen in het brongebied van Zwarte beek-Bolisserbeek met Resterheide en Zwart water als duurzaam netwerk van natte heide voor rugstreeppad, heikikker en de habitattypische soort gentiaanblauwtje, voor gladde slang en de relictpopulatie knoflookpad.
- Ontwikkeling van heidestapsteen ter hoogte van Molenheide.
- Nemen van ontsnipperingsmaatregelen aan migratiebarrières, zoals ter hoogte van de N73 doorheen het Militair domein (Kamperbaan) en de N715, N74 (brongebied Zwarte beek). Daarnaast kunnen hier ook kleinere ontsnipperingsmaatregelen noodzakelijk zijn op wegen die de valleien doorkruisen.
Herstel van habitats en verbetering van de kwaliteit van extensieve graslanden en moerasachtige vegetaties en de beekhabitats aansluitend bij het heidelandschap, zal bijdragen aan verbetering van de uitwisselingsmogelijkheden met het grote centrale heidelandschap in de SBZ.
In de SBZ worden de stapstenen gecreëerd zodanig dat migratie van soorten van de heide- en laagveenkernen naar andere natuurkernen mogelijk kan gemaakt worden. Beekvalleien spelen hierin een belangrijke ecologische rol.