landschap met schapen © Veronique De Smedt

Zwarte Beek

BE2200029 - Vallei- en brongebieden van de Zwarte Beek, Bolisserbeek en Dommel met heide en vengebieden
BE2218311 - Militair domein en de vallei van de Zwarte Beek

1 Inleiding

Het Natura 2000-netwerk is een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Deze zijn aangewezen op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen om Europees beschermde habitattypes en soorten de kans te geven duurzaam te overleven en zo de Europese biodiversiteit te bewaren. In Vlaanderen zijn 62 Natura 2000-gebieden aangeduid, ook speciale beschermingszones (hierna: SBZ) genoemd. Deze gebieden zijn essentieel voor het bereiken van de gunstige staat van instandhouding van Europees te beschermen habitats en soorten. Voor Vlaanderen gaat het om 47 habitattypes, 49 dier- en plantensoorten en 58 vogelsoorten. 

Alle lidstaten van de Europese Unie zijn verplicht om de nodige maatregelen te nemen om een ‘gunstige staat van instandhouding’ te realiseren voor Europees te beschermen habitats en soorten. Om deze maatregelen in te vullen heeft de Vlaamse Regering instandhoudingsdoelstellingen (hierna: doelen) op Vlaams niveau en per SBZ bepaald. Op Vlaams niveau zijn dit de zogenaamde gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen (hierna: G-IHD) en per SBZ zijn dit de zogenaamde specifieke instandhoudingsdoelstellingen (hierna: S-IHD). Deze S-IHD zijn, na een intensief overlegproces tussen 2010 en 2013, vastgesteld in aanwijzingsbesluiten (de S-IHD-besluiten) door de Vlaamse Regering op 23 april 2014. 

De realisatie van de doelen wordt gefaseerd en programmatisch aangepakt. Vlaanderen moet elke zes jaar aan Europa rapporteren, daarom is ook voor de realisatie gekozen voor cycli van maximaal zes jaar. Per cyclus of planperiode wordt een Vlaams Natura 2000-programma opgemaakt met een Vlaamse taakstelling en acties voor de komende periode. Het programma omschrijft ook welke organisaties betrokken zijn en geeft een raming van de uitgaven voor de uitvoering van het programma.  

Focus Vlaams Natura 2000 programma 2016–2020

Omdat Vlaanderen in 2020 aan Europa moet rapporteren, loopt de eerste cyclus van het Vlaams Natura 2000-programma van 2016 tot 2020. Op het moment van publicatie van dit voortgangsdocument bestaat er nog geen nieuw Vlaams Natura 2000-programma voor de volgende planperiode (2021-2026), zodat het bestaande programma volgens de regelgeving geldig blijft.  

Voor deze eerste cyclus is vertrokken van de Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 en van het Pact 2020. In het Vlaams Natura 2000-programma zijn een bindende en een richtinggevende taakstelling geformuleerd als een gefaseerd kader voor de realisatie van de doelen.

Het bindend deel van de taakstelling in het Vlaams Natura 2000-programma omvat:

  • het stoppen of vermijden van de verdere achteruitgang van Europees te beschermen habitattypes of soorten (stand still);
  • dat 16 van de 47 Europees te beschermen habitattypes in een gunstige staat verkeren of zijn verbeterd ten opzichte van 2007 (zie bijlage 5 van het Vlaams Natura 2000-programma).

Het bindend deel van de taakstelling moet tegen 2020 worden gerealiseerd.

Het richtinggevende deel van deze taakstelling omvat:

  • dat tegen 2020 voor alle Europees te beschermen habitattypes en soorten samen 70% van de inspanningen operationeel zijn, zodat alle habitats en soorten in een gunstige staat van instandhouding kunnen worden gebracht tegen 2050. Voor soorten die extra oppervlakte leefgebied nodig hebben, moet een derde van de extra oppervlakte gerealiseerd zijn door inrichting en beheer.

De maatregelen nodig om het richtinggevende deel van de taakstelling te realiseren, kunnen al in deze planperiode opgestart worden of, indien al in planning of uitvoering, verder lopen. Deze maatregelen moeten niet noodzakelijk afgerond zijn tijdens de looptijd. In de inspanningsmatrix (hoofdstuk 4 van het voortgangsdocument) is voor elke actie aangegeven of deze behoort tot het bindend of het richtinggevend deel van taakstelling van het Vlaams Natura 2000-programma.

Doelstelling van het voortgangsdocument

Het voortgangsdocument wordt opgemaakt met het oog op:

  • het gradueel realiseren van de S-IHD;
  • het vermijden of stoppen van de verslechtering van de Europees te beschermen habitats en de leefgebieden van Europees te beschermen soorten;
  • het vermijden of het stoppen van de betekenisvolle verstoring van de Europees te beschermen soorten.

Het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna: het ANB) maakt het voortgangsdocument op en beheert het. Dit voortgangsdocument beschrijft de inspanningen die volgens de inventaris hiervan in 2017 geleverd worden door de organisaties voor wie het beheren en ontwikkelen van natuur een maatschappelijke opdracht is. Dit zijn het ANB, de verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen. Tevens biedt het een overzicht van de openstaande taakstelling en van de acties die, volgens de huidige plannen en inzichten, nodig zijn voor de realisatie ervan. Zo vormt het voortgangsdocument het vertrekpunt en de inspiratiebron voor het bereiken van de doelen voor iedereen die daaraan kan bijdragen.

Situering van het SBZ

2 Taakstelling

Voor elke SBZ werden door de Vlaamse Regering de specifieke doelen voor Europees te beschermen habitats en soorten en de prioritaire inspanningen vastgesteld in een S-IHD-besluit. Deze doelen worden in dit voortgangsdocument weergegeven in hoofdstuk 2.1. Deze zijn daarbij geclusterd in landschapstypes. Per Europees te beschermen soort en habitat zijn het gebiedsgericht kwantiteitsdoel (populaties of oppervlakten) en kwaliteitsdoel beschreven. Hoofdstuk 2.2 geeft prioritaire inspanningen weer, die in het S-IHD-besluit vastgesteld zijn voor het realiseren van de doelen. 

2.1 Doelen

Legende bij de oppervlakte-, populatie- en kwaliteitsdoelen

Symbool

Omschrijving

+

Het doel is een stijging van de oppervlakte of populatiegrootte / een verbetering van de kwaliteit.

=

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit.

=/+

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit met lokale uitbreidingsmogelijkheid.

=/-

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit met lokale inkrimpingsmogelijkheid.

In onderstaande tabel met de doelen voor het SBZ worden doelstellingen voor enerzijds het gedeelte dat habitatrichtlijngebied is en anderzijds het gedeelte dat 'zuiver vogelrichtlijngebied' (lees: enkel vogelrichtlijngebied en geen habitatrichtlijngebied) is, niet onderscheiden, maar geïntegreerd. Aan de drie criteria die tegelijk vervuld dienen te zijn om deze doelen voor beide ruimtelijk afgebakende gebieden van elkaar te onderscheiden, werd immers niet voldaan. De drie criteria zijn: 

  • het zuiver vogelrichtlijngebied handelt over een relevante oppervlakte; 

  • het betreft in dit gebied relevante doelstellingen doelen en; 

  • de doelen die in het gedeelte dat zuiver vogelrichtlijngebied is, gerealiseerd dienen te worden, zijn (reeds in dit stadium) bekend.] 

In onderstaande tabel met de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied worden doelstellingen voor enerzijds het gedeelte dat habitatrichtlijngebied is en anderzijds het gedeelte dat 'zuiver vogelrichtlijngebied' (lees enkel vogelrichtlijngebied maar geen habitatrichtlijngebied) is, niet onderscheiden, maar geïntegreerd. Aan de drie criteria die tegelijk vervuld dienen te zijn om deze doelen voor beide ruimtelijk afgebakende gebieden van elkaar te onderscheiden, werd immers niet voldaan. De drie criteria zijn:

  • het zuiver vogelrichtlijngebied handelt over een relevante oppervlakte;
  • het betreft in dit gebied relevante doelstellingen en;
  • de doelstellingen die in het gedeelte dat zuiver vogelrichtlijngebied is, gerealiseerd dienen te worden, zijn (reeds in dit stadium) bekend.

Gezien de oppervlakte (9.664 ha) en diversiteit van dit habitat- en vogelrichtlijngebied zijn doelentabellen opgemaakt per landschappelijke eenheid. Een landschappelijke eenheid is een aangesloten geografisch gebied bestaande uit gelijkaardige geomorfologische kenmerken, waarin de verschillende habitattypen en soorten in een samenhangend complex voorkomen. Er zijn doelentabellen opgemaakt voor de landschappelijke eenheid:

  • Landschap voor de het valleicomplex van de Zwarte beek (1.324 ha)
  • Landschap van de heide, vennen en bossen op en rond het Kamp van Beverlo (6.905 ha)
  • Landschap van Dommel en Bolisserbeek (822 ha)
  • Landschap van de Grote Nete (613 ha)

Daarnaast zijn er doelen voor soorten, waarvan hun leefgebied zich uitstrekt over de verschillende landschappen of die voorkomen in de verschillende landschappen. Voor Vleermuizen zijn afzonderlijke doelen per soort minder zinvol. 

Het betreft volgende soorten, waarvoor de SBZ op Vlaams niveau essentieel tot zeer belangrijk is:

  • Beekprik
  • Knoflookpad
  • Heikikker
  • Rugstreeppad
  • Gladde slang
  • Wespendief

Voor Nachtzwaluw is de SBZ eveneens essentieel, gezien groot aantal voorkomende broedkoppels (meer dan 100 ex.) Als belangrijke soorten ijsvogel, blauwborst, kamsalamander, zwarte specht. Grauwe kiekendief is in de G-IHD opgegeven als kennislacune voor deze SBZ-V. Nochtans is het Kamp van Beverlo samen met het Schietveld van Houthalen-Helchteren het enige heideterrein in Vlaanderen waar de soort de afgelopen decade verschillende malen gebroed heeft.

Uitgezonderd voor gladde slang is er géén extra leefgebied noodzakelijk voor de verschillende soorten. De soorten liften mee met de habitatdoelen, die ingebed zijn in een matrix van soortenrijke graslanden en regionale belangrijke biotopen. De actuele oppervlakte soortenrijke graslanden en regionale belangrijke biotopen bedraagt meer dan 1300 ha. Behoud en kwaliteitsverbetering van de habitats, soortenrijke graslanden en regionale belangrijke biotopen is nodig voor het realiseren van goede kwaliteit van de leefgebieden van wespendief, grauwe kiekendief, blauwborst in het richtlijngebied.

Doelstellingen op hoofdlijnen

Het richtlijngebied heeft een totale oppervlakte van 9.664 ha, waarvan het grootste deel bestaat uit het Militair domein van Kamp Beverlo met uitgestrekte heide en boscomplexen. Dit groot natuurcomplex wordt doorsneden door de beekvalleien van de Zwarte beek, Grote Nete, Grote beek en Broekbeek. Via het brongebied van de Zwarte beek sluit het kerngebied aan op de smalle beekvalleien van Dommel en Bolisserbeek met waardevolle valleibossen en veldrusgraslanden. De aangrenzende beekvalleien van de Helderbeek, Broekbeek en Grote beek zijn belangrijke foerageergebieden en natuurlijke verbindingen naar andere natuurkernen. Door de uitgestrekte oppervlakte bossen en heide, die overgaan naar aangrenzende beekvalleien met laagveen, natte schraalgraslanden en valleibossen, is het een Vlaams kerngebied voor bedreigde habitats en soorten van voedselarme biotopen.

Het SBZ is op Vlaams niveau essentieel tot zeer belangrijk voor een reeks van soorten en habitattypes waaronder:

  • Landduinen en heide: habitattypen 2310 psammofiele heide, 2330 open vegetaties op landduinen, 4010 vochtige heide, 4030 droge heide en 7150 slenkvegetaties, nachtzwaluw, boomleeuwerik, gladde slang, heikikker
  • Soorten van overgangen van grote heidegebieden naar extensief landbouwgebied; velduil; grauwe kiekendief, knoflookpad
  • Beken: habitat 3260 en beekprik
  • Vennen en laagveen (habitat 3160, rugstreeppad, gevlekte witsnuitlibel)
  • Laagveen (habitattype 7140)
  • Schrale graslanden: heischrale graslanden (habitat 6230)
  • Natte ruigten (6430)
  • Loofbossen: habitattype 9190 oud zuurminnend eikenbos, habitattype 91E0 oligotrofe en mesotrofe alluviale broekbossen, wespendief

Het behoud en versterken van deze habitats vormt een belangrijke doelstelling. Daarnaast moet het gebied ook functioneren als brongebied voor flora en fauna van heide, laagveen en schrale graslanden om op Vlaams niveau tot duurzame populaties te komen (nachtzwaluw, boomleeuwerik, heikikker, rugstreeppad en habitattypische soorten watersnip, gentiaanblauwtje).

Om deze natuurwaarden te versterken, wordt nagegaan wat het meest nodig is: een kwaliteitsverbetering van de habitat, verbinding naar andere gebieden of vergroten van de habitats?

Grootte

Actueel zijn er ongeveer 3.100 ha heide, vennen en landduinen aanwezig, waarvan veruit het grootste deel in Kamp Beverlo. Dit is op Vlaams niveau veruit de grootste oppervlakte en voldoet in principe voor de meest kenmerkende heidesoorten zoals nachtzwaluw, boomleeuwerik, gladde slang, heikikker, rugstreeppad. Voor de meest kritische broedvogels van grootschalige heidegebieden zoals velduil, grauwe kiekendief, korhoen is de oppervlakte echter een beperkende factor. De grote open ruimten worden vaak onderbroken door zones met naaldbos of verboste beekvalleien. In combinatie met het aangrenzende Schietveld van Helchteren biedt dit gebied op Vlaams niveau unieke mogelijkheden om voldoende grote en onverstoorde broedgebieden voor deze ruimte-eisende soorten te herstellen. Hiervoor moet vooral ingezet worden op omvorming van interne bosbarrières en herstel van overgangen van het grootschalig open heidelandschap naar open beekvalleien en extensieve landbouwgebieden met schrale graslanden en akkers. De noodzakelijke rust voor deze broedvogels kan gecombineerd worden in de militaire domeinen via de afspraken van het samenwerkingsprotocol tussen ANB en Defensie. Een toename van heide, vennen en landduinen betreft ongeveer 700 ha.

Voor laagveen stellen de G-IHD expliciet dat het grootste deel van de oppervlakte-uitbreiding in deze SBZ dient gerealiseerd te worden: hiermee herstelt men een intact veenlichaam dat tevens groot genoeg is als leefgebied voor porseleinhoen en habitattypische soorten als watersnip. In functie daarvan dient de oppervlakte laagveen te verhogen met 188 ha.

Voor de overige habitattypes zijn in principe voldoende grote oppervlaktes aanwezig, behalve voor alluviaal bos. Het betreft een einddoel van 427 ha met een richtwaarde van 96 ha bosuitbreiding. Voor de veldrusgraslanden is een toename door omvorming van 3 ha in de Dommelvallei opgenomen.

Kwaliteit

De kwaliteit van de meeste habitats is actueel onvoldoende. In combinatie met de vaak versnipperde ligging is een belangrijk deel van de oppervlakten actueel niet geschikt is als leefgebied voor de meest kwetsbare fauna en flora van heide, schrale graslanden en laagveen. Bij de habitats van heide, vennen en landduinen zijn de belangrijkste knelpunten vergrassing, verbossing en het ontbreken van typische plantensoorten in de oevers van vennen en een laag aandeel van pioniersvegetaties op landduinen. Via gericht natuurbeheer kan de kwaliteit van deze habitats nog sterk verbeteren en kunnen lokaal te kleine open habitats uitgebreid worden. Herstel van het grootschalig open heidelandschap moet eveneens zorgen voor een kwaliteitsverbetering door minder snelle verbossing, een betere winddynamiek en verhoogde grondwaterinfiltratie. Dit is positief voor pioniersvegetaties van landduinen en vennen, en voor een verhoogde grondwatervoeding naar kwelzones met laagveen en alluviale broekbossen.

In de beekvalleien van de Zwarte beek, Grote Nete en Dommel streeft men naar herstel van samenhangende laagveenkernen, die kunnen functioneren als leefgebied voor porseleinhoen, grauwe klauwier, blauwborst en een Vlaamse kernpopulatie van de habitattypische soort watersnip. Herstel van laagveen vergt aaneengesloten beekdalen met een natuurlijke waterhuishouding en geen invloed van nutriënten. Concreet streeft men hiervoor naar complexen van kleine zeggevegetaties, dottergraslanden, moerasspirearuigten en natte ruigten, die overgaan naar heischrale graslanden en kamgraslanden op de valleiflanken. In het samenvloeiingsgebied van Dommel en Bolisserbeek moeten de habitats van veldrusgraslanden eveneens uitbreiden tot een duurzaam in stand te houden oppervlakte en ingebed worden in een halfnatuurlijke vallei met valleibossen, laagveen en extensieve graslanden.

Ook de beekhabitats vormen een belangrijk onderdeel van deze valleien: de Zwarte beek herbergt de grootste populatie van beekprik in Vlaanderen maar het leefgebied is sterk ingekrompen door beekruimingen en negatieve impacten van onnatuurlijke piekdebieten en waterverontreiniging door intensieve landbouw in het brongebied. Herstel van een natuurlijk beekregime en een hoge waterkwaliteit zijn noodzakelijk voor duurzame instandhouding van deze soort, dit ook voor habitattypische soort bosbeekjuffer. Op lange termijn streeft men ook naar hervestiging van beekprik in de Dommel, Bolisserbeek en Grote Nete.

De valleibossen ontstonden spontaan door verbossing van beekdalhooilanden en hebben door hun relatief jonge leeftijd doorgaans nog een zwak ontwikkelde structuur. Lokaal zorgen zones met verspreide weekendverblijven voor versnippering en verstoring van de waterhuishouding. Op het niveau van de SBZ streeft men globaal naar een toename van de actuele oppervlakte van circa 286 ha valleibos. Lokaal habitatverlies van elzenbroekbos in functie van laagveenherstel wordt elders gecompenseerd door natuurlijke verbossing.

De bossen op de hogere plateaus bestaan grotendeels uit dennenaanplanten, met een laag aandeel inheems loofhout, een zwak ontwikkelde structuur en te weinig dood hout. Loofboshabitats van eikenberkenbos en zuur beukenbos liggen erg versnipperd en bereiken nergens een oppervlakte die voldoet aan het MSA. Het richtlijngebied heeft door de grote oppervlakte voedselarme, ongestoorde podzolzandgronden op Vlaams niveau belangrijke potenties voor toename van eikenberkenbossen. Voor de bossen op het militair domein, wordt maximaal ingezet op omvorming van naaldhout naar inheems loofbos en een sterke verbetering van de habitatkwaliteit, onder meer voor habitattypische soort kleine ijsvogelvlinder. Hierdoor zal de oppervlakte droge loofboshabitat toenemen van circa 247 ha naar een einddoel van 1643 ha met een richtwaarde van 351 ha bosuitbreiding.

Voor een duurzame instandhouding van de laagveenhabitats, alluviale bossen, heischrale graslanden, populatie beekprik en het beekhabitat 3260 zelf, is buffering noodzakelijk. Bepaalde maatregelen in land- en tuin- of bosbouwsector , zoals het toedienen van mest of gebruik van bestrijdingsmiddelen, hebben nadelige gevolgen voor een aantal habitattypes. Er moet vermeden worden dat (relicten van) habitattypes binnen deze SBZ verdwijnen of achteruitgaan door gebruik van bepaalde bestrijdingsmiddelen of door aanrijking. Dit moet verder opgevolgd word/gemonitord/onderzocht worden. De eutrofiëringsbronnen dienen afgebakend te worden zodat kostenefficiënte maatregelen ter remediëring kunnen worden opgestart.

Het betreft 15 ha landbouwgebruik in natuurgebied in de middenloop van de Zwarte beek, ongeveer 160 ha in de bovenloop van de Bolisserbeek en 170 ha in het brongebied van de Zwarte beek. Dit komt uit landbouwgebruik (gras)akkers. Er zal met de verschillende actoren in het brongebied Zwarte Beek gezocht/gemonitord/opgevolgd worden welke maatregelen het meest efficiënt zijn. Het brongebied van de Zwarte beek is gelegen binnen de SBZ ten oosten van de baan Hasselt-Eindhoven en omvat ook het gebied met toponiem Grote Heide, op de waterscheiding met de Bolisserbeek. Het wordt doorsneden door de oude spoorlijn (nu fietspad). Het brongebied volgt de begrenzing van het landschap van het valleicomplex van de Zwarte beek. De bovenloop van de Bolisserbeek is gelegen binnen de SBZ stroomopwaarts van Resterheide en volgt de begrenzing van het landschap van Dommel en Bolisserbeek. Het brongebied van de Zwarte beek (stroomopwaarts van de baan Hasselt-Eindhoven) heeft een oppervlakte van ongeveer 300 ha. De bovenloop van de Bolisserbeek heeft ook ongeveer een oppervlakte van 300 ha. Naast de doelen die in dit gebied gerealiseerd worden door omvorming en uitbreiding, het behoud en de kwaliteitsverbetering van graslanden en regionale biotopen komt er nog een aanzienlijke oppervlakte akkers voor.

Buffering omvat stopzetten van nutriëntenaanvoer en pesticidengebruik, herstel van de bodem tot gewenst trofieniveau, het bouwvrij houden van het gebied, opheffen van drainage en herstel van de natuurlijke hydrologie. Dit zal leiden tot een sterke verbetering van de waterkwaliteit voor beekprik en het beekhabitat en voor gunstige standplaatscondities voor oligotrofe tot mesotrofe broekbossen, laagveen en heischrale graslanden. Het brongebied van Zwarte beek – Bolisserbeek is tevens cruciaal voor ontwikkeling van foerageergebieden voor vogels van het aangrenzende heidelandschap en als stapsteen voor minder mobiele soorten van heide en landduinen. Daarnaast is deze zone essentieel voor herstel van de laatste relictpopulaties van knoflookpad. De doelstelling voor dit gebied is dan ook om een aaneengesloten complex van soortenrijke graslanden te ontwikkelen, als foerageergebied voor grauwe kiekendief en velduil, met daarin stapstenen van heide of heischraal grasland zodat opnieuw een functionele heideverbinding ontstaat voor minder mobiele heidesoorten als gladde slang, heikikker en de habitattypische soort gentiaanblauwtje, heivlinder, kommavlinder.

Naast deze kerngebieden zijn ook de aangrenzende beekvalleien van Helderbeek, Broekbeek, Grote beek en de bovenloop van de Bolisserbeek belangrijke onderdelen van het SBZ. Ze bevatten ze lokaal waardevolle elzenbroekbossen en zijn ook belangrijk als foerageergebied voor Wespendief, Vleermuizen en vogels van het heidelandschap. De globale doelstelling voor deze beekvalleien is vooral verbeteren van de kwaliteit van het kleinschalig beekdallandschap met een afwisseling van valleibosjes, extensieve graslanden en houtkanten.

Verbindingen

Herstel van het samenhangende heidelandschap met overgangen naar beekvalleien en agrarische gebieden zal de interne uitwisselingsmogelijkheden binnen het gebied sterk doen toenemen. Binnen het richtlijngebied worden de volgende interne verbindingen en stapstenen ontwikkeld:

  • Herstel van heidehabitats in de vallei van de Grote Nete ter hoogte van Veeweide moet zorgen voor uitwisseling van de populatie gladde slang tussen Kamp Beverlo en de populaties van het Pijnven.
  • Herstel van zowel een droge als natte heide stapsteen in het brongebied van Zwarte beek-Bolisserbeek met Resterheide en Zwart water als duurzaam netwerk van natte heide voor rugstreeppad, heikikker en de habitattypische soort gentiaanblauwtje, voor gladde slang en de relictpopulatie knoflookpad.
  • Ontwikkeling van heidestapsteen ter hoogte van Molenheide.
  • Nemen van ontsnipperingsmaatregelen aan migratiebarrières, zoals ter hoogte van de N73 doorheen het Militair domein (Kamperbaan) en de N715, N74 (brongebied Zwarte beek). Daarnaast kunnen hier ook kleinere ontsnipperingsmaatregelen noodzakelijk zijn op wegen die de valleien doorkruisen.

    Herstel van habitats en verbetering van de kwaliteit van extensieve graslanden en moerasachtige vegetaties en de beekhabitats aansluitend bij het heidelandschap, zal bijdragen aan verbetering van de uitwisselingsmogelijkheden met het grote centrale heidelandschap in de SBZ.

In de SBZ worden de stapstenen gecreëerd zodanig dat migratie van soorten van de heide- en laagveenkernen naar andere natuurkernen mogelijk kan gemaakt worden. Beekvalleien spelen hierin een belangrijke ecologische rol.

Valleicomplex van de Zwarte beek

Dit landschap heeft een oppervlakte van 1.324 hectare en strekt zich uit van het brongebied van de Zwarte beek (Grote Heide en Zwart water), over het Kamp van Beverlo tot stroomafwaarts Nieuwendijk, Stalse molen en de spoorlijn Hasselt-Mol.

Het beekdallandschap van de Zwarte beek is op West-Europees niveau een uitzonderlijk goed bewaard laaglandbeekdalsysteem met overgangen van voedselarme, onverstoorde infiltratiegebieden met bossen en heide naar natte beekdalgronden, die overgaan van zure, ongebufferde biotopen in de bovenloop naar meer gebufferde laagveensystemen in de middenloop. Door de grote oppervlakte en vele natuurlijke overgangen tussen verschillende habitats vormt het gebied een Vlaams kerngebied voor tal van bedreigde soorten van laagveen, heide en schraal grasland. De vallei van de Zwarte beek is het belangrijkste laagveencomplex in Vlaanderen. Veruit het grootste deel van de oppervlakte-toename van de G-IHD kan in deze SBZ gerealiseerd te worden. Hiervoor pleiten de aanwezigheid van intensieve kwelzones met ijzerrijk grondwater en het voorkomen van tal van uiterst zeldzame, habitattypische soorten.

In het “Landschap van het valleicomplex van de Zwarte beek” komen een reeks van soorten en habitattypes voor, waarvoor de SBZ op Vlaams essentieel tot zeer belangrijk is:

  • laagveenhabitats (7410_meso): door de grote kwaliteit en oppervlakte tevens belangrijk als Vlaams kerngebied voor habitattypische watersnip
  • beekprik
  • halfnatuurlijke graslanden: heischrale graslanden 6230
  • loofbossen: oligotrofe tot mesotrofe valleibossen en bos langs de oevers van de beek (9120)

Belangrijkste doelstelling is kwaliteitsverbetering door herstel van een hydrologisch intact beekdalsysteem vanaf de bron tot aan de middenloop in Beringen. Een natuurlijke hydrologisch regime en beekwater van een goede waterkwaliteit is primordiaal. Kwaliteitsverbetering is niet alleen noodzakelijk voor beekprik, habitattype 3260, maar ook voor de aan laagveen gebonden habitats en soorten. Knelpunten van vismigratie, intensieve beekruimingen, verdroging en eutrofiëring worden opgelost.

In het brongebied van de Zwarte beek wordt 170 ha buffering van het vallei-ecosysteem vooropgesteld vanuit landbouw (uit Bs, Hx); dit is cruciaal voor het duurzaam behoud en ontwikkeling van het beekdalecosysteem met laagveen, alluviaal bos, heischrale graslanden en in de beek zelf, beekprik en het beekhabitattype 3260. De percelen dienen onbemest en vrij van pesticidengebruik te zijn. Herstel van de bodem tot het gewenst trofie-niveau is noodzakelijk, om verdere uitspoeling van nutriënten in de bodem te vermijden. Herstel van de waterhuishouding is pas mogelijk na herstel van de bodem. Ze dienen verder bouwvrij gehouden te worden, het open landschap dient behouden te blijven. Er zal met de verschillende actoren in het brongebied Zwarte Beek gezocht/gemonitord/opgevolgd worden welke maatregelen het meest efficiënt zijn. De eutrofiëringsbronnen dienen afgebakend te worden zodat kostenefficiënte maatregelen ter remediëring kunnen worden opgestart.

Het brongebied van de Zwarte beek fungeert daarnaast als leefgebied voor wespendief, grauwe kiekendief en als foerageergebied voor habitattypische broedvogels van de heide, zoals wulp. In het ecologisch netwerk binnen de SBZ vormen ze in combinatie met stapstenen van heide en heischraal grasland leefgebied voor gladde slang, knoflookpad, heikikker, rugstreeppad, en de habitattypische soorten gentiaanblauwtje, heivlinder, groentje, …

De huidige versnippering van het landschap dient aangepakt te worden. Het beekdalsysteem bestaat uit een afwisseling van grote complexen alluviaal bos en een open landschap, waarin de gradiënten van droge heide op de valleiflanken, naar heischrale graslanden op de overgangen zand-veen en kleine zeggenvegetaties op het veenpakket tot ontwikkeling komen, waardoor hoogkwalitatieve biotopen gecreëerd worden voor de vogelrichtlijnsoorten porseleinhoen, blauwborst, grauwe kiekendief en de habitattypische soort watersnip en wulp. In functie van het leefgebied van deze soorten en kwaliteitsverbetering van de habitats zijn deze verweven met soortenrijke graslanden en regionaal belangrijke biotopen zoals rbb_ms, rbb_hc, rbb_hf, rbb_kam.

Voor de alluviale bossen (91E0) is een kwaliteitsverbetering relevant. Plaatselijk kunnen ze omgevormd worden in functie van herstel van overgangsveen 7140_meso. Plaatselijk worden echter grotere boskernen ontwikkeld door omvorming ten gunste van 91E0_meso.

Habitats - Valleicomplex van de Zwarte beek

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
2310 – Psammofiele heide met Calluna- en Genistasoorten en 2330 - Open grasland met Corynephorus- en Agrostissoorten op landduinen Omschrijving

Actueel: 0 ha
Einddoel: 10 ha door omvorming

Goed ontwikkelde landduinen met:

  • aanwezigheid van de verschillende successiestadia op landduinen, waarbij steeds minimaal 40% van het habitattype 2330 voorkomt;
  • beperkte boomopslag (<10%);
  • ingebed in open landschap.

Doel = =
3160 - Dystrofe natuurlijke poelen en meren Omschrijving

Actueel < 1 ha
Behoud actuele oppervlakte
Einddoel: < 1 ha

Goed ontwikkeld dystroof ven met:

  • geschikte waterhuishouding;
  • zuur tot zeer zwak gebufferd, oligotroof water met beperkingen qua totaalfosfor, conductiviteit en van < 0,03 mgP/l en EC < 100 µS/cm, totaal stikstof, helder, door humuszuren bruingekleurd water;
  • 2-3 sleutelsoorten minstens frequent aanwezig;
  • buffering tegen externe invloeden.

Doel + +
3260 - Submontane en laagland rivieren met vegetaties behorend tot het Ranunculion fluitans en het Callitricho-Batrachion Omschrijving

Actueel: 0,05 ha (ongeveer 390m)
Behoud actuele oppervlakte + toename door omvorming, zodat dit habitattype verspreid over de Zwarte beek voorkomt. Een kwantificatie van de oppervlakte is moeilijk (ongeveer 1- 8 km).
Einddoel: 1-8 km.

Dynamisch meanderend riviersysteem met:

  • natuurlijke beek- en oeverstructuur;
  • natuurlijke stromings- en waterpeildynamiek;
  • helder water met een hoge stroomdiversiteit, zonder invasieve soorten en met voldoende zonbeschenen delen;
  • hooguit matig eutroof water met een lage stikstof- en fosforconcentratie ,lage concentratie bestrijdingsmiddelen en lage sedimentvracht. Natuurlijke beekstructuur (meandering, afwisseling sedimentfracties, …);
  • voldoende brede bufferzones langsheen de waterloop;
  • buffering tegen externe invloeden.

Doel + +
4010 - Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix Omschrijving

Actueel: 7 ha
Behoud actuele oppervlakte + toename van 33 ha. Einddoel: 40 ha

Goed ontwikkelde vochtige heide vegetaties met:

  • aanwezigheid van lokaal frequente veenmoslaag en meer dan 1 veenmossoort;
  • beperkte boomopslag (< 10%);
  • beperkte vergrassing met pijpenstrootje (< 30%);
  • natuurlijke hydrologie (GHG: 20 cm-mv en 0(5) cm +mv, GLG 60-70 cm –mv, amplitude < 50cm);
  • oligotroof grondwater, met lage conductiviteit en voldoende lage waardes voor NO3-N en Po4-P.

Doel + +
4030 - Droge Europese heide Omschrijving

Actueel: 2 ha
Behoud actuele oppervlakte + toename van 60 ha. Einddoel: 62 ha.

Goed ontwikkelde droge heide vegetaties met:

  • aanwezigheid van alle ouderdomstadia van struikhei;
  • beperkte boomopslag (< 20%);
  • beperkte vergrassing met pijpestrootje, bochtige smele (< 30%);
  • hoge soortenrijkdom.

Doel + +
6230 - Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa) subtype 6230_hmo Vochtig heischrale graslanden Omschrijving

Actueel: 25 ha.
Behoud actuele oppervlakte + toename van 15 ha door omvorming Einddoel: 40 ha

Goed ontwikkeld vochtig heischraal grasland met:

  • beperkte strooisellaag, vervilting en verruigingsindicatoren ;
  • bedekking van sleutelsoorten > 30%;
  • beperkte boomopslag (<10%);
  • buffering tegen externe invloed;
  • herstel bodems tot gewenst trofieniveau;
  • inbedding in matrix van soortenrijke graslanden en regionale belangrijke biotopen.

Doel = +
6230 - Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa) subtype 6230_hn droge heischrale graslanden Omschrijving

Actueel: 24 ha
Behoud actuele oppervlakte met een belangrijke kwaliteitsverbetering.
Einddoel: 24 ha

Goed ontwikkeld droog heischraal grasland met:

  • korte vegetatie (< 25 cm) met een bedekking van > 30% van de sleutelsoorten en <5% verruiging;
  • buffering tegen externe invloeden;
  • zonbeschenen en weinig tot geen strooisellaag;
  • herstel bodems tot gewenst trofieniveau;
  • plaatselijk bocage landschap met zoomvegetaties, doornstruwelen i.f.v. leefgebied grauwe klauwier;
  • inbedding in matrix van soortenrijke graslanden en regionale belangrijke biotopen.

Doel = +
6430 - Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland en van de montane en alpiene zones subtype 6430_hf moerasspireaverbond (moerasspirearuigten) Omschrijving

Actueel: 15 ha
Behoud actuele oppervlakte
Einddoel: 15 ha

Afwisseling van moerasspirearuigten in complex met kleine zeggenvegetaties. Deze zijn tijdelijk qua ligging en duur en komen verspreid voor de in de vallei in samenhang met 7140_meso. Ze ontstaan hier door achterwege laten van beheer waardoor kleine zeggenvegetaties verruigen tot moerasspirearuigten en uiteindelijk evolueren tot wilgenstruweel.

Doel + +
7110 - Actief hoogveen Omschrijving

Actueel: kennishiaat
Einddoel: 0,5ha

Voldoende staat van instandhouding met:

  • zeer constante waterstand, GVG onder tot bijna gelijk met maaiveld;
  • veenmoslaag tussen 10-50% met minstens 2 bultveenmossen;
  • verbossing van minder dan 5%;
  • vergrassing van < 10%;
  • oppervlakte veenlichaam > 0,1 ha;
  • buffering tegen externe invloeden.

Doel + +
7140_meso mineraal arm circum-neutraal overgangsveen kleine zeggenvegetaties Omschrijving

Actueel: 52 ha
Behoud actuele oppervlakte + 109 ha toename Einddoel: 161 ha

Goed ontwikkelde laagveenvegetaties met:

  • natuurlijke hydrologie met grondwaterstanden schommelend rond het maaiveld;
  • minder dan 10% boom-of struikopslag in het habitat;
  • 5 sleutelsoorten met een bedekking van minstens 70% en minder dan 10% structuurschade door vertrappeling;
  • buffering tegen externe invloeden;
  • inbedding in matrix van soortenrijke graslanden en regionale belangrijke biotopen.

Doel = +
7140_oli Oligotroof en zuur overgangsveen (in relatie met hoogveenvegetaties en natte heide) Omschrijving

Actueel: 3 ha
Behoud actuele oppervlakte
Einddoel: 3 ha

Goed ontwikkeld zuur overgangsveen met:

  • aanwezigheid van hoogveenontwikkeling, met een veenmoslaag van > 50% en hoge bedekking van de sleutelsoorten;
  • beperkte boomopslag (< 10%);
  • beperkte vergrassing met pijpestrootje (< 30%);
  • natuurlijke hydrologie met permanente grondwatertafel rond maaiveldniveau (GHG range 15 cm –mv / 0 cm +mv en GLG > 25 cm -mv, amplitude 25 cm);
  • oligotroof grondwater, met lage conductiviteit en voldoende lage waardes voor NO3-N en Po4-P;
  • beperkte strooisellaag met een bedekking van < 20%;
  • buffering tegen externe invloed.

Doel = +
9120 - Atlantisch zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei Subtype beekbegeleidend bos Omschrijving

Actueel: 21 ha
Behoud actuele oppervlakte
Einddoel: 21 ha

De ecologische bosfunctie primeert en alle beheeringrepen zijn gericht op de ontwikkeling en substantiële verbetering van dit habitattype via volgende verbeteropgaven: terugdringen van naaldhout en verwijderen van exoten; verhogen aandeel dood hout; verbeteren van de horizontale en verticale structuur met bijzondere aandacht voor de bosranden aansluitend bij habitattype 7_meso.

Doel = +
91E0 - Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) subtype 91E0_meso mesotrofe elzenbroekbossen subtype 91E0_oli oligotrofe elzenbroekbossen, 91E0_eutr ruigte elzenbossen Omschrijving

Actueel: 152 ha (91E0_meso: 124 ha, 91E0_oli: 26 ha, 91E0_eutr 2 ha)
Behoud actuele oppervlakte
Einddoel: 152 ha

De ecologische bosfunctie primeert en alle beheeringrepen zijn gericht op de ontwikkeling en substantiële verbetering van dit habitattype: gevarieerde bosstructuur met veel open plekken, voldoende dood hout en sleutelsoorten; herstel van een voor dit habitattype gunstige waterhuishouding (kwantitatief en kwalitatief) zodat grote kernen van het oligotrofe subtype en mesotroof subtype zich kunnen ontwikkelen; ontwikkeling van structuurrijke bosranden; buffering tegen externe invloeden.

Doel + +
Soortenrijke graslanden Graslanden en ruigten (Ha, Hj, Hr, Hp, Hp) Regionale belangrijke biotopen rbb_hc dotterbloemgrasland rbb_hf moerasspirearuigte met graslandkenmerken rbb_kam kamgrasland rbb_ms kleine zeggenvegetaties niet vervat in overgangsveen rbb_mr rietland en andere Phragmition-vegetaties Omschrijving

Actueel: 1373 ha (Rbb: 198 ha, Ha: 40 ha, Hj: 52 ha, Hp*: 201 ha, Hr: 72 ha, mozaiek van waardevolle en minder waardevolle graslanden zoals hp+hp*, hp+hu°, …: 170 ha, biologisch minder waardevolle graslanden met KLE: 260 ha, Hp: 380 ha)
Einddoel: behoud actuele oppervlakte en kwaliteitsverbetering

Behoud en kwaliteitsverbetering door extensivering tot soortenrijke graslanden met hoger nectaraanbod voor vogelrichtlijnsoorten velduil, korhoen, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, blauwborst, wespendief, blauwe kiekendief en habitattypische soorten watersnip, wulp, geelgors, roodborsttapuit, veldleeuwerik. Nectarbron voor talrijke habitattypische heidesoorten zoals groot dikkopje, hooibeestje, bruin zandoogje, heivlinder, kommavlinder…

Soorten - Valleicomplex van de Zwarte beek

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
Beekprik Omschrijving

Versterken populatie in de Zwarte beek die voldoet aan een goede staat van instandhouding (> 200 ind/ha). Terugkeer van populaties in de Grote Nete, door kolonisatie vanuit stroomafwaartse populatie in Scheps. Herintroductie in Dommel – Bolisserbeek of terugkeer van populaties door kolonisatie vanuit stroomafwaartse populatie in Eindhoven mogelijk na oplossing van vismigratieknelpunten.

Goed ontwikkeld leefgebied in gans het traject van Zwarte beek, Grote Nete, Dommel en Bolisserbeek, bestaande uit:

  • structuurrijk (meanderend) beekbiotoop met zand en grindige banken;
  • voldoen aan de richtwaarden voor oppervlaktewaterkwaliteit ‘kleine Kempische beek’ (conform Besluit van de Vlaamse regering dd. 21 mei 2010 voor wat betreft de milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewateren, waterbodems en grondwater);
  • bijkomende kwaliteitseisen ten opzichte van het habitattype 3260 inzake : BZV, zuurstofgehalte en temperatuur en afwezigheid migratieknelpunten;
  • natuurlijk hydrologisch regime en beperkte sedimentlast;
  • vrije mismigratie, van bovenloop tot middenloop;
  • aangepast beekruimingsbeleid;
  • voldoende buffering tegen externe invloeden.

Doel + +
Blauwborst Omschrijving

Jaarlijkse broedvogel met 45-65 broedparen, verspreid over de 4 landschappen. Deze doelstelling spoort samen met de oppervlakte doelstelling voor 4010, 7140_meso, 6430, ingebed in een matrix van soortenrijke graslanden en regionale biotopen en behoeft geen extra leefgebied.

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied bestaande uit:

  • moerassige vegetaties, rietlanden, laagveenvegetaties met beperkte boomopslag of struweel, soortenrijke graslanden;
  • boorden van waterlopen met ruige vegetatie;
  • geen menselijke verstoring tijdens de broedperiode.

Doel + +
Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger Omschrijving

Het voordragen van populatiedoelen voor deze soorten is onmogelijk, aangezien voor alle soorten te weinig gekend is van de populaties in het SBZ. Het is echter wel zinvol om aan te geven op welke vlakken de leefgebieden voor de vleermuissoorten in het SBZ-H kunnen verbeterd worden. Aangenomen wordt dat indien de biotopen maximaal verbeterd worden, de vleermuissoorten die daarbij gebaat zijn eveneens in een goede staat van instandhouding zullen verkeren.

Gericht beheer van bossen volgens de Criteria voor Duurzaam Bosbeheer voor privé-boseigendommen en via de beheervisie waar ANB het beheer voert. Bijzondere aandacht dient gegeven aan oude bomen (toekomstbomen), open plekken en geleidelijke bosranden, en hun bereikbaarheid onderling in functie van deze soorten.

Doel + +
Gladde slang Omschrijving

Bronpopulatie van minimum 400 adulte dieren die zich uitstrekt over het volledige heidelandschap. Deze doelstelling spoort samen met herstel van het heidelandschap – habitattypes 2310, 2330, 4030, 4010, 6230, waarbij de ontwikkeling van een heidecorridors in de SBZ voorzien is tussen het Pijnven, het Kamp van Beverlo via de Grote Nete vallei, brongebied Zwarte beek en Bolisserbeek, Resterheide, en Molenheide. De ontwikkeling van een heidestapsteen in het brongebied van de Zwarte beek en de bovenloop van de Bolisserbeek spoort samen met leefgebied grauwe kiekendief en heidestapsteen voor rugstreeppad, heikikker, knoflookpad en habitattypische soort gentiaanblauwtje. Voor gladde slang is daarnaast een extra leefgebied van 67 ha nodig, dit is gespecifieerd bij de habitatdoelen van het Landschap van de vallei van de Zwarte beek en het Landschap van Dommel en Bolisserbeek.

Aanwezigheid van open droge terreinen (heide, open bossen) met structuurrijke vegetatie en open plekken doorheen de SBZ met elkaar verbonden via geschikt habitat voor de soort.

Doel + +
Grauwe kiekendief Omschrijving

3 broedparen. De soort lift mee met de doelstellingen in de SBZ opgenomen bij de verschillende habitattypen, behorend tot het leefgebied van de grauwe kiekendief (heidehabitats, halfnatuurlijke graslanden, laagveenvegetaties). Het leefgebied van grauwe kiekendief overschrijdt de grenzen van deze SBZ. Tot het leefgebied van de grauwe kiekendief behoren eveneens de SBZ-V 3.10 ‘Bocholt, Hechtel-Eksel, Meeuwen-Gruitrode, Neerpelt en Peer’ en de SBZ-V 3.13 ‘Houthalen-Helchteren, Meeuwen-Gruitrode en Peer’ (schietveld van Houthalen-Helchteren).

Goed ontwikkeld leefgebied, bestaande uit:

  • open landschap bestaande uit heide (4030, 4010), heischrale graslanden (6230_hn en 6230_hmo), in matrix van soortenrijke graslanden en regionale belangrijke biotopen in de verschillende beekvalleien (Helderbeek, Broekbeek, Grote Nete, Zwarte beek, Bolisserbeek);
  • voldoende geschikte broedplaatsen en verbeteren van de voedselbeschikbaarheid;
  • behoud en kwaliteitsverbetering van de actuele oppervlakte graslanden en regionale biotopen.

Doel + +
Grauwe klauwier Omschrijving

Jaarlijkse broedvogel met 4-6 broedparen. 2-3 bp liften mee via de doelen voor graslandhabitats (in het bijzonder 6230) 2-3 bp vereisen extra leefgebied met een oppervlakte van 22 ha in het voormalige broedgebied

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied bestaande uit landschap met mozaïekachtige opbouw van verschillende vegetatietypen en grote structuurrijkdom:

  • afwisseling van heischrale graslanden (6230) met soortenrijke hooilanden en vrij kort begraasde weilanden met aangrenzend struweel (rbb_sp);
  • voldoende rustige uitkijkposten en broedgelegenheden:

Leefgebied met ruim en gevarieerd aanbod aan grotere insecten, voornamelijk mestkevers en loopkevers en een goed ontwikkelde mestbewonende fauna.

Doel + +
Heikikker Omschrijving

7 populaties van minimaal 200 roepende mannetjes op telkens 5 voortplantingsplaatsen. Herstel van populatie in Brongebied Zwarte Beek-Bolisserbeek. Deze doelstelling spoort samen met herstel van voedselarme vennen 3130, 3160 en vochtige/venige heide 4010, 7140_oli in het heidelandschap.

Complex van geschikt water- en landhabitat in het heidelandschap en verbinding van de verschillende populaties.

Doel + +
IJsvogel Omschrijving

Jaarlijkse broedvogel met 9-15 broedparen.

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied bestaande uit:

  • natuurlijke oevers met plaatselijk steile bij voorkeur zandige wanden;
  • voldoende helder water;
  • groot aanbod aan kleine vissen;
  • geschikte foerageergebieden met visrijke waterhabitats.

Doel = =
Kamsalamander Omschrijving

Duurzaam behoud van actuele populatie in Kamp Beverlo, vallei van de Grote Nete (Lochterpoel) en aan de Begijnevijvers. Deze doelstelling spoort samen met de doelen voor vennen en kleinschalige beekdallandschappen.

Geen extra kwaliteitsdoelstelling.

Doel + +
Knoflookpad Omschrijving

Versterking van de populatie, dat wil zeggen een toename van de actuele populatiegrootte tot een bronpopulatie in de bovenloop van de Bolisserbeek (Bomerheide, Resterheide), in de bovenloop van de Dommel ter hoogte van Mullermerbemden en Molhem en aansluitend ontwikkelen van leefgebied voor een duurzame populatie in het brongebied van de Zwarte beek: bronpopulatie van minimaal 100 roepende mannetjes op telkens minimaal 5 voortplantingsplaatsen

Goed ontwikkeld leefgebied bestaande uit:

  • qua landbiotoop: de kwaliteit van de 2310 en 4030 verbeteren met de nadruk op creëren van open zandige plekken en het verbinden van deze heidetypes;
  • qua voortplantingsbiotoop: waterkwaliteit is belangrijk voor deze soort. Dit wordt gedekt middels de kwaliteitsvereisten voor oligo- tot mesotrofe wateren (habitattype 3130). Bijkomende eis is dat de plassen visvrij moeten zijn om predatie te voorkomen;
  • bijkomend voortplantingsbiotoop creëren onder de vorm van aanleg poelen in natte depressies in het brongebied van de Zwarte beek (Achter Zwarte water), bovenloop van de Bolisserbeek en Resterheide;
  • functioneel verbinden van leefgebieden door corridors van landbiotoop of andere types soortenrijke en schrale graslanden (soortenarme kamgraslanden, droge heischrale graslanden) in bovenloop van de Bolisserbeek.

Doel = +
Poelkikker Omschrijving

Behoud van de soort op de actuele locaties.

De kwaliteitseisen worden grotendeels gedekt door deze van Heikikker (zie Heikikker). Voortplantingswateren dienen jaarrond water te houden.

Doel + +
Porseleinhoen Omschrijving

Jaarlijkse broedvogel met 2-4 broedparen Dit vereist een oppervlakte leefgebied van 30-120 ha. Deze doelstelling spoort samen met de oppervlaktedoelstelling voor 7140_meso, 6430 en behoeft geen extra leefgebied.

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied bestaande uit:

  • afwisseling van lage kruidachtige vegetatie en ruigten;
  • inbedding van 7140_meso en 6430 in matrix van rbb en soortenrijke graslanden;
  • stabiel grondwaterpeil rond maaiveldniveau met weinig fluctuaties (op zijn minst in de eerste helft van het broedseizoen op of boven maaiveld);
  • voldoende rust.

Doel + +
Rosse vleermuis, Ruige/Gewone/Kleine dwergvleermuis Omschrijving

Het voordragen van populatiedoelen voor deze soorten is onmogelijk, aangezien voor alle soorten te weinig gekend is van de populaties in het SBZ. Het is echter wel zinvol om aan te geven op welke vlakken de leefgebieden voor de vleermuissoorten in het SBZ-H kunnen verbeterd worden. Aangenomen wordt dat indien de biotopen maximaal verbeterd worden, de vleermuissoorten die daarbij gebaat zijn eveneens in een goede staat van instandhouding zullen verkeren.

Waterplassen die voor vleermuizen bereikbaar zijn vanuit de bosgebieden. Bosgebieden met een goede horizontale en verticale structuur. Bijzondere aandacht dient gegeven aan open plekken en geleidelijke bosranden, vooral nabij deze open waterpartijen en hun bereikbaarheid hiernaartoe.

Doel + +
Rugstreeppad Omschrijving

17 populaties van minimaal 200 roepende mannetjes op telkens 5 voortplantingsplaatsen waarbij: behoud 10 populaties Kamp van Beverlo, behoud van 1 populatie Helderbeekvallei, Kraanberg en Remo, uitbreiding te verwachten door herstel heide en venvegetaties in Molenheide, Pijnven, Koerselse Heide/Bergen, brongebied Zwarte beek. Deze doelstelling spoort samen met herstel van het heidelandschap – habitattypes 2310, 2330, 3130 en 3160, 4030, 4010 en vereist geen extra leefgebied.

Complex van geschikt water- en landhabitat in het heidelandschap.

Doel = +
Wespendief Omschrijving

Minstens behoud van actuele populatiegrootte van 4-6 bp. Deze doelstelling spoort samen met doelstellingen voor habitattype 9190, 9120, halfnatuurlijke graslanden, ingebed in een matrix van soortenrijke graslanden en regionale biotopen en behoeft géén extra leefgebied.

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied bestaande uit:

  • mozaïek van structuurrijke bossen met voldoende open plekken en boszomen in een open landschap met soortenrijke graslanden of regionale biotopen;
  • weinig of geen menselijke verstoring rond de nestplaats.

Heide, vennen en bossen op en rond Kamp van Beverlo

Dit landschap heeft een oppervlakte van 6.905 hectare en omvat de grote heide- en boscomplexen van het Kamp van Beverlo (uitgezonderd vallei van de Grote Nete en valleicomplex van de Zwarte beek). Aansluitend bij dit landschap zijn opgenomen: Pijnven, bos en duinen van Hechtel, Molenheide, Kraanberg, Koerselse Bergen. Daarnaast omvat dit landschap de kleine aangrenzende beekvalleien van de Helderbeek, Broekbeek en Grote Beek.

Centraal in dit landschap staat het militair domein Kamp van Beverlo. Aangezien het leger uitgestrekte open oefenterreinen nodig heeft, bleef het oorspronkelijk heidelandschap en geomorfologisch gezien, vrijwel intact Kempens plateau met bovenstrooms beekdal, behouden.Deze intacte landschappelijke positionering is in, zowel het Vlaamse als Nederlandse landschap, steeds zeldzamer geworden. Typerend is het groot infiltratiegebied met heide, vennen en stuifzanden aan de randen. Op meerdere plaatsen werd naaldhout aangeplant en sinds 1950 treedt verbossing op. Uniek is de verwevenheid, waarbinnen de verschillende habitattypes voorkomen en de continue overgangen van nat naar droog tot stuivend tussen de verschillende habitattypes. Sinds 1999 wordt het natuur- en bosbeheer uitgevoerd in samenspraak tussen de lokale militair overheid en het Agentschap voor Natuur en Bos. Recent werden op grote schaal herstelwerkzaamheden uitgevoerd door het Life-project DANAH, deze werden mee opgenomen bij actuele toestand. Een goedgekeurde geïntegreerde visie en beheerplan vormen de basis voor de doelen voor het Kamp van Beverlo.

In het “Landschap van heide, vennen en bossen in en rond Kamp van Beverlo” komen volgende habitattypen en soorten voor, waarvoor de SBZ op Vlaams niveau essentieel tot zeer belangrijk is:

  • Landduinhabitats: 2310 en 2330
  • Overgangen van droge naar natte heide: 4030, 4010, 7140,7150
  • Halfnatuurlijke graslanden: 6230
  • Waterhabitats in de voedselarme sfeer: 3160
  • Amfibieën zoals rugstreeppad, heikikker
  • Reptiel zoals gladde slang
  • Broedvogels: boomleeuwerik, nachtzwaluw
  • Loofbossen: eikenberkenbos (9190)

Binnen het “Landschap van heide, vennen en bossen in en rond Kamp van Beverlo” staat het versterken, de kwaliteitsverbetering en het duurzaam beheren van heidehabitats en habitattypische soorten voorop. Dit gebied is veruit de grootste heidekern van Vlaanderen. Er zijn van verschillende habitatrichtlijnsoorten (nachtzwaluw, heikikker, rugstreeppad) en habitattypische soorten (gentiaanblauwtje) leefbare populaties aanwezig. Het gebied fungeert actueel als overloop van waaruit deze soorten omliggende minder optimale SBZ gebieden koloniseren. Binnen de SBZ is de uitbouw van een ecologisch netwerk met heidestapstenen en schrale graslanden een belangrijke doelstelling.

We kunnen er drie type natuurclusters onderscheiden: natuurcluster van kleinschalige beekvalleien, natuurcluster van het heidecomplex en natuurcluster van de grote boshabitatkernen.

  • Natuurcluster van heidecomplex:

    Actueel komt meer dan 3.100 ha landduinhabitats, droge heide, vochtige en venige heide voor, hoofdzakelijk op het Kamp van Beverlo. Naast kwaliteitsverbetering is toename voorzien van landduin- en heidehabitats om tot een groot aanééngesloten heidecomplex te komen voor duurzame populaties van nachtzwaluw, boomleeuwerik, gladde slang, heikikker, rugstreeppad, en habitattypische soorten zoals gentiaanblauwtje en ruimtebehoevende soorten zoals grauwe kiekendief, velduil en korhoen. Actuele kleinere landduinvegetaties worden verbonden met het groot open, zoals Brand in Hechtel.

    Essentieel is het verstevigen van het ecologisch netwerk met heide, schrale graslanden en duincorridors. Hierin past de heide- en duincorridor tussen het Pijnven en het Kamp van Beverlo voor gladde slang door omvorming vanuit naaldbossen.

    In functie van de vorming van een meta-populatie heikikker, rugstreeppad, gladde slang en habitattypische soorten gentiaanblauwtje, heivlinder, kommavlinder… is migratie naar andere heidekernen essentieel; binnen dit ecologisch netwerk is Molenheide een belangrijke heidestapsteen met als doel ontwikkeling van landduinhabitats, heischraal grasland en kwaliteitsverbetering van vochtige heide.

    Doorheen het heidecomplex worden de belangrijkste verkeersassen (Kamperbaan, Kiefhoekweg, N74, N715) ontsnipperd.In Molenheide wordt een open heidelandschap ontwikkeld bestaande uit landduinen. De lokale vennen met vochtige heidevegetaties worden hersteld.

    Op Lange heuvelheide ligt een landschappelijk intact brongebied met een complex van vochtige en venige heide. Onderzoek naar de hydrologie is aangewezen in functie van het bepalen van de eventuele maatregelen voor kwaliteitsverbetering.

    Typerend zijn de verschillende type vennen in het heidelandschap. Naast kwaliteitsherstel, is buffering van het intrekgebied en van het aangevoerde oppervlaktewater tegen nutriëntenlast een belangrijke herstelopgave.

     

  • Natuurcluster van de grote boshabitatkernen:

    In het “Landschap van heide, vennen en bossen op en rond Kamp van Beverlo” is de ontwikkeling van een aantal grote boskernen, die een leefbare populatie bevatten van de grotere oppervlaktebehoevende faunasoorten, is een belangrijk streefdoel om een goede staat van instandhouding te bereiken binnen deze SBZ voor de boshabitats. Typerend voor dit landschap is, gezien de abiotische omstandigheden, het zuurminnende eikenberkenbos. Slechts enkele goed ontwikkelde voorbeelden (184 ha) zijn terug te vinden op het Kamp van Beverlo, randzone met Brand en Don Bosco in Hechtel onder meer oude eikenhakhoutstoven op stuifduinen. Grote aaneengesloten kernen (Koersele heide, gemeentebossen, Dumonsheide, Schrikheide) omsluiten het open heidelandschap van het Kamp ven Beverlo. Deze bossen zijn niet alleen van belang voor zwarte specht en wespendief, maar in een ijle matrix rond de heide en landduinen ook voor nachtzwaluw.

    Omvorming van bestaande niet habitatwaardige bossen is voorzien.

     

  • Natuurcluster van de kleine beekvalleien:

    In de kleine beekvalleien komen actueel nog belangrijke oppervlakten soortenrijke graslanden en regionale belangrijke biotopen voor. Behoud en kwaliteitsverbetering van de soortenrijke graslanden en regionale belangrijkrijkbiotopen is vereist in functie van leefgebied blauwborst, wespendief, grauwe kiekendief en foerageergebied voor habitattypische soorten van de heide zoals wulp, watersnip, roodborsttapuit, geelgors, veldleeuwerik en als kwaliteitsverbetering van de habitats.

    De Grote beek ontspringt op het Kamp van Beverlo aan de westrand juist ten zuiden van Leopoldsburg (Beau Marais) in Laakheide. In functie van het mozaïeklandschap is naast kwaliteitsverbetering van de soortenrijke graslanden en regionale belangrijke biotopen, zoals structuurrijke ruigten, voornamelijk vanuit populierenaanplant ten gunste van vogelrichtlijnsoort blauwborst.

    De Helderbeek ontspringt eveneens op het Kamp van Beverlo. Buiten het Kamp van Beverlo is de beek diep ingesneden, rechtgetrokken en plaatselijk gestuwd in functie van de mijnverzakkingen. Langs de Helderbeek liggen momenteel droge heischrale graslanden. In functie van de habitattypische soorten kleine parelmoervlinder, hooibeestje, heivlinder, veldkrekel en snortikker staat kwaliteitsverbetering van de droge heischrale graslanden voorop. Deze zijn ingebed in een matrix van soortenrijke graslanden.

    De Broekbeekvallei vormt een belangrijke schakel in het ecologisch netwerk met andere natuurkernen. Kwaliteitsverbetering van het mozaïeklandschap van alluviale bossen, soortenrijke graslanden, en regionale belangrijke biotopen als foerageergebied voor grauwe kiekendief, korhoen, wespendief, blauwe kiekendief en habitattypische soorten van het heidelandschap zoals wulp staat voorop.

Habitats - Heide, vennen en bossen op en rond Kamp van Beverlo

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
2310 – Psammofiele heide met Calluna- en Genistasoorten en 2330 - Open grasland met Corynephorus- en Agrostissoorten op landduinen subtype 2330_bu –buntgrasverbond subtype 2330_dw dwerghaververbond Omschrijving

Actueel: 963 ha (2310: 669 ha; 2330_bu: 295 ha)
Behoud actuele oppervlakte + 252 ha toename door omvorming
Einddoel: 1215 ha

Goed ontwikkelde landduincomplexen met:

  • aanwezigheid van de verschillende successiestadia op landduinen, waarbij steeds minimaal 40% van het habitattype 2330 voorkomt;
  • beperkte boomopslag (<10%);
  • voorzien van niet verstoorde zones tijdens broedseizoen voor nachtzwaluw en boomleeuwerik;
  • ingebed in open of halfopen landschap voor een maximale windwerking;
  • behoud oude hakhoutstoven van zomer- en wintereik.

Doel + +
3130 - Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot het Littorelletalia uniflorae en/of Isoëto-Nanojuncetea, subtype 3130_aom oligotrofe tot mesotrofe vijvers en vennen met pioniersgemeenschappen op de kale oever of in de ondiepe oeverzone (oeverkruidgemeenschappen;Littorelletea) Omschrijving

Actueel: 2 ha
Behoud actuele oppervlakte + 5 ha toename door omvorming
Einddoel: 7 ha

Goed ontwikkeld oligotroof tot mesotroof ven met:

  • grotendeels vrij van slib en sediment;
  • helder, zeer zwak tot matig gebufferd en min of meer nutriëntenarm water met een lage stikstof- en fosforconcentratie en een matig zure tot circumneutrale pH;
  • natuurlijke hydrologie met aanvoer van lokaal grondwater;
  • voldoende open vijverlandschap, waar windwerking mogelijk is;
  • indien er aanvoer is van oppervlaktewater dient dit te voldoen aan de milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater;
  • buffering tegen externe invloeden;
  • herstel tot gewenst trofieniveau.

Doel + +
3160 - Dystrofe natuurlijke poelen en meren Omschrijving

Actueel: 7 ha
Behoud actuele oppervlakte + 6 ha toename door omvorming.
Einddoel: 13 ha

Goed ontwikkeld dystroof ven in open heidelandschap met:

  • geschikte waterhuishouding;
  • zuur tot zeer zwak gebufferd, oligotroof water met beperkingen qua totaalfosfor conductiviteit en van totaal stikstof;
  • helder, door humuszuren bruingekleurd water;
  • 2-3 sleutelsoorten minstens frequent aanwezig.

Doel + +
4010 - Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix Omschrijving

Actueel: 260 ha
Behoud actuele oppervlakte + toename 14 ha door omvorming
Einddoel: 274 ha

Goed ontwikkelde vochtige heide vegetaties met:

  • aanwezigheid van lokaal frequente veenmoslaag en meer dan 1 veenmossoort;
  • beperkte boomopslag (< 10%);
  • beperkte vergrassing met pijpestrootje (< 30%);
  • natuurlijke hydrologie (GHG: 20 cm-mv en 0(5) cm +mv, GLG 60-70 cm –mv, amplitude < 50cm);
  • oligotroof grondwater, met lage conductiviteit en voldoende lage waardes voor NO3-N en Po4-P;
  • buffering tegen externe invloeden.

Doel + +
4030 - Droge Europese heide Omschrijving

Actueel: 1672 ha
Behoud actuele oppervlakte + toename van 202 ha door omvorming Einddoel: 1874 ha

Goed ontwikkelde droge heide vegetaties met:

  • aanwezigheid van alle ouderdomstadia van struikhei;
  • beperkte boomopslag (< 20%);
  • beperkte vergrassing met pijpestrootje, bochtige smele (<30%);
  • hoge soortenrijkdom.

Doel = +
5130 - Juniperus communis-formaties in heide of kalkgrasland Subtype 5130_hei variant jeneverbesstruweel in heide Omschrijving

Actueel: < 0,2 ha
Behoud actuele oppervlakte

Populatie jeneverbes die zich voldoende verjongt om op lange termijn een duurzame populatie te handhaven voorkomend in het open heide landschap en beekdalen (Spiekelspade).

Doel + +
6230 - Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa) subtype 6230_hmo Vochtig heischrale graslanden Omschrijving

Actueel: 1 ha
Behoud actuele oppervlakte + 5 ha toename door uitbreiding.
Einddoel: 6 ha

Goed ontwikkeld vochtig heischraal grasland met:

  • beperkte strooisellaag, vervilting en verruigingsindicatoren;
  • bedekking van sleutelsoorten > 30%;
  • beperkte boomopslag (<10%);
  • buffering tegen externe invloeden;
  • herstel bodems tot gewenst trofieniveau.

Doel + +
6230 - Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa) subtype 6230_hn droge heischrale graslanden Omschrijving

Actueel: 66 ha
Behoud actuele oppervlakte met een belangrijke kwaliteitsverbetering + 6 ha toename door omvorming.
Einddoel: 72 ha

Goed ontwikkeld droog heischraal grasland met:

  • korte vegetatie (< 25 cm) met een bedekking van > 30% van de sleutelsoorten en <5% verruiging;
  • buffering tegen externe invloeden;
  • herstel bodems tot gewenst trofieniveau;
  • zonbeschenen en weinig tot geen strooisellaag.

Doel + +
6430 - Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland en van de montane en alpiene zones subtype 6430_hf moerasspireaverbond (moerasspirearuigten) Omschrijving

Actueel: 5 ha
Behoud actuele oppervlakte
Einddoel: 5 ha

Afwisseling van moerasspirearuigten in complex met kleine zeggenvegetaties. Deze zijn tijdelijk qua ligging en duur en komen verspreid voor de in de vallei in samenhang met 7140_meso. Ze ontstaan hier door achterwege laten van beheer waardoor kleine zeggenvegetaties verruigen tot moerasspirearuigten en uiteindelijk evolueren tot wilgenstruweel.

Doel + +
7110 - Actief hoogveen Omschrijving

Actueel: kennishiaat
Einddoel: 1,5 ha

Voldoende staat van instandhouding met:

  • zeer constante waterstand, GVG onder tot bijna gelijk met maaiveld;
  • veenmoslaag tussen 10-50% met minstens 2 bultveenmossen;
  • verbossing van minder dan 5%;
  • vergrassing van < 10%;
  • oppervlakte veenlichaam > 0,1 ha;
  • buffering tegen externe invloeden;
  • intact veenlichaam.

Doel + +
7140 - Overgangs- en trilveen Subtype 7140_oli oligotroof en zuur overgangsveen Omschrijving

Actueel: 48 ha
Behoud actuele oppervlakte in complex met habitattype 4010 + toename van 18 ha door omvorming
Einddoel: 66 ha

Goed ontwikkeld zuur overgangsveen met:

  • aanwezigheid van hoogveenontwikkeling, met een veenmoslaag van > 50% en hoge bedekking van de sleutelsoorten;
  • beperkte boomopslag (< 10%);
  • beperkte vergrassing met pijpestrootje (< 30%);
  • natuurlijke hydrologie met permanente grondwatertafel rond maaiveldniveau (GHG range 15 cm –mv / 0 cm +mv en GLG > 25 cm -mv, amplitude 25 cm);
  • oligotroof grondwater, met lage conductiviteit en voldoende lage waardes voor NO3-N en Po4-P;
  • beperkte strooisellaag met een bedekking van < 20%.

Doel + +
7140_meso mineraal arm circum-neutraal overgangsveen kleine zeggenvegetaties Omschrijving

Actueel: 0 ha
+ 5 ha toename door omvorming
Einddoel: 5 ha

Goed ontwikkelde laagveenvegetaties met:

  • natuurlijke hydrologie met grondwaterstanden schommelend rond het maaiveld;
  • minder dan 10% boom-of struikopslag in het habitat;
  • 5 sleutelsoorten met een bedekking van minstens 70% en minder dan 10% structuurschade door vertrappeling;
  • buffering tegen externe invloeden;
  • inbedding in matrix van soortenrijke graslanden, rietlanden met natuurlijke waterhuishouding en rbb.

Doel = +
7150 - Slenken in veengronden met vegetatie behorend tot het Rhynchosporion Omschrijving

Actueel: 5 ha
Behoud actuele oppervlakte in complex met habitattype 4010
Einddoel: 5 ha

Goed ontwikkelde slenken in veengronden met:

  • verwevenheid binnen het heidelandschap met pioniersstadia;
  • frequente aanwezigheid van meer dan 3 pioniersoorten;
  • voldoende open plekken;
  • natuurlijke hydrologie (s’ winters boven maaiveld).

Doel + +
9190 - Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur en 9120 - Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei (Quercion robori-petraeae of Ilici-Fagenion) Omschrijving

Actueel: 184 ha (9190) en 25 ha (9120)
Behoud actuele oppervlakte + 1360 ha toename door omvorming.
Einddoel: 1569 ha

Goed ontwikkelde zuurminnende eikenbossen met:

  • behoud oude bij voorkeur inheemse bomen (voor zwarte specht, vleermuizen);
  • voldoende structuurrijkdom;
  • < 10% invasieve exoten;
  • streven naar ijle bossen met voldoende open plekken (voor nachtzwaluw, boomleeuwerik, wespendief, etc.) in aansluiting bij en rond de heidecomplexen;
  • creëren van mantel-zoomvegetaties met de overgangen naar het open heidelandschap.

Doel + +
91E0 - Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) subtype 91E0_meso mesotrofe elzenbroekbossen subtype 91E0_oli oligotrofe elzenbroekbossen, 91E0_eutr Ruigte elzenbossen Omschrijving

Actueel: 7 ha (91E0_meso: 1 ha, 91E0_oli: 1 ha, 91E0_eutr 5 ha)
Behoud actuele oppervlakte + 30 ha toename door omvorming
Einddoel: 37 ha

Ontwikkeling van complex van alluviaal bos in een mozaïeklandschap met veel open plekken met:

  • een gevarieerde bosstructuur met voldoende dood hout en sleutelsoorten van het mesotrofe subtype;
  • behoud en/of herstel van een voor dit habitattype gunstige waterhuishouding (kwantitatief en kwalitatief);
  • ontwikkeling van structuurrijke bosranden en moerasspirearuigten;
  • buffering tegen externe invloeden.

Soorten - Heide, vennen en bossen op en rond Kamp van Beverlo

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
Blauwborst Omschrijving

Jaarlijkse broedvogel met 45-65 broedparen, verspreid over de 4 landschappen. Deze doelstelling spoort samen met de oppervlakte doelstelling voor 4010, 7140_meso, 6430, ingebed in een matrix van soortenrijke graslanden en regionale biotopen en behoeft geen extra leefgebied.

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied bestaande uit:

  • moerassige vegetaties, rietlanden, laagveenvegetaties met beperkte boomopslag of struweel, soortenrijke graslanden;
  • boorden van waterlopen met ruige vegetatie;
  • geen menselijke verstoring tijdens de broedperiode.

Doel = +
Blauwe kiekendief Omschrijving

2-5 als wintergast Deze doelstelling vraagt geen extra leefgebied maar spoort samen met de doelen voor habitattypes van heide en laagveen.

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied (als wintergast) met grootschalig open heidelandschap met heide en vennen en voldoende voedselaanbod. Open foerageergebied op soortenrijke graslanden en rbb.

Doel =/+ +
Boomleeuwerik Omschrijving

2-3 kernpopulaties van > 60 broedparen Behoud tot lichte stijging van de kernpopulaties. Deze doelstelling spoort samen met de oppervlakte doelstelling voor 4030, 2310, 2330 en behoeft géén extra leefgebied.

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied met:

  • open heide- en landduinenlandschap dat schaars begroeid is met bomen, overgangen naar soortenrijke graslanden en rbb;
  • beperken van recreatieve verstoring tijdens broedseizoen;
  • bosrandenbeheer voeren aan zones met buntgrasvegetaties.

Doel + +
Drijvende waterweegbree Omschrijving

Minimum 4 groeiplaatsen, waarbij elke groeiplaatsen > 50 m2 of uit 100 planten bestaat.

Kwaliteitsvereisten: zie kwaliteitsdoelen voor habitattype 3130 (Landschap: Heide, vennen en bossen op en rond Kamp van Beverlo).

Doel geen doelstelling +
Duinpieper Omschrijving

Actueel als broedvogel uitgestorven in Vlaanderen 3bp zijn aangemeld. Sinds 2000 verdwenen als broedvogel, maar nog wel waargenomen tijdens trek.

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied met:

  • warme droge zandige open heidegebieden;
  • behoud pioniersstadia van duinen met ijle begroeiing;
  • beperken van verstoring tijdens broedseizoen.

Deze doelstelling spoort samen met herstel van landduinen – habitattypes 2310, 2330 en behoeft geen extra leefgebied.

Doel + +
Gevlekte witsnuitlibel Omschrijving

Herstel van leefgebied

Complex van geschikt water- en landhabitat in het heidelandschap. Kwaliteitsdoelen nagenoeg volledig gedekt middels doelen voor habitat 3130, 7140 en de heikikker. Nadruk op overgangen tussen verlandingsveen en waterhabitats en dekking met drijvende en ondergedoken waterplanten van 10-70%.

Doel + +
Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger Omschrijving

Het voordragen van populatiedoelen voor deze soorten is onmogelijk, aangezien voor alle soorten te weinig gekend is van de populaties in het SBZ. Het is echter wel zinvol om aan te geven op welke vlakken de leefgebieden voor de vleermuissoorten in het SBZ-H kunnen verbeterd worden. Aangenomen wordt dat indien de biotopen maximaal verbeterd worden, de vleermuissoorten die daarbij gebaat zijn eveneens in een goede staat van instandhouding zullen verkeren.

Gericht beheer van bossen volgens de Criteria voor Duurzaam Bosbeheer voor privé-boseigendommen en via de beheervisie waar ANB het beheer voert. Bijzondere aandacht dient gegeven aan oude bomen (toekomstbomen), open plekken en geleidelijke bosranden, en hun bereikbaarheid onderling in functie van deze soorten.

Doel + +
Gladde slang Omschrijving

Bronpopulatie van minimum 400 adulte dieren die zich uitstrekt over het volledige heidelandschap. Deze doelstelling spoort samen met herstel van het heidelandschap – habitattypes 2310, 2330, 4030, 4010, 6230, waarbij de ontwikkeling van een heidecorridors in de SBZ voorzien is tussen het Pijnven, het Kamp van Beverlo via de Grote Nete vallei, brongebied Zwarte beek en Bolisserbeek, Resterheide, en Molenheide. De ontwikkeling van een heidestapsteen in het brongebied van de Zwarte beek en de bovenloop van de Bolisserbeek spoort samen met leefgebied grauwe kiekendief en heidestapsteen voor rugstreeppad, heikikker, knoflookpad en habitattypische soort gentiaanblauwtje. Voor gladde slang is daarnaast een extra leefgebied van 67 ha nodig, dit is gespecifieerd bij de habitatdoelen van het Landschap van de vallei van de Zwarte beek en het Landschap van Dommel en Bolisserbeek.

Aanwezigheid van open droge terreinen (heide, open bossen) met structuurrijke vegetatie en open plekken doorheen de SBZ met elkaar verbonden via geschikt habitat voor de soort.

Doel + +
Grauwe kiekendief Omschrijving

3 broedparen. De soort lift mee met de doelstellingen in de SBZ opgenomen bij de verschillende habitattypen, behorend tot het leefgebied van de grauwe kiekendief (heidehabitats, halfnatuurlijke graslanden, laagveenvegetaties). Het leefgebied van grauwe kiekendief overschrijdt de grenzen van deze SBZ. Tot het leefgebied van de grauwe kiekendief behoren eveneens de SBZ-V 3.10 ‘Bocholt, Hechtel-Eksel, Meeuwen-Gruitrode, Neerpelt en Peer’ en de SBZ-V 3.13 ‘Houthalen-Helchteren, Meeuwen-Gruitrode en Peer’ (schietveld van Houthalen-Helchteren).

Goed ontwikkeld leefgebied, bestaande uit:

  • open landschap bestaande uit heide (4030, 4010), heischrale graslanden (6230_hn en 6230_hmo), in matrix van soortenrijke graslanden en regionale belangrijke biotopen in de verschillende beekvalleien (Helderbeek, Broekbeek, Grote Nete, Zwarte beek, Bolisserbeek);
  • voldoende geschikte broedplaatsen en verbeteren van de voedselbeschikbaarheid;
  • behoud en kwaliteitsverbetering van de actuele oppervlakte graslanden en regionale biotopen.

Doel + +
Heikikker Omschrijving

7 populaties van minimaal 200 roepende mannetjes op telkens 5 voortplantingsplaatsen. Herstel van populatie in Brongebied Zwarte Beek-Bolisserbeek. Deze doelstelling spoort samen met herstel van voedselarme vennen 3130, 3160 en vochtige/venige heide 4010, 7140_oli in het heidelandschap.

Complex van geschikt water- en landhabitat in het heidelandschap en verbinding van de verschillende populaties.

Doel = =
Kamsalamander Omschrijving

Duurzaam behoud van actuele populatie in Kamp Beverlo, vallei van de Grote Nete (Lochterpoel) en aan de Begijnevijvers. Deze doelstelling spoort samen met de doelen voor vennen en kleinschalige beekdallandschappen.

Geen extra kwaliteitsdoelstelling.

Doel geen doelstelling +
Korhoen Omschrijving

Actueel als broedvogel uitgestorven in Vlaanderen Laatste broedgeval in 1999 in noordelijk deel van het Kamp van Beverlo.

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied met:

  • mozaïek van uitgestrekt heide- en veengebieden, met open berkenbossen, extensief beheerde hooilanden, aansluitend bij kleinschalig extensief beheerde akkers;
  • overgangen naar soortenrijke graslanden en rbb;
  • aanwezigheid van bosbes in de bossen;
  • bedekking van jonge opslag van bomen en struiken in de heidevegetatie met 30%;
  • afwisseling met sommige hoogopschietende delen van de heide;
  • beperken van verstoring tijdens broedseizoen.

Deze doelstelling spoort samen met herstel van droge en vochtige heide, heischrale graslanden – habitattypes 4030, 4010, 6230_hmo, soortenrijke graslanden en rbb in de beekvalleien en behoeft geen extra leefgebied.

Doel = +
Middelste bonte specht, Zwarte specht Omschrijving

Minimaal behoud actuele populatiegrootte. Deze doelstelling spoort samen met de oppervlakte doelstelling voor 9190, 9120, en behoeft géén extra leefgebied.

Bossen met voldoende variatie aan (loof)boomsoorten, voldoende oude bomen en open plekken. Deze doelstelling spoort samen met de doelstellingen voor de habitats 9190 en 9120.

Doel =/+ +
Nachtzwaluw Omschrijving

8 kernpopulaties van > 30 broedparen Behoud tot lichte stijging van de kernpopulaties Deze doelstelling spoort samen met de oppervlakte doelstelling voor 4030, 2310, 2330 en behoeft géén extra leefgebied.

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied met:

  • structuurrijke heidelandschap met een geleidelijke overgang naar open tot halfopen bossen, soortenrijke graslanden en rbb;
  • zandige ruimten en onbegroeide plekken;
  • beperkt aandeel verspreide bomen;
  • beperken van recreatieve verstoring tijdens broedseizoen.

Doel = +
Poelkikker Omschrijving

Behoud van de soort op de actuele locaties.

De kwaliteitseisen worden grotendeels gedekt door deze van Heikikker (zie Heikikker). Voortplantingswateren dienen jaarrond water te houden.

Doel + +
Rosse vleermuis, Ruige/Gewone/Kleine dwergvleermuis Omschrijving

Het voordragen van populatiedoelen voor deze soorten is onmogelijk, aangezien voor alle soorten te weinig gekend is van de populaties in het SBZ. Het is echter wel zinvol om aan te geven op welke vlakken de leefgebieden voor de vleermuissoorten in het SBZ-H kunnen verbeterd worden. Aangenomen wordt dat indien de biotopen maximaal verbeterd worden, de vleermuissoorten die daarbij gebaat zijn eveneens in een goede staat van instandhouding zullen verkeren.

Waterplassen die voor vleermuizen bereikbaar zijn vanuit de bosgebieden. Bosgebieden met een goede horizontale en verticale structuur. Bijzondere aandacht dient gegeven aan open plekken en geleidelijke bosranden, vooral nabij deze open waterpartijen en hun bereikbaarheid hiernaartoe.

Doel + +
Rugstreeppad Omschrijving

17 populaties van minimaal 200 roepende mannetjes op telkens 5 voortplantingsplaatsen waarbij: behoud 10 populaties Kamp van Beverlo, behoud van 1 populatie Helderbeekvallei, Kraanberg en Remo, uitbreiding te verwachten door herstel heide en venvegetaties in Molenheide, Pijnven, Koerselse Heide/Bergen, brongebied Zwarte beek. Deze doelstelling spoort samen met herstel van het heidelandschap – habitattypes 2310, 2330, 3130 en 3160, 4030, 4010 en vereist geen extra leefgebied.

Complex van geschikt water- en landhabitat in het heidelandschap.

Doel = +
Wespendief Omschrijving

Minstens behoud van actuele populatiegrootte van 4-6 bp. Deze doelstelling spoort samen met doelstellingen voor habitattype 9190, 9120, halfnatuurlijke graslanden, ingebed in een matrix van soortenrijke graslanden en regionale biotopen en behoeft géén extra leefgebied.

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied bestaande uit:

  • mozaïek van structuurrijke bossen met voldoende open plekken en boszomen in een open landschap met soortenrijke graslanden of regionale biotopen;
  • weinig of geen menselijke verstoring rond de nestplaats.

Dommel en Bolisserbeek

Dit landschap heeft een oppervlakte van 822 ha en omvat de smalle valleien van de stroomopwaartse delen van de Dommel en Bolisserbeek. De Europese bescherming van de Dommel bevindt zich stroomafwaarts van de Wedelse molen en omvat onder meer het samenvloeiingsgebied van Dommel en Bolisserbeek (’t Hoksent) en zijbeek Peerderloop.

De smalle vallei wordt gekenmerkt door een versnipperd landschap met broekbos, plaatselijk graslanden en soms intensief landgebruik (akkers). Lokaal zijn er zones met goed ontwikkelde graslanden, zoals veldrusgraslanden, waarvan een uitzonderlijk goed ontwikkeld perceel met alle kensoorten is terug te vinden ter hoogte van ’t Hoksent. Doordat de vallei zo bijzonder langgerekt en smal is, zijn er veel grenzen met intensief landgebruik. In de beekvallei komen héél wat weekendhuisjes voor.De beken zijn door rechttrekking in de jaren 1960 gekenmerkt door een aangetaste structuurkwaliteit en veroorzaken door diepe ligging ten opzichte van omgevend maaiveld verdroging. Deze valleien vormen de corridor van het Schietveld van Houthalen-Helchteren met het Kamp van Beverlo en de noordelijk gelegen natuurgebieden, zoals het Hageven.

In het “Landschap van Dommel en Bolisserbeek” komen volgende habitattypen en soorten voor, waarvoor de SBZ op Vlaams niveau essentieel tot zeer belangrijk is:

  • mesotrofe valleibossen
  • halfnatuurlijke graslanden: veldrusgraslanden
  • broedvogels: blauwborst, ijsvogel, wespendief
  • knoflookpad
  • rivierhabitats waaronder vegetaties van het type 3260

Belangrijkste doelstelling is herstel van een hydrologisch intact beekdalsysteem voor zowel de Dommel als de Bolisserbeek, met een natuurlijk meanderende beek behorend tot het habitattype 3260. Lokaal komt dit habitattype voor; uitbreiding is mogelijk door structuurherstel van de beek, herstel van het beekbodempeil, verbetering waterkwaliteit en exotenverwijdering. Tegelijkertijd wordt dan ook het knelpunt van verdroging opgelost en de kwaliteit van verschillende habitattypen op veen in de vallei verbeteren.

Zowel voor Bolisserbeek als Dommel wordt de landschappelijke versnippering opgeheven door grote aaneengesloten elzenbroekbossen (91E0) af te wisselen met mozaïeken van laagveen (7140_meso), veldrusgraslanden (6410_ve) en soortenrijke graslanden en regionale biotopen. In de vallei van de Dommel en Bolisserbeek komt net zoals in de Grote Nete en Zwarte beek een groot veenpakket voor van ongeveer 180 ha. De graslanden zijn belangrijk in het mozaïeklandschap als foerageergebied voor wespendief en blauwborst. Daarnaast ook voor habitattypische soorten zoals roodborsttapuit en geelgors. Omdat deze graslanden naadloos aansluiten bij alluviale bossen (91E0), laagveen (7140_meso) en natte graslanden (6410_ve), of ze zelfs met elkaar verbinden, dragen ze bij aan het bereiken van hoge dichtheden van de eraan gebonden soorten. Ze zorgen voor een kwaliteitsverbetering van de topografisch lager gelegen mesotrofe habitattypen, waardoor binnen het mozaïeklandschap, een goede kwaliteit van de habitattypes kan behouden blijven of gerealiseerd worden.

In de bovenloop van de Bolisserbeek wordt 160 ha buffering van het vallei-ecosysteem vooropgesteld vanuit landbouw (uit Bs, Hx en Hp); dit is cruciaal voor het duurzaam behoud en ontwikkeling van het beekdalecosysteem met laagveen, alluviaal bos en in de beek zelf het beekhabitattype 3260. De percelen dienen onbemest en vrij van pesticidengebruik te zijn. Herstel van de bodem tot het gewenst trofie-niveau is noodzakelijk, om verdere uitspoeling van nutriënten in de bodem te vermijden. Herstel van de waterhuishouding is pas mogelijk na herstel van de bodem. Ze dienen verder bouwvrij gehouden te worden. Er zal met de verschillende actoren in het brongebied Zwarte Beek gezocht/gemonitord/opgevolgd worden welke maatregelen het meest efficiënt zijn. De eutrofiëringsbronnen dienen afgebakend te worden zodat kostenefficiënte maatregelen ter remediëring kunnen worden opgestart.De bovenloop van de Bolisserbeek is daarnaast het leefgebied van knoflookpad: het leefgebied wordt verbeterd door aanleg van poelen, heidehabitats met voldoende open zand. De bovenloop van de Bolisserbeek met Resterheide is tevens een heide-stapsteen voor heikikker, knoflookpad, gladde slang en doelsoorten van heide-ecosystemen (zoals gentiaanblauwtje, heivlinder, heideblauwtje, kommavlinder, hooibeestje, groentje) naar andere heidekernen.

Habitats - Dommel en Bolisserbeek

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
3260 - Submontane en laagland rivieren met vegetaties behorend tot het Ranunculion fluitans en het Callitricho-Batrachion Omschrijving

Actueel: < 1 ha (ongeveer 6 km)
Behoud actuele oppervlakte + omvorming, zodat dit habitattype over de loop van de Dommel en haar zijarmen voorkomt. Een kwantificatie van de oppervlakte is moeilijk
Einddoel: 1-8 km

Dynamisch meanderend riviersysteem met:

  • natuurlijke beek- en oeverstructuur;
  • natuurlijke stromings- en waterpeildynamiek;
  • helder water met een hoge stroomdiversiteit, zonder invasieve soorten en met voldoende zonbeschenen delen;
  • voldoen aan de richtwaarden voor oppervlaktewaterkwaliteit ‘kleine Kempische beek’ (conform Besluit van de Vlaamse regering dd. 21 mei 2010 voor wat betreft de milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewateren, waterbodems en grondwater);
  • voldoende brede bufferzones langsheen de waterloop.

Doel + +
4010 - Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix Omschrijving

Actueel: 0 ha
+ 20 ha toename door uitbreiding in functie van leefgebied gladde slang
Einddoel: 20 ha

Goed ontwikkelde vochtige heide vegetaties met:

  • aanwezigheid van lokaal frequente veenmoslaag en meer dan 1 veenmossoort;
  • beperkte boomopslag (< 10%)beperkte vergrassing met pijpestrootje (< 30%);
  • natuurlijke hydrologie (GHG: 20 cm-mv en 0(5) cm +mv, GLG 60-70 cm –mv, amplitude < 50cm);
  • oligotroof grondwater, met lage conductiviteit en voldoende lage waardes voor NO3-N en Po4-P;
  • buffering tegen externe invloeden;
  • inbedding in matrix van soortenrijke graslanden en regionale belangrijke biotopen.

Doel + +
4030 - Droge Europese heide Omschrijving

Actueel: 6 ha
Behoud actuele oppervlakte + toename van 53 ha, waarvan 30 ha door uitbreiding voor leefgebied gladde slang
Einddoel: 59 ha

Goed ontwikkelde droge heidevegetatie met:

  • hoge structuurrijkdom met aanwezigheid van alle ouderdomsstadia (van pionier- tot degeneratiestadium);
  • beperkt aandeel Pijpenstrootje (<25%);
  • zo beperkt mogelijke verbossingsgraad (<10%);
  • buffering tegen externe invloeden;
  • inbedding in matrix van soortenrijke graslanden en regionale belangrijke biotopen.

Doel + +
6230 - Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa) subtype 6230_hn droge heischrale graslanden Omschrijving

Actueel: 0 ha
+ 7 ha toename door uitbreiding in functie van leefgebied gladde slang.
Einddoel: 7 ha

Goed ontwikkeld droog heischraal grasland met:

  • korte vegetatie (< 25 cm) met een bedekking van > 30% van de sleutelsoorten en <5% verruiging;
  • buffering tegen externe invloeden;
  • inbedding in matrix van soortenrijke graslanden en regionale belangrijke biotopen;
  • zonbeschenen en weinig tot geen strooisellaag.

Doel + +
6410 - Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Molinion caeruleae) subtype 6410_ve veldrusassociatie (veldrusgraslanden) Omschrijving

Actueel: < 0,5 ha
Behoud van de actuele oppervlakte + toename door omvorming naar einddoel: 4 ha

Goed ontwikkelde mestrofe graslanden, die niet aangerijkt worden met nutriënten en gebufferd zijn tegen externe invloeden met:

  • specifieke natuurlijke hydrologie met mineraalrijke kwel;
  • zonbeschenen, beperkte boom- en struikopslag (<5%);
  • hoog aandeel sleutelsoorten (>5);
  • bedekking van lage schijngrassen hoger dan 30%;
  • buffering tegen externe invloeden;
  • inbedding in matrix van soortenrijke graslanden en regionale belangrijke biotopen.

Doel = +
6430- Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland en van de montane en alpiene zones subtype 6430_hf moerasspireaverbond (moerasspirearuigten) Omschrijving

Actueel: 20 ha
Behoud actuele oppervlakte
Einddoel: 20 ha

Afwisseling van moerasspirearuigten in complex met kleine zeggenvegetaties. Deze zijn tijdelijk qua ligging en duur en komen verspreid voor de in de vallei in samenhang met 7140_meso. Ze ontstaan hier door achterwege laten van beheer waardoor kleine zeggenvegetaties verruigen tot moerasspirearuigten en uiteindelijk evolueren tot wilgenstruweel.

Doel + +
7140_meso mineraal arm circum-neutraal overgangsveen kleine zeggenvegetaties Omschrijving

Actueel: 0 ha + 25 ha toename door omvorming
Einddoel: 25 ha

Goed ontwikkelde laagveenvegetaties met:

  • natuurlijke hydrologie met grondwaterstanden schommelend rond het maaiveld;
  • minder dan 10% boom-of struikopslag in het habitat;
  • 5 sleutelsoorten met een bedekking van minstens 70% en minder dan 10% structuurschade door vertrappeling;
  • buffering tegen externe invloeden;
  • inbedding in matrix van soortenrijke graslanden en regionale belangrijke biotopen.

Doel = +
9190 - Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur en 9120 - Atlantisch zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei Subtype beekbegeleidend bos Omschrijving

Actueel: 14 ha (9190: 10 ha; 9120: 4 ha)
Behoud actuele oppervlakte + 9 ha toename door omvorming
Einddoel: 23 ha

De ecologische bosfunctie primeert en alle beheeringrepen zijn gericht op de ontwikkeling en substantiële verbetering van dit habitattype via volgende verbeteropgaven: terugdringen van naaldhout en verwijderen van exoten; verhogen aandeel dood hout; verbeteren van de horizontale en verticale structuur met bijzondere aandacht voor de bosranden aansluitend bij habitattype 6410_ve.

Doel + +
91E0 - Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) subtype 91E0_meso mesotrofe elzenbroekbossen subtype 91E0_oli oligotrofe elzenbroekbossen, 91E0_eutr Ruigte elzenbossen Omschrijving

Actueel: 73 ha (91E0_meso: 57 ha; 91E0_oli: 11 ha; 91E0_eutr: 5 ha)
Behoud actuele oppervlakte + toename van 99 ha, waarvan 59 ha door uitbreiding.
Einddoel: 172 ha

Ontwikkeling van complex van beide subtypes in een mozaïeklandschap met veel open plekken met:

  • een gevarieerde bosstructuur met veel open plekken, voldoende dood hout en sleutelsoorten van het oligo- of mesotrofe subtype;
  • behoud en/of herstel van een voor dit habitattype gunstige waterhuishouding (kwantitatief en kwalitatief) zodat grote kernen van het oligotrofe subtype en mesotroof subtype zich kunnen ontwikkelen;
  • ontwikkeling van structuurrijke bosranden;
  • buffering tegen externe invloeden.

Soorten - Dommel en Bolisserbeek

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
Beekprik Omschrijving

Versterken populatie in de Zwarte beek die voldoet aan een goede staat van instandhouding (> 200 ind/ha). Terugkeer van populaties in de Grote Nete, door kolonisatie vanuit stroomafwaartse populatie in Scheps. Herintroductie in Dommel – Bolisserbeek of terugkeer van populaties door kolonisatie vanuit stroomafwaartse populatie in Eindhoven mogelijk na oplossing van vismigratieknelpunten.

Goed ontwikkeld leefgebied in gans het traject van Zwarte beek, Grote Nete, Dommel en Bolisserbeek, bestaande uit:

  • structuurrijk (meanderend) beekbiotoop met zand en grindige banken;
  • voldoen aan de richtwaarden voor oppervlaktewaterkwaliteit ‘kleine Kempische beek’ (conform Besluit van de Vlaamse regering dd. 21 mei 2010 voor wat betreft de milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewateren, waterbodems en grondwater);
  • bijkomende kwaliteitseisen ten opzichte van het habitattype 3260 inzake : BZV, zuurstofgehalte en temperatuur en afwezigheid migratieknelpunten;
  • natuurlijk hydrologisch regime en beperkte sedimentlast;
  • vrije mismigratie, van bovenloop tot middenloop;
  • aangepast beekruimingsbeleid;
  • voldoende buffering tegen externe invloeden.

Doel + +
Blauwborst Omschrijving

Jaarlijkse broedvogel met 45-65 broedparen, verspreid over de 4 landschappen. Deze doelstelling spoort samen met de oppervlakte doelstelling voor 4010, 7140_meso, 6430, ingebed in een matrix van soortenrijke graslanden en regionale biotopen en behoeft geen extra leefgebied.

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied bestaande uit:

  • moerassige vegetaties, rietlanden, laagveenvegetaties met beperkte boomopslag of struweel, soortenrijke graslanden;
  • boorden van waterlopen met ruige vegetatie;
  • geen menselijke verstoring tijdens de broedperiode.

Doel + +
Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger, Rosse vleermuis Omschrijving

Het voordragen van populatiedoelen voor deze soorten is onmogelijk, aangezien voor alle soorten te weinig gekend is van de populaties in het SBZ. Het is echter wel zinvol om aan te geven op welke vlakken de leefgebieden voor de vleermuissoorten in het SBZ-H kunnen verbeterd worden. Aangenomen wordt dat indien de biotopen maximaal verbeterd worden, de vleermuissoorten die daarbij gebaat zijn eveneens in een goede staat van instandhouding zullen verkeren.

Gericht beheer van bossen volgens de Criteria voor Duurzaam Bosbeheer voor privé-boseigendommen en via de beheervisie waar ANB het beheer voert. Bijzondere aandacht dient gegeven aan oude bomen (toekomstbomen), open plekken en geleidelijke bosranden, en hun bereikbaarheid onderling in functie van deze soorten.

Doel + +
Gladde slang Omschrijving

Bronpopulatie van minimum 400 adulte dieren die zich uitstrekt over het volledige heidelandschap. Deze doelstelling spoort samen met herstel van het heidelandschap – habitattypes 2310, 2330, 4030, 4010, 6230, waarbij de ontwikkeling van een heidecorridors in de SBZ voorzien is tussen het Pijnven, het Kamp van Beverlo via de Grote Nete vallei, brongebied Zwarte beek en Bolisserbeek, Resterheide, en Molenheide. De ontwikkeling van een heidestapsteen in het brongebied van de Zwarte beek en de bovenloop van de Bolisserbeek spoort samen met leefgebied grauwe kiekendief en heidestapsteen voor rugstreeppad, heikikker, knoflookpad en habitattypische soort gentiaanblauwtje. Voor gladde slang is daarnaast een extra leefgebied van 67 ha nodig, dit is gespecifieerd bij de habitatdoelen van het Landschap van de vallei van de Zwarte beek en het Landschap van Dommel en Bolisserbeek.

Aanwezigheid van open droge terreinen (heide, open bossen) met structuurrijke vegetatie en open plekken doorheen de SBZ met elkaar verbonden via geschikt habitat voor de soort.

Doel + +
IJsvogel Omschrijving

Jaarlijkse broedvogel met 9-15 broedparen.

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied bestaande uit:

  • natuurlijke oevers met plaatselijk steile bij voorkeur zandige wanden;
  • voldoende helder water;
  • groot aanbod aan kleine vissen;
  • geschikte foerageergebieden met visrijke waterhabitats.

Doel = =
Kamsalamander Omschrijving

Duurzaam behoud van actuele populatie in Kamp Beverlo, vallei van de Grote Nete (Lochterpoel) en aan de Begijnevijvers. Deze doelstelling spoort samen met de doelen voor vennen en kleinschalige beekdallandschappen.

Geen extra kwaliteitsdoelstelling.

Doel + +
Knoflookpad Omschrijving

Versterking van de populatie, dat wil zeggen een toename van de actuele populatiegrootte tot een bronpopulatie in de bovenloop van de Bolisserbeek (Bomerheide, Resterheide), in de bovenloop van de Dommel ter hoogte van Mullermerbemden en Molhem en aansluitend ontwikkelen van leefgebied voor een duurzame populatie in het brongebied van de Zwarte beek: bronpopulatie van minimaal 100 roepende mannetjes op telkens minimaal 5 voortplantingsplaatsen.

Goed ontwikkeld leefgebied bestaande uit:

  • qua landbiotoop: de kwaliteit van de 2310 en 4030 verbeteren met de nadruk op creëren van open zandige plekken en het verbinden van deze heidetypes;
  • qua voortplantingsbiotoop: waterkwaliteit is belangrijk voor deze soort. Dit wordt gedekt middels de kwaliteitsvereisten voor oligo- tot mesotrofe wateren (habitattype 3130). Bijkomende eis is dat de plassen visvrij moeten zijn om predatie te voorkomen;
  • bijkomend voortplantingsbiotoop creëren onder de vorm van aanleg poelen in natte depressies in het brongebied van de Zwarte beek (Achter Zwarte water), bovenloop van de Bolisserbeek en Resterheide;
  • functioneel verbinden van leefgebieden door corridors van landbiotoop of andere types soortenrijke en schrale graslanden (soortenarme kamgraslanden, droge heischrale graslanden) in bovenloop van de Bolisserbeek.

Doel + +
Roerdomp Omschrijving

Satellietpopulatie van minimaal 1 broedpaar. Dit vereist een minimale oppervlakte leefgebied van 30 ha (Begijnevijver)

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied, bestaande uit:

  • geschikt leefgebied, bestaande uit rietland, moerasvegetaties (>50%) en open water (> 30%);
  • helder water met goede waterkwaliteit en een hoog voedselaanbod (jonge vis, ongewervelden, amfibieën);
  • voldoende rust en waar mogelijk het creëren van predatievrije broedgelegenheden tijdens broedperiode;
  • open vijverlandschap;
  • gevarieerde leeftijdsstructuur van de rietvegetaties: per broedkoppel is er nood aan minimaal 0,5 tot 2ha overjarig riet of lisdodde met een voldoende dikke kniklaag (opstapeling van oude stengels);
  • aanwezigheid verlandingsvegetaties (niet enkel riet/lisdodde, maar ook ondergedoken en drijvende watervegetaties);
  • hoog waterpeil in de leefgebieden tijdens het broedseizoen.

Doel + +
Rugstreeppad Omschrijving

17 populaties van minimaal 200 roepende mannetjes op telkens 5 voortplantingsplaatsen waarbij: behoud 10 populaties Kamp van Beverlo, behoud van 1 populatie Helderbeekvallei, Kraanberg en Remo, uitbreiding te verwachten door herstel heide en venvegetaties in Molenheide, Pijnven, Koerselse Heide/Bergen, brongebied Zwarte beek. Deze doelstelling spoort samen met herstel van het heidelandschap – habitattypes 2310, 2330, 3130 en 3160, 4030, 4010 en vereist geen extra leefgebied.

Complex van geschikt water- en landhabitat in het heidelandschap.

Doel = +
Wespendief Omschrijving

Minstens behoud van actuele populatiegrootte van 4-6 bp. Deze doelstelling spoort samen met doelstellingen voor habitattype 9190, 9120, halfnatuurlijke graslanden, ingebed in een matrix van soortenrijke graslanden en regionale biotopen en behoeft géén extra leefgebied.

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied bestaande uit:

  • mozaïek van structuurrijke bossen met voldoende open plekken en boszomen in een open landschap met soortenrijke graslanden of regionale biotopen;
  • weinig of geen menselijke verstoring rond de nestplaats.

Vallei van de Grote Nete

Dit landschap heeft een oppervlakte van 613 ha en strekt zich van het brongebied van de Grote Nete stroomopwaarts N715 ter hoogte van Locht tot net stroomafwaarts Rode bron in Kerkhoven. Het omvat onder meer het natuurgebied Veeweide, de recreatiezone “Kiefhoek” en de noordrand van het Kamp van Beverlo langs de linkeroever van de Grote Nete. Het valleigebied bestaat uit natte veen- en zandgronden en ligt ingebed tussen het boscomplex van het Pijnven en het heidecomplex van het Kamp van Beverlo. Plaatselijk komen goed ontwikkelde kleine zeggen vegetaties voor. Een groot aandeel ervan is verbost. In de beekvallei komen héél wat weekendhuisjes voor. Vaak liggen deze in een complex van alluviaal bos.

Stroomafwaarts op 760 m ligt de SBZ-H BE2100040-1 van “Bovenloop van de Grote Nete met Zammelsbroek, Langdonken en Goor” met grote natuurkernen zoals Scheps (Vlaamse overheid) en E205 De Vennen (Natuurpunt). Behoud en herstel van de beekvallei in relatie tot de stroomafwaartse gebieden is een belangrijke doelstelling.. Mits opheffen van de vismigratieknelpunten op de Grote Nete stroomafwaarts, kan de populatie beekprik uitbreiden, evenals het habitattype 3260.

In het “Landschap van de Grote Nete” komen volgende habitattypen en soorten voor, waarvoor de SBZ op Vlaams niveau essentieel tot zeer belangrijk is:

  • mesotrofe valleibossen
  • laagveenhabitats (7410_meso)
  • broedvogels: blauwborst, ijsvogel, wespendief, nachtzwaluw

De Grote Nete heeft gelijkaardige potenties voor de ontwikkeling van laagveenhabitats als de Zwarte beek. De doelstelling bestaat erin complexen van aaneengesloten elzenbroekbossen (91E0) te creëren afwisselend met laagveenhabitats zoals overgangsveen 7140_meso op veengronden. In de randzone van het Kamp van Beverlo komen nog relicten van dit habitattype voor met alle kensoorten. Voor beide habitattypen geldt dat een uitbreiding en goede staat van instandhouding gekoppeld is aan herstel van de natuurlijke waterhuishouding: een intact grondwatersysteem (voldoende kwel en beperkte ontwatering), een kwaliteitsvolle beekstructuur met natuurlijk overstromingsregime.

De laagveenhabitats en de beek zelf zijn omgeven door een ruimtelijk samenhangend geheel van de soortenrijke graslanden en regionaal belangrijke biotopen. Deze doelstellingen komen verschillende habitatrichtlijnsoorten ten goede, waaronder ijsvogel, blauwborst, wespendief, porseleinhoen. Tevens is het leefgebied van habitattypische soorten van de heide zoals nachtzwaluw, korhoen, velduil, wespendief, grauwe kiekendief, wulp.

Uitbreiding en omvorming tot heide, omgeven door soortenrijke graslanden en regionale biotopen, is gesitueerd in het gebied Veeweide als verbinding tussen de landduincomplexen tussen het Pijnven met en het Kamp van Beverlo. Hiervan profiteert gladde slang.

Habitats - Vallei van de Grote Nete

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
3260 - Submontane en laagland rivieren met vegetaties behorend tot het Ranunculion fluitans en het Callitricho-Batrachion Omschrijving

Actueel: 0 ha
Toename door omvorming is mogelijk aangezien dit habitattype stroomafwaarts voorkomt in de Grote Nete in de SBZ Einddoel: 1-8 km

Dynamisch meanderend riviersysteem met:

  • natuurlijke beek- en oeverstructuur;
  • natuurlijke stromings- en waterpeildynamiek;
  • helder water met een hoge stroomdiversiteit, zonder invasieve soorten en met voldoende zonbeschenen delen;
  • voldoen aan de richtwaarden voor oppervlaktewaterkwaliteit ‘kleine Kempische beek’ (conform Besluit van de Vlaamse regering dd. 21 mei 2010 voor wat betreft de milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewateren, waterbodems en grondwater);
  • voldoende brede bufferzones langsheen de waterloop.

Doel
4030 - Droge Europese heide Omschrijving

Actueel: 6 ha
Behoud actuele oppervlakte + toename van 24 ha
Einddoel: 30 ha

Goed ontwikkelde droge heide vegetaties met:

  • aanwezigheid van alle ouderdomstadia van struikhei;
  • beperkte boomopslag (max. 20%);
  • beperkte vergrassing met pijpestrootje, bochtige smele (30%);
  • hoge soortenrijkdom;
  • buffering tegen externe invloeden;
  • inbedding in matrix van soortenrijke graslanden en regionale belangrijke biotopen.

Doel = +
6430- Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland en van de montane en alpiene zones subtype 6430_hf moerasspireaverbond (moerasspirearuigten) Omschrijving

Actueel: 3 ha
Behoud actuele oppervlakte
Einddoel: 3 ha

Afwisseling van moerasspirearuigten in complex met kleine zeggenvegetaties. Deze zijn tijdelijk qua ligging en duur en komen verspreid voor de in de vallei in samenhang met 7140_meso. Ze ontstaan hier door achterwege laten van beheer waardoor kleine zeggenvegetaties verruigen tot moerasspirearuigten en uiteindelijk evolueren tot wilgenstruweel.

Doel + +
7140_meso mineraal arm circum-neutraal overgangsveen kleine zeggenvegetaties Omschrijving

Actueel: 9 ha
Behoud actuele oppervlakte + toename van 31 ha
Einddoel: 60 ha

Goed ontwikkelde laagveenvegetaties met:

  • natuurlijke hydrologie met grondwaterstanden schommelend rond het maaiveld;
  • beperkte aanwezigheid van boom-of struikopslag in het habitat;
  • 5 sleutelsoorten met een bedekking van minstens 70% en minder dan 10% structuurschade door vertrappeling;
  • buffering tegen externe invloeden;
  • inbedding in matrix van soortenrijke graslanden en regionale belangrijke biotopen.

Doel + +
9190 - Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur en 9120 - Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei (Quercion robori-petraeae of Ilici-Fagenion) Omschrijving

Actueel: 3 ha (9190: 1 ha en 9120: 2 ha)
Behoud actuele oppervlakte + toename van 27 ha door uitbreiding.
Einddoel: 30 ha

Goed ontwikkelde zuurminnende eikenbossen met:

  • behoud oude bij voorkeur inheemse loofbomen (voor zwarte specht, vleermuizen);
  • voldoende structuurrijkdom;
  • max. 10% invasieve exoten;
  • streven naar ijle bossen met voldoende open plekken (voor nachtzwaluw, boomleeuwerik, wespendief, etc.) in aansluiting bij en rond de heidecomplexen;
  • creëren van mantel-zoomvegetaties met de overgangen naar het open heidelandschap.

Doel + +
91E0 - Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) subtype 91E0_meso mesotrofe elzenbroekbossen, 91E0_eutr Ruigte elzenbossen Omschrijving

Actueel: 54 ha (91E0_meso: 51 ha; 91E0_eutr: 3 ha)
Behoud actuele oppervlakte + toename van 12 ha, waarvan 4 ha door uitbreiding.
Einddoel:66 ha

Ontwikkeling van complex van beide subtypes in een mozaïeklandschap met veel open plekken met:

  • een gevarieerde bosstructuur met veel open plekken, voldoende dood hout en sleutelsoorten;
  • behoud en/of herstel van een voor dit habitattype gunstige waterhuishouding (kwantitatief en kwalitatief) zodat grote kernen van het mesotroof subtype zich kunnen ontwikkelen;
  • ontwikkeling van structuurrijke bosranden;
  • buffering tegen externe invloeden.

Soorten - Vallei van de Grote Nete

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
Beekprik Omschrijving

Versterken populatie in de Zwarte beek die voldoet aan een goede staat van instandhouding (> 200 ind/ha). Terugkeer van populaties in de Grote Nete, door kolonisatie vanuit stroomafwaartse populatie in Scheps. Herintroductie in Dommel – Bolisserbeek of terugkeer van populaties door kolonisatie vanuit stroomafwaartse populatie in Eindhoven mogelijk na oplossing van vismigratieknelpunten.

Goed ontwikkeld leefgebied in gans het traject van Zwarte beek, Grote Nete, Dommel en Bolisserbeek, bestaande uit:

  • structuurrijk (meanderend) beekbiotoop met zand en grindige banken;
  • voldoen aan de richtwaarden voor oppervlaktewaterkwaliteit ‘kleine Kempische beek’ (conform Besluit van de Vlaamse regering dd. 21 mei 2010 voor wat betreft de milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewateren, waterbodems en grondwater);
  • bijkomende kwaliteitseisen ten opzichte van het habitattype 3260 inzake : BZV, zuurstofgehalte en temperatuur en afwezigheid migratieknelpunten;
  • natuurlijk hydrologisch regime en beperkte sedimentlast;
  • vrije mismigratie, van bovenloop tot middenloop;
  • aangepast beekruimingsbeleid;
  • voldoende buffering tegen externe invloeden.

Doel + +
Blauwborst Omschrijving

Jaarlijkse broedvogel met 45-65 broedparen, verspreid over de 4 landschappen. Deze doelstelling spoort samen met de oppervlakte doelstelling voor 4010, 7140_meso, 6430, ingebed in een matrix van soortenrijke graslanden en regionale biotopen en behoeft geen extra leefgebied.

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied bestaande uit:

  • moerassige vegetaties, rietlanden, laagveenvegetaties met beperkte boomopslag of struweel, soortenrijke graslanden;
  • boorden van waterlopen met ruige vegetatie;
  • geen menselijke verstoring tijdens de broedperiode.

Doel + +
Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger, Rosse vleermuis Omschrijving

Het voordragen van populatiedoelen voor deze soorten is onmogelijk, aangezien voor alle soorten te weinig gekend is van de populaties in het SBZ. Het is echter wel zinvol om aan te geven op welke vlakken de leefgebieden voor de vleermuissoorten in het SBZ-H kunnen verbeterd worden. Aangenomen wordt dat indien de biotopen maximaal verbeterd worden, de vleermuissoorten die daarbij gebaat zijn eveneens in een goede staat van instandhouding zullen verkeren.

Gericht beheer van bossen volgens de Criteria voor Duurzaam Bosbeheer voor privé-boseigendommen en via de beheervisie waar ANB het beheer voert. Bijzondere aandacht dient gegeven aan oude bomen (toekomstbomen), open plekken en geleidelijke bosranden, en hun bereikbaarheid onderling in functie van deze soorten.

Doel + +
Gladde slang Omschrijving

Bronpopulatie van minimum 400 adulte dieren die zich uitstrekt over het volledige heidelandschap. Deze doelstelling spoort samen met herstel van het heidelandschap – habitattypes 2310, 2330, 4030, 4010, 6230, waarbij de ontwikkeling van een heidecorridors in de SBZ voorzien is tussen het Pijnven, het Kamp van Beverlo via de Grote Nete vallei, brongebied Zwarte beek en Bolisserbeek, Resterheide, en Molenheide. De ontwikkeling van een heidestapsteen in het brongebied van de Zwarte beek en de bovenloop van de Bolisserbeek spoort samen met leefgebied grauwe kiekendief en heidestapsteen voor rugstreeppad, heikikker, knoflookpad en habitattypische soort gentiaanblauwtje. Voor gladde slang is daarnaast een extra leefgebied van 67 ha nodig, dit is gespecifieerd bij de habitatdoelen van het Landschap van de vallei van de Zwarte beek en het Landschap van Dommel en Bolisserbeek.

Aanwezigheid van open droge terreinen (heide, open bossen) met structuurrijke vegetatie en open plekken doorheen de SBZ met elkaar verbonden via geschikt habitat voor de soort.

Doel + +
Grauwe kiekendief Omschrijving

3 broedparen. De soort lift mee met de doelstellingen in de SBZ opgenomen bij de verschillende habitattypen, behorend tot het leefgebied van de grauwe kiekendief (heidehabitats, halfnatuurlijke graslanden, laagveenvegetaties). Het leefgebied van grauwe kiekendief overschrijdt de grenzen van deze SBZ. Tot het leefgebied van de grauwe kiekendief behoren eveneens de SBZ-V 3.10 ‘Bocholt, Hechtel-Eksel, Meeuwen-Gruitrode, Neerpelt en Peer’ en de SBZ-V 3.13 ‘Houthalen-Helchteren, Meeuwen-Gruitrode en Peer’ (schietveld van Houthalen-Helchteren).

Goed ontwikkeld leefgebied, bestaande uit:

  • open landschap bestaande uit heide (4030, 4010), heischrale graslanden (6230_hn en 6230_hmo), in matrix van soortenrijke graslanden en regionale belangrijke biotopen in de verschillende beekvalleien (Helderbeek, Broekbeek, Grote Nete, Zwarte beek, Bolisserbeek);
  • voldoende geschikte broedplaatsen en verbeteren van de voedselbeschikbaarheid;
  • behoud en kwaliteitsverbetering van de actuele oppervlakte graslanden en regionale biotopen.

Doel + +
IJsvogel Omschrijving

Jaarlijkse broedvogel met 9-15 broedparen.

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied bestaande uit:

  • natuurlijke oevers met plaatselijk steile bij voorkeur zandige wanden;
  • voldoende helder water;
  • groot aanbod aan kleine vissen;
  • geschikte foerageergebieden met visrijke waterhabitats.

Doel = =
Kamsalamander Omschrijving

Duurzaam behoud van actuele populatie in Kamp Beverlo, vallei van de Grote Nete (Lochterpoel) en aan de Begijnevijvers. Deze doelstelling spoort samen met de doelen voor vennen en kleinschalige beekdallandschappen.

Geen extra kwaliteitsdoelstelling.

Doel = +
Middelste bonte specht, Zwarte specht Omschrijving

Minimaal behoud actuele populatiegrootte. Deze doelstelling spoort samen met de oppervlakte doelstelling voor 9190, 9120, en behoeft géén extra leefgebied.

Bossen met voldoende variatie aan (loof)boomsoorten, voldoende oude bomen en open plekken. Deze doelstelling spoort samen met de doelstellingen voor de habitats 9190 en 9120.

Doel = +
Wespendief Omschrijving

Minstens behoud van actuele populatiegrootte van 4-6 bp. Deze doelstelling spoort samen met doelstellingen voor habitattype 9190, 9120, halfnatuurlijke graslanden, ingebed in een matrix van soortenrijke graslanden en regionale biotopen en behoeft géén extra leefgebied.

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied bestaande uit:

  • mozaïek van structuurrijke bossen met voldoende open plekken en boszomen in een open landschap met soortenrijke graslanden of regionale biotopen;
  • weinig of geen menselijke verstoring rond de nestplaats.

2.2 Prioritaire inspanningen

In samenhang met de hoger beschreven doelstellingen is in het S-IHD-besluit door de Vlaamse Regering een aantal prioritaire inspanningen vastgesteld. Dit is een globale omschrijving van de acties die noodzakelijk zijn voor de realisatie van deze doelstellingen. Voor de uitvoering van de prioritaire inspanningen zijn vaak meerdere acties nodig. Hoofdstuk 4 van dit voortgangsdocument (Inspanningsmatrix) geeft de concrete acties weer die uitvoering geven aan deze prioritaire inspanningen.

3 Oppervlaktebalans

Dit hoofdstuk geeft de stand van zaken weer van de realisatie van de taakstelling, met name van de oppervlaktedoelen, op basis van het passend beheer. Het passend beheer is wettelijk gedefinieerd in het Instandhoudingsbesluit van 20 juni 2014. Het is de oppervlakte waarvoor in een natuurbeheerplan of daarmee vergelijkbaar plannen of overeenkomsten, een of meer Europees te beschermen habitattype(s) of een leefgebied van een of meer Europees te beschermen soort(en) als natuurstreefbeeld is vastgesteld. 

De oppervlaktebalans in dit voortgangsdocument is enkel opgemaakt voor de Europees te beschermen habitats, op basis van de inventarisatie van het terreinbeheer door het ANB, verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen (met name Natuurpunt vzw, vzw Durme en Limburgs Landschap vzw). Voor leefgebieden van Europees te beschermen soorten was dergelijke inventarisatie niet mogelijk met de bestaande gegevens, zodat een oppervlaktebalans per Europees te beschermen soort niet opgenomen is. 

Onderstaande tabel geeft per Europees te beschermen habitat:

  • De habitat code: de code van het habitat waarvoor een doel is gesteld (zie §2.1 'Doelen', voor de benaming en beschrijving);
  • Het totaal doel: de tot doel gestelde oppervlakte per habitat;
  • Het passend beheer: de oppervlakte met passend beheer zoals vastgesteld in een goedgekeurd natuurbeheerplan of daarmee vergelijkbare plannen of overeenkomsten;
  • De openstaande taakstelling: de oppervlakte die wordt berekend als het verschil tussen het totaal doel en de oppervlakte met passend beheer.

In de oppervlaktebalans worden alle oppervlakten weergegeven in hectare, tenzij anders aangegeven. De tabel geeft de situatie in februari 2017 weer.

4 Inspanningsmatrix

Dit hoofdstuk formuleert de acties die uitvoering geven aan de prioritaire inspanningen die vastgesteld werden in het S-IHD-besluit. Daarbij wordt op basis van het Vlaams Natura 2000-programma 2016-2020 aangegeven welke acties behoren tot het bindend deel van de taakstelling (zie hoofdstuk 1). De overige acties behoren tot het richtinggevend deel van de taakstelling. 

Elke actie wordt in onderstaande tabel beschreven, met volgende rubrieken:

  • Nr. actie: het nummer van de actie is een samenstelling van het nummer van de prioritaire inspanning en het nummer van de actie zelf. 
  • Omschrijving actie: geeft beknopt aan wat er moet gebeuren, waarom, met welk resultaat en waar.
  • Prioritaire inspanning: de prioritaire inspanning waaraan deze actie invulling geeft. Vanaf prioritaire inspanning 100 worden acties weergegeven die niet onder de prioritaire inspanningen van hoofdstuk 2.2 vallen. Deze acties zijn toegevoegd aan het voortgangsdocument, aanvullend op de prioritaire inspanningen, omdat ze eveneens nodig zijn om tot de gunstige lokale staat van instandhouding te komen van de betreffende habitat(s) of soort(en).
  • Actie voor de verbetering van het natuurlijk milieu: indien in deze kolom een ‘ja’ staat, dan is deze actie ingeschreven voor de verbetering van het natuurlijk milieu als omschreven in hoofdstuk 5. 
  • Deelgebied(en): de deelgebieden waar deze actie uitgevoerd zal worden. Indien in de tabel geen nummer van een deelgebied is opgegeven, is de actie van toepassing op de volledige SBZ. 
  • Habitats/soort(en): de Europees te beschermen habitat(s) en/of soort(en) waarvoor de actie ondernomen wordt. Het gaat om habitats en soorten waarvoor doelen opgenomen zijn in het S-IHD-besluit en om (cursief aangegeven) habitattypische soorten. Habitattypische soorten zijn kenmerkend voor één of soms meerdere habitattypes. Een habitattype kan enkel in een regionaal gunstige staat van instandhouding verkeren als binnen Vlaanderen ook de habitattypische soorten gelinkt aan dit habitattype in een regionaal gunstige staat van instandhouding verkeren. Meer gedetailleerde informatie over habitattypische soorten is beschikbaar in referenties 1, 2 en 3 (zie hoofdstuk 8).
  • Trekker: de organisatie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de actie.
  • Andere betrokkenen: de organisaties of actoren die betrokken zijn bij de actie, als uitvoerder, omwille van mogelijke impact, het leveren van kennis,…
  • Timing: het moment waarop de uitvoering van de actie start. Kan pas ingevuld worden indien de status ‘gepland’ of ‘in uitvoering’ is.
  • Status: hierbij is onderscheid gemaakt tussen:
    • Op te starten: de actie is benoemd maar nog niet opgestart.
    • In onderzoek: het plan of project voor de uitvoering van de actie is in ontwikkeling. Een trekker is aangeduid en gestart met de voorbereiding van het plan of project .
    • Plan in opmaak: de opmaak van het uitvoeringsplan is gestart. 
    • Plan beschikbaar: het uitvoeringsplan is afgerond en door de betrokken partijen goedgekeurd. De uitvoering ervan moet nog opgestart worden. 
    • In uitvoering: de actie wordt momenteel uitgevoerd.
    • Uitgevoerd: de uitvoering van de actie is beëindigd.
    • Stopgezet: de uitvoering van de actie is stopgezet zonder dat ze helemaal is beëindigd; er is geen plan om ze terug op te starten.
  • Bindend: deze lijn verschijnt enkel als de actie deel uitmaakt van het bindend deel van de taakstelling (zie hoofdstuk 1). Hierbij is onderscheid gemaakt tussen:
    • Stand still: actie noodzakelijk voor de stand still of het tegengaan van achteruitgang.
    • 2020: actie noodzakelijk voor het bereiken van een gunstige of verbeterde staat van instandhouding voor 16 habitats tegen 2020.
    • Deelgebied(en): de deelgebied(en) waarvoor de actie bindend is (sommige acties zijn bindend voor een deelgebied maar richtinggevend voor een ander).
    • Habitats/soorten: de habitats en/of soorten waarvoor de actie bindend is (sommige acties zijn bindend voor een habitat en/of soort maar richtinggevend voor andere habitats en/of soorten).

De tabel geeft de situatie weer in augustus 2017.

5 Overzichtkaart

De overzichtskaart biedt informatie voor en een stand van zaken over de realisatie van de doelen voor deze SBZ. De verschillende onderdelen zijn te consulteren via een geoloket.

 

 5.1 Synthesekaart

De synthesekaart biedt een samengesteld, vereenvoudigd overzicht van de actuele Europees te beschermen habitats en de oppervlaktes Europees te beschermen habitats onder passend beheer (zie hoofdstuk 3).

In het geoloket wordt de synthesekaart weergegeven met dit symbool 

5.2 Situering van de actuele Europees te beschermen habitats

De kaarten ‘Actueel habitat’ geven indicatief de ligging van de actuele Europees te beschermen habitats in deze SBZ weer, op basis van referentie 9 (zie hoofdstuk 6). De kaart ‘Actueel habitat overzicht’ geeft een overzicht alle actuele habitats. De kaarten ‘Actueel habitat per cluster’ en ‘Actueel habitat per habitat’ maken de actuele habitats respectievelijk in clusters van verwante habitats en voor elk habitat apart zichtbaar.

In het geoloket wordt de kaart: 

  • actueel habitat overzicht weergegeven met dit symbool   
  • actueel habitat per cluster met dit symbool  
  • actueel habitat per habitat met dit symbool 

5.3    Situering van de gebieden beheerd met het oog op de realisatie van de doelen

De kaarten ‘Passend beheer’ (voor definitie, zie hoofdstuk 3) geven indicatief weer welke oppervlaktes Europees te beschermen habitats onder passend beheer zijn bij het ANB, verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen (zie hoofdstuk 3). De kaart ‘Passend beheer overzicht’ geeft het overzicht van alle oppervlaktes onder passend beheer voor habitats. De kaarten ‘Passend beheer per cluster’ en ‘Passend beheer per habitat’ maken de oppervlaktes onder passend beheer respectievelijk in clusters van verwante habitats en voor elk habitat apart zichtbaar.

De huidige kaart geeft de situatie weer in februari 2017.

In het geoloket wordt de kaart :

  • oppervlakte onder passend beheer overzicht weergegeven met dit symbool 
  • oppervlakte onder passend beheer per cluster weergegeven met dit symbool 
  • oppervlakte onder passend beheer per habitat weergegeven met dit symbool 

5.4 Situering van de vegetaties relevant als leefgebied voor Europees te beschermen soorten

Omdat voor de vegetaties relevant als leefgebied voor Europees te beschermen soorten geen terreininventarisatiegegevens bestaan, werd deze kaart opgemaakt door middel van een ruimtelijk model. Dit model werkt op basis van de ecologische karakteristieken van de soort, aangevuld met actuele verspreidingsgegevens en de verbreidingscapaciteit van de soort. De bekomen afbakening vormt op dit moment de best beschikbare benadering van de actuele leefgebieden van de betreffende soorten. Voor een gedetailleerde beschrijving van de methodiek wordt verwezen naar referenties 4, 5 en 6 (zie hoofdstuk 6).

De opmaak ervan was niet voor alle Europees te beschermen soorten mogelijk omdat

  • een aantal mobiele soorten zeer ruime en weinig gedifferentieerde leefgebieden kent (bv. slechtvalk, kokmeeuw);
  • voor de leefgebiedkarakteristieken van bepaalde soorten geen (gebiedsdekkende) kaartlaag voorhanden is (bv. bittervoorn en kleine modderkruiper);
  • voor een aantal soorten de wetenschappelijke kennis en de beschikbare data ontoereikend zijn (bv. vleermuizen).

In het geoloket worden de leefgebieden weergegeven met de symbolen symbool leefgebieden voor het overzicht,  Synthesekaart Groepen voor de groepen en symbool leefgebieden voor de soorten, en dit enkel voor soorten waarvoor de opmaak van de kaarten mogelijk was en waarvoor doelen zijn ingeschreven in het S-IHD-besluit.

5.5 Situering van de aanwezigheid van habitattypische soorten

Onderstaand overzicht geeft indicatief weer welke habitattypische soorten actueel voorkomen per deelgebied op basis van referenties 7 en 8 (zie hoofdstuk 6). Habitattypische soorten zijn soorten die kenmerkend zijn voor één of soms meerdere habitattypes. Voor het bereiken van de regionaal gunstige staat van instandhouding van het habitat, moeten de populaties van de habitattypische soorten, verbonden aan dat habitat, ook in een regionaal gunstige staat van instandhouding worden gebracht of gehouden. Meer gedetailleerde informatie over habitattypische soorten is beschikbaar in referenties 1, 2 en 3 (zie hoofdstuk 6).

 

6 Referenties

1.:  Geert De Knijf, Desiré Paelinckx (2012). Typische faunasoorten van de verschillende Natura 2000 habitattypes, in functie van de beoordeling van de staat van instandhouding op niveau Vlaanderen (ref. INBO.A.2013.139)

2.: Adriaens, Dries; Adriaens, Tim; Ameeuw, Griet (2008). Ontwikkeling van criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de habitattypische soorten (ref. INBO.R.2008.35)

3: Adriaens, P. & Ameeuw, G. (red) (2008). Ontwikkeling van criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de vogelrichtlijnsoorten.  D/2008/3241/287 (ref.INBO.R.2008.36)

4.: Maes et al. (2015). Afbakenen van potentiële leefgebiedenkaarten voor Europese en Vlaamse prioritaire soorten in het kader van de voortoets. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2015. (versie 2.0). (ref. INBO.R.2015.10201559). 

5: : Maes D., Anselin A., De Knijf G., Denys L., Devos K., Gouwy J., Leyssen A., Packet J., Pauwels I., Pollet M., Speybroeck J., Stienen E., Thomaes A., T’jollyn F., Van Den Berge K., Van Landuyt W., Van Thuyne G., Vermeersch G. & Verhaeghe F. (2017). Afbakenen van actueel relevant potentieel leefgebied voor een selectie van Europees prioritaire soorten. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2017 (30) (ref. INBO.R.12602606 . Brussel: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

6.: Dirk Maes, Koen Devos, Anny Anselin, Eric Stienen, David Buysse, Ine Pauwels & Thierry Onkelinx (2016). Advies over de leefgebiedenkaarten van Natura 2000-soorten (ref. INBO.A.3415)

7.: De Knijf, Geert; Vermeersch, Glenn (datum). Advies over de actuele verspreiding van de habitattypische soorten per SBZ-H deelgebied - deel fauna (ref. INBO.A.3233)

8.: Van Landuyt, Wouter; De Knijf, Geert (2014). Advies over de verspreiding van de habitattypische soorten per SBZ-H deelgebied - deel flora (ref. INBO.A.3192)

9. De Saeger, S., Guelinckx, R., Oosterlynck, P., De Bruyn, A., Debusschere, K., Dhaluin, P., ... Paelinckx, D. (2020). Biologische Waarderingskaart en Natura 2000 Habitatkaart, uitgave 2020. (Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek; Nr. 35). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. https://doi.org/10.21436/inbor.18840851