landschap met schapen © Veronique De Smedt

Grote Nete

BE2100040 - Bovenloop van de Grote Nete met Zammelsbroek, Langdonken en Goor

1 Inleiding

Het Natura 2000-netwerk is een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Deze zijn aangewezen op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen om Europees beschermde habitattypes en soorten de kans te geven duurzaam te overleven en zo de Europese biodiversiteit te bewaren. In Vlaanderen zijn 62 Natura 2000-gebieden aangeduid, ook speciale beschermingszones (hierna: SBZ) genoemd. Deze gebieden zijn essentieel voor het bereiken van de gunstige staat van instandhouding van Europees te beschermen habitats en soorten. Voor Vlaanderen gaat het om 47 habitattypes, 49 dier- en plantensoorten en 58 vogelsoorten. 

Alle lidstaten van de Europese Unie zijn verplicht om de nodige maatregelen te nemen om een ‘gunstige staat van instandhouding’ te realiseren voor Europees te beschermen habitats en soorten. Om deze maatregelen in te vullen heeft de Vlaamse Regering instandhoudingsdoelstellingen (hierna: doelen) op Vlaams niveau en per SBZ bepaald. Op Vlaams niveau zijn dit de zogenaamde gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen (hierna: G-IHD) en per SBZ zijn dit de zogenaamde specifieke instandhoudingsdoelstellingen (hierna: S-IHD). Deze S-IHD zijn, na een intensief overlegproces tussen 2010 en 2013, vastgesteld in aanwijzingsbesluiten (de S-IHD-besluiten) door de Vlaamse Regering op 23 april 2014. 

De realisatie van de doelen wordt gefaseerd en programmatisch aangepakt. Vlaanderen moet elke zes jaar aan Europa rapporteren, daarom is ook voor de realisatie gekozen voor cycli van maximaal zes jaar. Per cyclus of planperiode wordt een Vlaams Natura 2000-programma opgemaakt met een Vlaamse taakstelling en acties voor de komende periode. Het programma omschrijft ook welke organisaties betrokken zijn en geeft een raming van de uitgaven voor de uitvoering van het programma.  

Focus Vlaams Natura 2000 programma 2016–2020

Omdat Vlaanderen in 2020 aan Europa moet rapporteren, loopt de eerste cyclus van het Vlaams Natura 2000-programma van 2016 tot 2020. Op het moment van publicatie van dit voortgangsdocument bestaat er nog geen nieuw Vlaams Natura 2000-programma voor de volgende planperiode (2021-2026), zodat het bestaande programma volgens de regelgeving geldig blijft.  

Voor deze eerste cyclus is vertrokken van de Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 en van het Pact 2020. In het Vlaams Natura 2000-programma zijn een bindende en een richtinggevende taakstelling geformuleerd als een gefaseerd kader voor de realisatie van de doelen.

Het bindend deel van de taakstelling in het Vlaams Natura 2000-programma omvat:

  • het stoppen of vermijden van de verdere achteruitgang van Europees te beschermen habitattypes of soorten (stand still);
  • dat 16 van de 47 Europees te beschermen habitattypes in een gunstige staat verkeren of zijn verbeterd ten opzichte van 2007 (zie bijlage 5 van het Vlaams Natura 2000-programma).

Het bindend deel van de taakstelling moet tegen 2020 worden gerealiseerd.

Het richtinggevende deel van deze taakstelling omvat:

  • dat tegen 2020 voor alle Europees te beschermen habitattypes en soorten samen 70% van de inspanningen operationeel zijn, zodat alle habitats en soorten in een gunstige staat van instandhouding kunnen worden gebracht tegen 2050. Voor soorten die extra oppervlakte leefgebied nodig hebben, moet een derde van de extra oppervlakte gerealiseerd zijn door inrichting en beheer.

De maatregelen nodig om het richtinggevende deel van de taakstelling te realiseren, kunnen al in deze planperiode opgestart worden of, indien al in planning of uitvoering, verder lopen. Deze maatregelen moeten niet noodzakelijk afgerond zijn tijdens de looptijd. In de inspanningsmatrix (hoofdstuk 4 van het voortgangsdocument) is voor elke actie aangegeven of deze behoort tot het bindend of het richtinggevend deel van taakstelling van het Vlaams Natura 2000-programma.

Doelstelling van het voortgangsdocument

Het voortgangsdocument wordt opgemaakt met het oog op:

  • het gradueel realiseren van de S-IHD;
  • het vermijden of stoppen van de verslechtering van de Europees te beschermen habitats en de leefgebieden van Europees te beschermen soorten;
  • het vermijden of het stoppen van de betekenisvolle verstoring van de Europees te beschermen soorten.

Het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna: het ANB) maakt het voortgangsdocument op en beheert het. Dit voortgangsdocument beschrijft de inspanningen die volgens de inventaris hiervan in 2017 geleverd worden door de organisaties voor wie het beheren en ontwikkelen van natuur een maatschappelijke opdracht is. Dit zijn het ANB, de verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen. Tevens biedt het een overzicht van de openstaande taakstelling en van de acties die, volgens de huidige plannen en inzichten, nodig zijn voor de realisatie ervan. Zo vormt het voortgangsdocument het vertrekpunt en de inspiratiebron voor het bereiken van de doelen voor iedereen die daaraan kan bijdragen.

Situering van het SBZ

2 Taakstelling

Voor elke SBZ werden door de Vlaamse Regering de specifieke doelen voor Europees te beschermen habitats en soorten en de prioritaire inspanningen vastgesteld in een S-IHD-besluit. Deze doelen worden in dit voortgangsdocument weergegeven in hoofdstuk 2.1. Deze zijn daarbij geclusterd in landschapstypes. Per Europees te beschermen soort en habitat zijn het gebiedsgericht kwantiteitsdoel (populaties of oppervlakten) en kwaliteitsdoel beschreven. Hoofdstuk 2.2 geeft prioritaire inspanningen weer, die in het S-IHD-besluit vastgesteld zijn voor het realiseren van de doelen. 

2.1 Doelen

Legende bij de oppervlakte-, populatie- en kwaliteitsdoelen

Symbool

Omschrijving

+

Het doel is een stijging van de oppervlakte of populatiegrootte / een verbetering van de kwaliteit.

=

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit.

=/+

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit met lokale uitbreidingsmogelijkheid.

=/-

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit met lokale inkrimpingsmogelijkheid.

In onderstaande tabel met de doelen voor het SBZ worden doelstellingen voor enerzijds het gedeelte dat habitatrichtlijngebied is en anderzijds het gedeelte dat 'zuiver vogelrichtlijngebied' (lees: enkel vogelrichtlijngebied en geen habitatrichtlijngebied) is, niet onderscheiden, maar geïntegreerd. Aan de drie criteria die tegelijk vervuld dienen te zijn om deze doelen voor beide ruimtelijk afgebakende gebieden van elkaar te onderscheiden, werd immers niet voldaan. De drie criteria zijn: 

  • het zuiver vogelrichtlijngebied handelt over een relevante oppervlakte; 

  • het betreft in dit gebied relevante doelstellingen doelen en; 

  • de doelen die in het gedeelte dat zuiver vogelrichtlijngebied is, gerealiseerd dienen te worden, zijn (reeds in dit stadium) bekend.] 

Valleilandschap

De Grote Nete en haar vallei vormen ontegensprekelijk de ruggengraat van dit habitatrichtlijngebied. Het valleilandschap is dan ook een cruciale biotoopcluster in dit gebied als verbindingselement met de andere biotoopclusters. Het valleilandschap omvat de volgende Europees te beschermen habitattypes en soorten

  • traagstromende laaglandbeken met zuurstofrijk water en een goed ontwikkelde waterplantengemeenschap (3260)
  • alluviale bossen (91E0)
  • voedselrijke alluviale ruigtes (6430_hf)
  • overgangs- en trilveen (7140_meso)
  • laaggelegen schrale hooilanden (6510)
  • van nature voedselrijke plassen (3150)
  • beekprik
  • kleine modderkruiper
  • rivierdonderpad
  • bittervoorn
  • kamsalamander
  • vleermuizen die vochtige graslanden en open waterpartijen als foerageergebied verkiezen: meervleermuis, ruige en kleine dwergvleermuis en rosse vleermuis.

Daarnaast komen in dit landschap verschillende regionaal belangrijke biotopen voor met als voornaamste dotterbloemgraslanden, rietlanden, moerasspirearuigtes met graslandkenmerken en wilgenstruwelen.

De vallei van de Grote Nete is nog grotendeels onbebouwd. Intensieve landbouw onder de vorm van akkerbouw en voedergewassen (intensief grasland niet inbegrepen) is in de meeste deelgebieden beperkt tot een aantal percelen met uitzondering van deelgebied 1 en het uiterste oosten van deelgebied 4. De rivier heeft een naar Vlaamse normen goede tot zeer goede water- en structuurkwaliteit. Verschillende trajecten van de Grote Nete en haar zijbeken binnen dit gebied zijn momenteel reeds habitatwaardig waardoor het volgens de G-IHD essentieel is in Vlaanderen voor habitattype 3260. Het bovenlopenstelsel van de Grote Nete is verder zeer belangrijk voor beekprik (grootste populatie in Vlaanderen) en wordt vermoedelijk vanuit de Kleine Nete gekoloniseerd door kleine modderkruiper en rivierdonderpad. Andere in Vlaanderen zeldzame vissoorten, zoals kopvoorn, serpeling en kwabaal, werden de afgelopen jaren met succes in deze waterlopen geherintroduceerd. Verspreid in de vallei komt een aanzienlijke oppervlakte elzenbroekbossen (habitattype 91E0) en alluviale ruigtes (habitattype 6430_hf) voor. Hier en daar zijn er nog relicten van mesofiele hooilanden aanwezig en in de natte depressies hebben zich waardevolle mesotrofe overgangs- en trilvenen (habitattype 7140_meso) ontwikkeld. Voor al deze habitattypes is het gebied zeer belangrijk in Vlaanderen (cfr. G-IHD).

Stroomafwaarts het Albertkanaal werd de Grote Nete vroeger sterk uitgediept en vanaf Meerhout werd de rivier ingedijkt waardoor het contact met de vallei grotendeels verloren ging. Samen met deze ingrepen veroorzaken ontwateringsgrachten en sterke grondwateronttrekkingen op verschillende plaatsen een verdroging van de vallei. Deze verdroging uit zich o.m. in de verruiging van elzenbroekbossen en de vergrassing van alluviale ruigtes. Door gebrek aan (aangepast) beheer is de oppervlakte en de kwaliteit van de open beekdalhabitats (alluviale ruigtes, mesofiele hooilanden, overgangs- en trilvenen, …) sterk achteruit gegaan en worden de resterende relicten bedreigd door verbossing, verruiging en vergrassing. De uitbreiding van de vispopulaties wordt belemmerd door lokale knelpunten inzake water(bodem)kwaliteit en de aanwezigheid van verscheidene vismigratieknelpunten.

Inspelend op de bijzonder hoge ecologische waarde wordt een verdere versterking van de natuur in de bovenloop van de Grote Nete en haar vallei tot doel gesteld. De verdere verbetering van de waterkwaliteit en de beekstructuur zal leiden tot een toename van habitattype 3260 in het bovenlopenstelsel van de Grote Nete. De natuurlijke hydrologie van de vallei wordt hersteld. De vallei behoudt haar halfopen karakter met een afwisseling van elzenbroekbossen, wilgenstruwelen, alluviale ruigtes (habitat of rbb), mesofiele hooilanden, dotterbloemgraslanden, mesotrofe overgangs- en trilvenen, voedselrijke plassen en rietmoerassen. Het aandeel van de habitatwaardige vegetaties in de vallei zal sterk toenemen door spontane successie, omvorming en/of aangepast beheer. De resterende vismigratieknelpunten worden weggewerkt. Bovenstaande doelstellingen zullen eveneens resulteren in een toename van de populaties beekprik, kleine modderkruiper, rivierdonderpad en bittervoorn. Daarnaast zullen o.m. de volgende soorten profiteren van deze doelstellingen blauwborst, ijsvogel, sprinkhaanzanger, grote karekiet, rietgors, snor, … kwabaal, kopvoorn, serpeling, grote modderkruiper, snoek, … moerassprinkhaan, zompsprinkhaan, kustsprinkhaan, gevlekte witsnuitlibel, bandheidelibel, Kempense heidelibel, gewone bronlibel, beekoeverlibel, kleine ijsvogelvlinder, Spaanse vlag, …

Habitats - Valleilandschap

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel = +
3150 - Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition 7140_meso Mineraalarm circumneutraal overgangsveen Omschrijving

Kwaliteitsverbetering van de habitatwaardige vijvers en plassen (in totaal 55 ha) in het Griesbroek (deelgebied 1), het Zammels Broek (deelgebied 2), het Selguis (deelgebied 3), het Malesbroek en het Belsbroek (deelgebied 4) tot volwaardig habitat. Op alle plaatsen waar kwaliteitsverbetering van habitattype 3150 wordt beoogd, zal zich mesotroof overgangs- en trilveen (7140_meso) ontwikkelen als verlandingsvegetatie.

  • Helder, matig nutriëntenrijk (niet hypertroof) water met een matige stikstof- en fosforconcentratie en een min of meer neutrale tot matig alkalische pH.
  • Voldoende kensoorten in de waterplantengemeenschap.
  • Schuin aflopende oevers zonder te veel houtige opslag.
  • Natuurlijke visstand.
  • Geen invasieve exoten.
  • Grote modderkruiper, roerdomp, woudaap, porseleinhoen en zwarte stern zijn kwaliteitsindicatoren voor deze habitattypes.

Doel + +
3260 - Submontane en laagland rivieren met vegetaties behorend tot het Ranunculion fluitans en het Callitricho-Batrachion Omschrijving

Toename van dit habitattype tot minimaal 80% van het traject van de volgende waterlopen binnen SBZ: de Grote Nete, de Kleine Hoofdgracht-Balengracht, de Grote Hoofdgracht, de Asbeek, de Hanskenselsloop en de Brisdilloop in deelgebied 1; de Varendonkse Beek in deelgebied 2; Molse Nete in deelgebied 3; de Raamdonkse beek in deelgebied 7. Toename van dit habitattype tot minimaal 50% van het traject van de volgende waterlopen binnen SBZ: de Heiloop in deelgebied 1; de Grote Nete, de Scherpenbergloop en de Zeeploop in deelgebied 4; de Steenkensbeek in deelgebied 7. Ontwikkeling van habitatwaardige trajecten in de watervoerende grachten die in de waterlopen uitmonden.

  • Hooguit matig eutroof water met een lage stikstof- en fosforconcentratie , lage concentratie bestrijdingsmiddelen en lage sedimentvracht.
  • Natuurlijke beekstructuur (meandering, afwisseling sedimentfracties, …).
  • Hiervoor dienen ongezuiverde lozingen (overstorten voorzien van nazuivering), rechtstreekse afspoeling van sediment in de waterlopen en slib- of kruidruimingen voorkomen te worden.
  • Geen invasieve exoten (parelvederkruid, grote waternavel, …).

Doel = +
6430 Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones Omschrijving

Kwaliteitsverbetering van de habitatwaardige voedselrijke alluviale ruigtes (in totaal 112 ha) in de Grote Netevallei tot volwaardig habitat.

  • Maximaal 30 % vergrassing en verruiging.
  • Natuurlijke hydrologie in de vallei van de Grote Nete met een natuurlijke overstromings-dynamiek.
  • Cyclisch kap- en maaibeheer.
  • Spaanse vlag is een kwaliteitsindicator voor dit habitattype.

Doel + +
6510 - Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis) Omschrijving

Actueel 9 ha
Toename met 30 ha .

Voldoende grote hooilanden met aanwezigheid van kenmerkende plantensoorten in hoge bedekking, door aangepast beheer.

Doel + +
7140_meso Mineraalarm circumneutraal overgangsveen Omschrijving

Actueel 25 ha
Vlakvormige toename met 18 ha door omvorming van verboste graslanden, verdroogde alluviale ruigtes en/of naaldhoutbestanden op locaties in de Grote Netevallei met een veenbodem (De Most, Scheps, …).

  • Natuurlijke hydrologie in de vallei van de Grote Nete met een voldoende hoge kweldruk.
  • Aangepast maai- en kapbeheer.
  • Porseleinhoen, kwartelkoning, blauwborst, ijsvogel, beekprik, rivierdonderpad en Kempense heidelibel zijn kwaliteitsindicatoren voor dit habitattype.

Doel + +
91E0 - Alluviale bossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) Omschrijving

Actueel 260 ha
Toename tot 542 ha, met als richtwaarde voor bosuitbreiding 160 ha. Vanaf Stelen (deelgebied 5) stroomopwaarts dient alluviaal bos dominant in de vallei aanwezig te zijn met plaatselijk meer open zones. De belangrijkste toenames zullen gerealiseerd worden in de deelgebieden 1, 4, 6 en 7. De tot doel gestelde subtypes zijn: oligotroof elzenbroek (91E0_oli) in het oosten van deelgebied 1 (Overmaai, De Most, …); overwegend mesotroof elzenbroek (91E0_meso) in de rest van de Grote Netevallei (deelgebieden 1, 4 en 5); vogelkersessenbos (91E0_veb) langsheen de Kalsterloop in de Langdonken (deelgebied 6) en de Steenkensbeek in het Goor-Asbroek (deelgebied 7).

  • Natuurlijke hydrologie in de vallei van de Grote Nete met een voldoende hoog grondwaterpeil, een voldoende hoge kweldruk en een natuurlijke overstromingsdynamiek.
  • Voldoende aandeel (dik) dood hout.
  • Voldoende soortenrijkdom en bedekking van sleutelsoorten in de kruidlaag.
  • Voldoende open plekken (max. 3 ha) met mesotroof overgangs- en trilveen (7140_meso) en/of alluviale ruigtes (6430_hf of rbbhf).
  • Geleidelijke bosranden aansluitend bij open vegetaties (graslanden, ruigtes, vijvers en moerassen).

Soorten - Valleilandschap

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
Beekprik Omschrijving

Behoud van de goede staat van instandhouding van de populaties in de Kleine Hoofdgracht-Balengracht en in de Grote Nete stroomafwaarts de Hoolstmolen. Dit houdt in: minstens 5 individuen per m2 in typische microhabitats (of meer dan 200 individuen per ha in beviste trajecten), minstens 3 lengteklassen aanwezig en steeds adulten aanwezig bij bemonstering in de reproductieperiode. Uitbreiding van het areaal en van de huidige populaties naar het stroomopwaartse traject van de Grote Nete en naar andere waterlopen in dit gebied (Zeeploop, Heiloop, Asbeek, …). Ook hier wordt gestreefd naar een goede staat van instandhouding. Deze doelstellingen sporen samen met de doelstellingen voor habitattype 3260.

  • Bijkomende kwaliteitseisen ten opzichte van het habitattype 3260 inzake BZV, zuurstofgehalte en temperatuur en afwezigheid migratieknelpunten.
  • Goed ontwikkeld stroomkuilenpatroon met slibbanken en plaatsen met een substraat van zand en kiezel.
  • Geen slib- of kruidruimingen in de beektrajecten waar de soort voorkomt.
  • Geen vismigratieknelpunten (stuwen, duikers, …).
  • Deze doelstellingen sporen samen met de doelstellingen voor habitattype 3260.

Doel + +
Bittervoorn Omschrijving

Versterking van de populaties in vijvers en plassen in het Selguis (deelgebied 3) en het Malesbroek (deelgebied 4). Deze doelstelling spoort samen met de doelstellingen voor habitattype 3150.

  • Goed ontwikkelde waterplantenvegetaties in de vijvers en plassen waar de soort voorkomt of kan voorkomen.
  • Deze doelstelling spoort samen met de doelstellingen voor habitattype 3150.
  • Aanwezigheid van zoetwatermossels van het geslacht Uno of Anodonta.
  • Open verbindingen tussen vijvers en plassen in het Selguis en het Malesbroek met resp.
  • de Molse en de Grote Nete.

Doel =/+ +
Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger Omschrijving

Instandhouding of indien mogelijke groei van de huidige populaties.

  • Behoud, herstel en ontwikkeling van kleine landschapselementen (vooral bomenrijen en houtwallen) en een halfopen landschap.
  • Voldoende gemengde loofbossen en parken in de omgeving van de foerageergebieden.
  • Toename van het aantal (oude) bomen met holtes en spleten.

Doel + +
Kamsalamander Omschrijving

Versterking van de populatie in de Langdonken tot een relatieve populatiegrootte van minstens 50 adulte individuen. Deze doelstelling spoort samen met de tot doel gestelde kwaliteitsverbetering van habitattype 3150.

  • Natuurlijke visstand en goede waterkwaliteit in de plassen.
  • Aanleg van een cluster van drie nieuwe permanent waterhoudende poelen van verschillende diepte in het oosten van de Langdonken.
  • Kleinschalig landschap met opgaande vegetatie in de buurt van de waterhabitat.
  • Geen migratiebarrières tussen land- en waterhabitat.

Doel =/+ +
Kleine dwergvleermuis, Meervleermuis, Rosse vleermuis, Ruige dwergvleermuis Omschrijving

Behoud of indien mogelijk toename van de huidige populaties.

  • Voldoende gemengde loofbossen en parken in de omgeving van de foerageergebieden.
  • Toename van het aantal (oude) bomen met holtes en spleten.
  • Open water (grote waterplassen, rivieren en kanalen) met beschutte, vegetatierijke oevers of gevarieerde beekvalleien (met vochtige graslanden, ruigtes, perceelsrandbegroeiing, …) in de onmiddellijke omgeving van de zomerverblijfplaatsen.
  • Verbetering van de waterkwaliteit van open water.
  • Natuurlijke visstand en zo weinig mogelijk invasieve exoten in de waterplassen.
  • Behoud, herstel en ontwikkeling van lijnvormige kleine landschapselementen (bomenrijen, houtkanten, …) op de aanvliegroutes naar de winterverblijfplaatsen en als verbinding tussen de zomerkolonies en de foerageergebieden.
  • Vermijden van lichtpollutie op vliegroutes en jachtplaatsen.

Doel + +
Kleine modderkruiper, Rivierdonderpad Omschrijving

Uitbreiding van het areaal en van de huidige populaties naar de bovenloop van de Grote Nete en haar zijbeken. Er wordt voor beide soorten gestreefd naar een goede staat van instandhouding, d.w.z. een abundantie van minstens 2000 (kleine modderkruiper) resp. 200 (rivierdonderpad) individuen per ha en de aanwezigheid van alle lengteklassen (leeftijdsgroepen). Deze doelstellingen sporen samen met de doelstellingen voor habitattype 3260.

  • Bijkomende kwaliteitseisen ten opzichte van het habitattype 3260 inzake BZV, zuurstofgehalte en temperatuur en afwezigheid migratieknelpunten.
  • Substraat van zand (kleine modderkruiper) of zand met grind, ijzerzandsteen, grote stenen en dood hout (rivierdonderpad).
  • Geen rechtstreekse afspoeling van sediment in de beektrajecten waar rivierdonderpad voorkomt.
  • Geen vismigratieknelpunten (stuwen, duikers, …).
  • Deze doelstellingen sporen samen met de doelstellingen voor habitattype 3260.

Heidelandschap

Het heidelandschap komt in dit gebied onder twee verschillende vormen voor. Enerzijds zijn er de rivierduinen (Keiheuvel, Scherpenbergen, Geel-Bel) die goede potenties hebben voor de ontwikkeling van duinheide en duingrasland. Anderzijds zijn er de goed gebufferde heide- en vennenlandschappen in de Langdonken en het Goor.Het heidelandschap in dit gebied is relevant voor volgende Europees te beschermen habitattypes en soorten:

  • duinheide (2310);
  • duingrasland (2330);
  • voedselarme tot matig voedselrijke vennen en plassen (3130);
  • soortenrijk heischraal grasland (6230);
  • blauwgrasland (6410_mo);
  • basenrijk overgangsveen met draadzegge (7140_cl);
  • vochtige heide (4010) met slenken (7150);
  • droge heide (4030);
  • drijvende waterweegbree;
  • poelkikker.

Met lokaal nog veel open zand en talrijke geleidelijke overgangen van open habitat naar bos is de Keiheuvel zonder twijfel het kerngebied voor duingraslanden (habitattype 2330) in het oosten van de provincie Antwerpen. Een hele reeks kwetsbare of bedreigde soorten vindt hier een leefgebied. Dit gebied is dan ook zeer belangrijk in Vlaanderen voor dit habitattype (cfr. G-IHD). Ook op de paraboolduin van Geel-Bel komt dit habitattype voor. Duinheide (habitattype 2310) is in dit gebied slechts marginaal aanwezig.Dankzij de gunstige abiotiek en ingrijpende natuurherstelwerken in de periode 2002-2007 komen in het Goor en vooral in de Langdonken zeer goed ontwikkelde oeverkruidgemeenschappen (habitattypes 3130_aom) en soortenrijke heischrale graslanden (habitattypes 6230) voor. Voor het eerste habitattype is dit gebied essentieel in Vlaanderen, voor het tweede zeer belangrijk (cfr. G-IHD). Het gebied is ook zeer belangrijk voor drijvende waterweegbree, een habitattypische soort van oeverkruidgemeenschappen. De Langdonken is verder de laatste groeiplaats in Vlaanderen van Spaanse ruiter, een kensoort van blauwgraslanden(habitattype 6410_mo). Natte en droge heide zijn slechts marginaal aanwezig in complex met andere habitattypes.

Door bebossing van de landduinen met naaldhout en de verspreide vestiging van weekendverblijven vanaf de jaren 1960 is de oppervlakte en de kwaliteit van de duinhabitats sterk achteruit gegaan waardoor de habitats en de habitattypische soorten niet in een gunstige staat van instandhouding verkeren. In Geel-Bel is er bovendien te veel open zand door intensieve betreding. In de Langdonken en het Goor vormen de vele weekendverblijven een risico op eutrofiëring van de oligotrofe habitattypes en de verspreiding van invasieve exoten. Het blauwgraslandrelict is zeer klein en dus zeer kwetsbaar voor uitsterven.

Door het gericht verwijderen van boomopslag tussen de versnipperde habitatvlekken in combinatie met gerichte ontbossingen zal op de Keiheuvel een aaneengesloten heidegebied van meer dan 100 ha gerealiseerd worden. Het aangrenzende zuidwest-noordoost georiënteerde vliegveld maakt bovendien het ontstaan van beperkte windwerking mogelijk. Op de paraboolduin van Geel-Bel wordt een middelgrote kern duinheide en duingrasland gecreëerd via omvorming van naaldhout. In Geel-Bel zal ook een kern van ca. 10 ha vochtige heide met vennen gerealiseerd worden. Via de omvorming van vis- en recreatievijvers en jong bos zal de oppervlakte plassen met oeverkruidgemeenschappen en heischraal grasland in de Langdonken en het Goor nog verder uitgebreid worden zodat daar duurzame populaties van habitattypische soorten kunnen ontstaan. In de Langdonken zal deze toename in de kaart spelen van de vogelrichtlijnsoorten porseleinhoen, blauwborst en ijsvogel. Een aanzienlijke toename van het blauwgraslandrelict in de Langdonken op meerdere historische groeiplaatsen van Spaanse ruiter zal het risico op verdwijnen sterk verminderen.

Bovenstaande doelstellingen zullen eveneens resulteren in een toename van de populaties drijvende waterweegbree en poelkikker. Daarnaast zullen o.m. volgende habitattypische soorten profiteren van deze doelstellingen:

  • nachtzwaluw, boomleeuwerik, boompieper, tapuit, boomvalk, …;
  • levendbarende hagedis …;
  • boswitje, bruine vuurvlinder, veldparelmoervlinder, harkwesp, …;

Habitats - Heidelandschap

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
2310 – Psammofiele heide met Calluna- en Genistasoorten en 2330 - Open grasland met Corynephorus- en Agrostissoorten op landduinen Omschrijving

Actueel 60 ha
Toename met 90 ha , met als richtwaarde vooromvorming van aangeplant naaldhout 60-70ha. De grootste omvorming zal plaats vinden op de Keiheuvel waar gestreefd wordt naar een aaneengesloten kern van minstens 110 ha. In Geel-Bel wordt gestreefd naar een aaneengesloten kern van minstens 30 ha. In het gebied Scherpenbergen-De Hutten zullen de landduinhabitats zich eerder kleinschalig ontwikkelen als toename van bestaande relicten, als open plekken in de bossfeer of als corridors.

  • Maximaal 10 % verbossing en 30 % vergrassing.
  • Aanwezigheid van alle successiestadia van Struikhei in de duinheide.
  • Beperkte dynamiek (zandverstuiving) op de Keiheuvel.
  • Maximaal 50 % open zand in Geel-Bel.

Doel + +
3130 - Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot het Littorelletalia uniflorae en/of Isoëto-Nanojuncetea en 7140_cl Basenrijk overgangsveen met Draadzegge Omschrijving

Actueel 18 ha habitattype 3130
Toename met 10 ha door omvorming van vis- en recreatievijvers en natte depressies. Veruit de grootste omvorming zal plaats vinden in de Langdonken (deelgebied 6). Samen met de oppervlaktetoename van habitattype 3130 zal de oppervlakte van de verlandingsvegetaties (habitattypes 7140_cl) toenemen.

  • Helder, zeer zwak tot matig gebufferd en min of meer nutriëntenarm water met een lage stikstof- en fosforconcentratie (totaal fosfor ≤ 40 µg/l) en een matig zure tot circumneutrale pH (pH 5-7,5).
  • Schommelende waterstanden met periodieke droogval.
  • Geen invasieve exoten (watercrassula, …).
  • Gevlekte witsnuitlibel en venwitsnuitlibel zijn kwaliteitsindicatoren voor dit habitattype.

Doel + +
4010 - Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix en 7150 Slenken in veengronden met vegetatie behorend tot het Rhynchosporion Omschrijving

Actueel 2 ha
Toename met 8 ha, prioritair door omvorming van verruigde graslanden in de depressies van de paraboolduinen van Scherpenbergen-De Hutten en Geel-Bel (deelgebied 4).

  • Natuurlijke hydrologie met een voldoende hoge grondwaterstand.
  • Jaarlijks maaibeheer.

Doel + +
4030 - Droge Europese heide Omschrijving

Behoud van de actuele oppervlakte (ca. 8 ha) in de Langdonken en het Goor.

Jaarlijks maaibeheer.

Doel + =
6230 - Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa) Subtype 6230_hmo Vochtig heischraal grasland Subtype 6230_ha Soortenrijk struisgrasland Omschrijving

Actueel 8 ha
Toename met 23 ha door omvorming van niet-habitatwaardig jong bos.
Veruit de grootste omvorming zal plaats vinden in de Langdonken (deelgebied 6).

Maximaal 10 % verbossing en 30 % vergrassing

Doel + +
6410 - Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Eu-Molinion) Subtype 6410_mo Blauwgrasland Omschrijving

Actueel 0,02 ha
Toename tot 2 ha op de historische vindplaatsen van Spaanse ruiter door omvorming van niet-habitatwaardige graslanden en naaldhoutbestanden in de Langdonken (deelgebied 6)

  • Meer sleutelsoorten.
  • Aangepast beheer.

Soorten - Heidelandschap

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
Blauwborst Omschrijving

Minimaal 3 broedparen in de Langdonken.

  • Droogvallende oevers van plassen rijk aan insecten.
  • Verspreide struiken als zangpost.

Doel + +
Drijvende waterweegbree Omschrijving

Uitbreiding van het aantal populaties in de Langdonken tot verschillende structureel samenhangende groeiplaatsen van samen meer dan 50 m2 en meer dan 1000 planten per populatie. Uitbreiding van de populatie in het Goor tot één aaneengesloten populatie van 10-1000 planten

Geen invasieve exoten.

Doel =/+ +
Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger Omschrijving

Instandhouding of indien mogelijke groei van de huidige populaties.

  • Behoud, herstel en ontwikkeling van kleine landschapselementen (vooral bomenrijen en houtwallen) en een halfopen landschap.
  • Voldoende gemengde loofbossen en parken in de omgeving van de foerageergebieden.
  • Toename van het aantal (oude) bomen met holtes en spleten.

Doel + +
IJsvogel Omschrijving

Minimaal 3-5 broedparen in de Langdonken.

  • Helder water met een voldoende aanbod aan kleine vissen.
  • Voldoende nestgelegenheid in de vorm van wortelkluiten van omgevallen bomen in de nabijheid van de plassen.

Doel + +
Poelkikker Omschrijving

Toename van de actuele populatie in het Goor-Asbroek tot een relatieve populatiegrootte van minstens 200 roepende mannetjes. Deze doelstelling spoort samen met de tot doel gestelde toename van vennen met Oeverkruidgemeenschappen (habitattype 3130_aom).

  • Geen migratiebarrière tussen het Goor-Asbroek en de vallei van de Grote Nete.
  • Natuurlijke visstand.
  • Bestrijding van invasieve exoten, onder meer stierkikker.

Doel + +
Porseleinhoen Omschrijving

1-3 broedparen in de Langdonken.

  • Verhoging van het waterbergend vermogen van de depressies en van de omgeving van de Kalsterloop.
  • Ontwikkeling van grote zeggenvegetaties en rietlanden langs de Kalsterloop.

Boslandschap

Met dit landschap worden de droge loofbossen bedoeld. De alluviale bossen maken deel uit van het valleilandschap. Het boslandschap omvat volgende Europees te beschermen habitattypes:

  • zuurminnende eiken-beukenbossen (9120)
  • zuurminnende eiken-berkenbossen (9190)
  • eiken-haagbeukenbossen (9160).

Zuurminnend eiken-beukenbos is het meest voorkomende bostype in dit gebied. Het is dominant in het Prinsenbos, het Asbroek en het Varenbroek. Op de droge zandgronden van de rivierduinen (Keiheuvel, Scherpenbergen-De Hutten, Geel-Bel) kunnen stabiele bestanden zuurminnend eiken-berkenbos ontwikkelen.

Momenteel komt dit bostype er enkel voor als spontane opslag in aangeplant naaldhout. Eiken-haagbeukenbossen zijn slechts marginaal aanwezig in het Varenbroek en het Asbroek. Momenteel wordt in geen enkel habitatwaardig bos het Minimum Structuurareaal bereikt. De horizontale structuur is meestal ondermaats met te weinig (dik) dood hout en soms ook een te groot aandeel invasieve exoten ( Amerikaanse eik en Amerikaanse vogelkers). Vaak zijn er ook te weinig habitattypische soorten aanwezig in de kruidlaag.

Via kwaliteitsverbetering, omvorming van niet-habitatwaardig bos en effectieve bosuitbreiding worden de bestaande waardevolle boskernen in het Prinsenbos, het Asbroek en het Varenbroek versterkt en beter met elkaar verbonden. Op de rivierduinen zal het aandeel habitatwaardig eiken-berkenbos sterk toenemen door de omvorming van een deel van de naaldhoutbestanden. Wespendief, zwarte specht, nachtzwaluw en boomleeuwerik liften mee met deze doelstellingen. Volgende habitattypische soorten zullen profiteren van deze doelstellingen: gekraagde roodstaart, bonte vliegenvanger, … bruine eikenpage.

Habitats - Boslandschap

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
9120 - Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei (Quercion robori-petraeae of Ilici-Fagenion) Omschrijving

Actueel 143 ha
Toename tot 241 ha, met als richtwaarde voorbosuitbreiding 62 ha. De belangrijkste omvormingen zullen gerealiseerd worden in de Langdonken (deelgebied 6), het Prinsenbos en het Asbroek (beiden in deelgebied 7). Effectieve bosuitbreiding is voorzien in het Varenbroek (deelgebied 2), het Asbroek, het Prinsenbos en het Kattenbos (alle drie in deelgebied 7).

  • Voldoende spontane verjonging en heterogeniteit (qua leeftijd en soort) van het bomenbestand.
  • Zo weinig mogelijke invasieve exoten.
  • Voldoende aandeel (dik) dood hout.
  • Voldoende soortenrijkdom en bedekking van sleutelsoorten in de kruidlaag.
  • Maximaal 10 % verruiging.
  • Voldoende open plekken (tot 3 ha) met droge heide (4030) en/of droog heischraal grasland (6230) met het oog op de creatie van een functioneel netwerk voor habitattypische soorten.
  • Geleidelijke bosranden aansluitend op open habitattypes (droge heide en/of droog heischraal grasland).
  • Middelste bonte specht, houtsnip, wespendief en boommarter zijn kwaliteitsindicatoren voor dit habitattype.

Doel = +
9160 - Sub-Atlantische en Midden-Europese wintereikenbossen of eiken-haagbeukbossen behorend tot het Carpinion-betuli Omschrijving

Behoud van de actuele oppervlakte (16 ha) in het Varenbroek (deelgebied 2) en het Goor-Asbroek (deelgebied 7).

  • Voldoende spontane verjonging en heterogeniteit (qua leeftijd en soort) van het bomenbestand.
  • Zo weinig mogelijke invasieve exoten.
  • Voldoende aandeel (dik) dood hout.
  • Voldoende soortenrijkdom en bedekking van sleutelsoorten in de kruidlaag.

Doel + +
9190 - Oude zuurminnende eikenbossen met Quercus robur op zandvlakten Omschrijving

Actueel 24 ha
Toename tot 117 ha. Deze toename wordt volledig gerealiseerd door omvorming van aangeplant naaldhout op de Keiheuvel (deelgebied 1) en op de paraboolduinen van Scherpenbergen-De Hutten en Geel-Bel (deelgebied 4).

  • Voldoende spontane verjonging en heterogeniteit (qua leeftijd en soort) van het bomenbestand.
  • Zo weinig mogelijke invasieve exoten.
  • Voldoende aandeel (dik) dood hout.
  • Voldoende soortenrijkdom en bedekking van sleutelsoorten in de kruidlaag.
  • Voldoende open plekken (tot 3 ha) met duinheide (2310), duingrasland (2330) en/of droog heischraal grasland (6230) met het oog op de creatie van een functioneel netwerk voor habitattypische soorten.
  • Geleidelijke bosranden aansluitend op open habitattypes (duinheide, duingrasland en/of droog heischraal grasland).
  • Nachtzwaluw, boomleeuwerik, wespendief en zwarte specht zijn kwaliteitsindicatoren voor dit habitattype.

Soorten - Boslandschap

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel =/+ +
Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger Omschrijving

Instandhouding of indien mogelijke groei van de huidige populaties.

  • Behoud, herstel en ontwikkeling van kleine landschapselementen (vooral bomenrijen en houtwallen) en een halfopen landschap.
  • Voldoende gemengde loofbossen en parken in de omgeving van de foerageergebieden.
  • Toename van het aantal (oude) bomen met holtes en spleten.

Doel = +
Wespendief Omschrijving

Behoud van het aantal broedparen (1 tot 2) in de Langdonken (deelgebied 6).

  • Gemengde (loof) bossen met voldoende oude bomen en open plekken.
  • Voldoende bermen, houtkanten en bosranden in de omgeving.

Doel = +
Zwarte specht Omschrijving

Behoud van het aantal broedparen (2 tot 4) in de Langdonken (deelgebied 6).

  • Veroudering van de bosbestanden.
  • Voldoende staand dood hout.

Moeraslandschap

Het deelgebied Zammels Broek van deze speciale beschermingszone overlapt met het projectgebied van het geactualiseerd Sigmaplan. Via dit plan dienen o.m. de instandhoudingsdoelstellingen voor het Schelde-estuarium gerealiseerd te worden [*]. In de gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen (G-IHD) werden voor doelsoorten van het Schelde-estuarium doelstellingen voor extra oppervlakte leefgebied binnen Sigmagebied geformuleerd. Een deel van de doelstellingen voor roerdomp, woudaap, porseleinhoen en kwartelkoning zal worden gerealiseerd in het Zammels Broek.

In het Zammels Broek kunnen via ingrepen in de Grote Nete en de drainagegrachten de grondwaterstanden voldoende opgetrokken worden om ca. 125 ha extra leefgebied te creëren voor vogels van grootschalige rietmoerassen (roerdomp, woudaap, porseleinhoen en bruine kiekendief). Dit leefgebied bestaat grotendeels uit waterriet (rbb_mr) aangevuld met grote zeggenvegetaties (rbb_mc) en open water (rbb_ae). Het minder te vernatten deel van het Zammels Broek (> 60 ha) zal ingericht worden als een mozaïek van graslanden en ruigtes (rbb_hc, rbb_hu en rbb_hf) als foerageergebied voor bruine kiekendief en potentieel leefgebied voor kwartelkoning. Door de natuurdoelen in het aangrenzende Trichelbroek hierop af te stemmen kan voor grotere en dus stabielere deelpopulaties van deze soorten leefgebied gecreëerd worden.

[*] De instandhoudingsdoelstellingen voor het Schelde-estuarium en het geactualiseerd Sigmaplan werden bekrachtigd door de beslissing van de Vlaamse Regering van 22 juli 2005.

Soorten - Moeraslandschap

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
Bruine kiekendief Omschrijving

1 broedpaar

  • Nestplaats: uitgestrekte rietvelden en moerassen met dichte vegetatie en weinig bomen.
  • Foerageergebied: voldoende groot moerasgebied in de buurt van open water of vochtige weilanden en cultuurland met groot voedselaanbod.

Doel =/+ +
Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger Omschrijving

Instandhouding of indien mogelijke groei van de huidige populaties.

  • Behoud, herstel en ontwikkeling van kleine landschapselementen (vooral bomenrijen en houtwallen) en een halfopen landschap.
  • Voldoende gemengde loofbossen en parken in de omgeving van de foerageergebieden.
  • Toename van het aantal (oude) bomen met holtes en spleten.

Doel + +
Kwartelkoning Omschrijving

1 broedpaar (voorzien in het Sigmaplan)

  • Overwegend droge onbemeste bloemrijke hooilanden (ca. 80%) en deels vochtige tot moerassige bodem (ca. 20%).
  • Weinig of geen bomen of struiken.
  • Geen (intensieve) begrazing.

Doel + +
Porseleinhoen Omschrijving

3-4 broedparen (voorzien in het Sigmaplan).

Halfopen tot open waterrijk rietmoeras afgewisseld met zones met lagere moerasvegetaties.

Doel + +
Roerdomp Omschrijving

4 broedparen (waarvan 3 bp voorzien in het Sigmaplan). Dit betekent in totaal een oppervlakte geschikt leefgebied van 120-200 ha, waarvan 118 ha extra leefgebied in Zammelsbroek en 35 ha extra leefgebied in Trichelbroek.

Halfopen tot open waterrijk moeras met:

  • overjarige brede rietkragen met gevarieerd periodiek maaibeheer;
  • veel overgangszones riet-water en riet-grasland;
  • waterpartijen tot 2,5 m diep, met ondiepe zones en een natuurlijke peildynamiek;
  • geen of weinig verstoring.

Doel + +
Woudaap Omschrijving

6-8 broedparen.

Halfopen tot open waterrijk moeras met:

  • overjarige brede rietkragen met gevarieerd periodiek maaibeheer;
  • veel overgangszones riet-water en riet-grasland;
  • waterpartijen tot 2,5 m diep, met ondiepe zones en een natuurlijke peildynamiek;
  • geen of weinig verstoring.

2.2 Prioritaire inspanningen

In samenhang met de hoger beschreven doelstellingen is in het S-IHD-besluit door de Vlaamse Regering een aantal prioritaire inspanningen vastgesteld. Dit is een globale omschrijving van de acties die noodzakelijk zijn voor de realisatie van deze doelstellingen. Voor de uitvoering van de prioritaire inspanningen zijn vaak meerdere acties nodig. Hoofdstuk 4 van dit voortgangsdocument (Inspanningsmatrix) geeft de concrete acties weer die uitvoering geven aan deze prioritaire inspanningen.

3 Oppervlaktebalans

Dit hoofdstuk geeft de stand van zaken weer van de realisatie van de taakstelling, met name van de oppervlaktedoelen, op basis van het passend beheer. Het passend beheer is wettelijk gedefinieerd in het Instandhoudingsbesluit van 20 juni 2014. Het is de oppervlakte waarvoor in een natuurbeheerplan of daarmee vergelijkbaar plannen of overeenkomsten, een of meer Europees te beschermen habitattype(s) of een leefgebied van een of meer Europees te beschermen soort(en) als natuurstreefbeeld is vastgesteld. 

De oppervlaktebalans in dit voortgangsdocument is enkel opgemaakt voor de Europees te beschermen habitats, op basis van de inventarisatie van het terreinbeheer door het ANB, verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen (met name Natuurpunt vzw, vzw Durme en Limburgs Landschap vzw). Voor leefgebieden van Europees te beschermen soorten was dergelijke inventarisatie niet mogelijk met de bestaande gegevens, zodat een oppervlaktebalans per Europees te beschermen soort niet opgenomen is. 

Onderstaande tabel geeft per Europees te beschermen habitat:

  • De habitat code: de code van het habitat waarvoor een doel is gesteld (zie §2.1 'Doelen', voor de benaming en beschrijving);
  • Het totaal doel: de tot doel gestelde oppervlakte per habitat;
  • Het passend beheer: de oppervlakte met passend beheer zoals vastgesteld in een goedgekeurd natuurbeheerplan of daarmee vergelijkbare plannen of overeenkomsten;
  • De openstaande taakstelling: de oppervlakte die wordt berekend als het verschil tussen het totaal doel en de oppervlakte met passend beheer.

In de oppervlaktebalans worden alle oppervlakten weergegeven in hectare, tenzij anders aangegeven. De tabel geeft de situatie in februari 2017 weer.

4 Inspanningsmatrix

Dit hoofdstuk formuleert de acties die uitvoering geven aan de prioritaire inspanningen die vastgesteld werden in het S-IHD-besluit. Daarbij wordt op basis van het Vlaams Natura 2000-programma 2016-2020 aangegeven welke acties behoren tot het bindend deel van de taakstelling (zie hoofdstuk 1). De overige acties behoren tot het richtinggevend deel van de taakstelling. 

Elke actie wordt in onderstaande tabel beschreven, met volgende rubrieken:

  • Nr. actie: het nummer van de actie is een samenstelling van het nummer van de prioritaire inspanning en het nummer van de actie zelf. 
  • Omschrijving actie: geeft beknopt aan wat er moet gebeuren, waarom, met welk resultaat en waar.
  • Prioritaire inspanning: de prioritaire inspanning waaraan deze actie invulling geeft. Vanaf prioritaire inspanning 100 worden acties weergegeven die niet onder de prioritaire inspanningen van hoofdstuk 2.2 vallen. Deze acties zijn toegevoegd aan het voortgangsdocument, aanvullend op de prioritaire inspanningen, omdat ze eveneens nodig zijn om tot de gunstige lokale staat van instandhouding te komen van de betreffende habitat(s) of soort(en).
  • Actie voor de verbetering van het natuurlijk milieu: indien in deze kolom een ‘ja’ staat, dan is deze actie ingeschreven voor de verbetering van het natuurlijk milieu als omschreven in hoofdstuk 5. 
  • Deelgebied(en): de deelgebieden waar deze actie uitgevoerd zal worden. Indien in de tabel geen nummer van een deelgebied is opgegeven, is de actie van toepassing op de volledige SBZ. 
  • Habitats/soort(en): de Europees te beschermen habitat(s) en/of soort(en) waarvoor de actie ondernomen wordt. Het gaat om habitats en soorten waarvoor doelen opgenomen zijn in het S-IHD-besluit en om (cursief aangegeven) habitattypische soorten. Habitattypische soorten zijn kenmerkend voor één of soms meerdere habitattypes. Een habitattype kan enkel in een regionaal gunstige staat van instandhouding verkeren als binnen Vlaanderen ook de habitattypische soorten gelinkt aan dit habitattype in een regionaal gunstige staat van instandhouding verkeren. Meer gedetailleerde informatie over habitattypische soorten is beschikbaar in referenties 1, 2 en 3 (zie hoofdstuk 8).
  • Trekker: de organisatie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de actie.
  • Andere betrokkenen: de organisaties of actoren die betrokken zijn bij de actie, als uitvoerder, omwille van mogelijke impact, het leveren van kennis,…
  • Timing: het moment waarop de uitvoering van de actie start. Kan pas ingevuld worden indien de status ‘gepland’ of ‘in uitvoering’ is.
  • Status: hierbij is onderscheid gemaakt tussen:
    • Op te starten: de actie is benoemd maar nog niet opgestart.
    • In onderzoek: het plan of project voor de uitvoering van de actie is in ontwikkeling. Een trekker is aangeduid en gestart met de voorbereiding van het plan of project .
    • Plan in opmaak: de opmaak van het uitvoeringsplan is gestart. 
    • Plan beschikbaar: het uitvoeringsplan is afgerond en door de betrokken partijen goedgekeurd. De uitvoering ervan moet nog opgestart worden. 
    • In uitvoering: de actie wordt momenteel uitgevoerd.
    • Uitgevoerd: de uitvoering van de actie is beëindigd.
    • Stopgezet: de uitvoering van de actie is stopgezet zonder dat ze helemaal is beëindigd; er is geen plan om ze terug op te starten.
  • Bindend: deze lijn verschijnt enkel als de actie deel uitmaakt van het bindend deel van de taakstelling (zie hoofdstuk 1). Hierbij is onderscheid gemaakt tussen:
    • Stand still: actie noodzakelijk voor de stand still of het tegengaan van achteruitgang.
    • 2020: actie noodzakelijk voor het bereiken van een gunstige of verbeterde staat van instandhouding voor 16 habitats tegen 2020.
    • Deelgebied(en): de deelgebied(en) waarvoor de actie bindend is (sommige acties zijn bindend voor een deelgebied maar richtinggevend voor een ander).
    • Habitats/soorten: de habitats en/of soorten waarvoor de actie bindend is (sommige acties zijn bindend voor een habitat en/of soort maar richtinggevend voor andere habitats en/of soorten).

De tabel geeft de situatie weer in augustus 2017.

5 Overzichtkaart

De overzichtskaart biedt informatie voor en een stand van zaken over de realisatie van de doelen voor deze SBZ. De verschillende onderdelen zijn te consulteren via een geoloket.

 

 5.1 Synthesekaart

De synthesekaart biedt een samengesteld, vereenvoudigd overzicht van de actuele Europees te beschermen habitats en de oppervlaktes Europees te beschermen habitats onder passend beheer (zie hoofdstuk 3).

In het geoloket wordt de synthesekaart weergegeven met dit symbool 

5.2 Situering van de actuele Europees te beschermen habitats

De kaarten ‘Actueel habitat’ geven indicatief de ligging van de actuele Europees te beschermen habitats in deze SBZ weer, op basis van referentie 9 (zie hoofdstuk 6). De kaart ‘Actueel habitat overzicht’ geeft een overzicht alle actuele habitats. De kaarten ‘Actueel habitat per cluster’ en ‘Actueel habitat per habitat’ maken de actuele habitats respectievelijk in clusters van verwante habitats en voor elk habitat apart zichtbaar.

In het geoloket wordt de kaart: 

  • actueel habitat overzicht weergegeven met dit symbool   
  • actueel habitat per cluster met dit symbool  
  • actueel habitat per habitat met dit symbool 

5.3    Situering van de gebieden beheerd met het oog op de realisatie van de doelen

De kaarten ‘Passend beheer’ (voor definitie, zie hoofdstuk 3) geven indicatief weer welke oppervlaktes Europees te beschermen habitats onder passend beheer zijn bij het ANB, verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen (zie hoofdstuk 3). De kaart ‘Passend beheer overzicht’ geeft het overzicht van alle oppervlaktes onder passend beheer voor habitats. De kaarten ‘Passend beheer per cluster’ en ‘Passend beheer per habitat’ maken de oppervlaktes onder passend beheer respectievelijk in clusters van verwante habitats en voor elk habitat apart zichtbaar.

De huidige kaart geeft de situatie weer in februari 2017.

In het geoloket wordt de kaart :

  • oppervlakte onder passend beheer overzicht weergegeven met dit symbool 
  • oppervlakte onder passend beheer per cluster weergegeven met dit symbool 
  • oppervlakte onder passend beheer per habitat weergegeven met dit symbool 

5.4 Situering van de vegetaties relevant als leefgebied voor Europees te beschermen soorten

Omdat voor de vegetaties relevant als leefgebied voor Europees te beschermen soorten geen terreininventarisatiegegevens bestaan, werd deze kaart opgemaakt door middel van een ruimtelijk model. Dit model werkt op basis van de ecologische karakteristieken van de soort, aangevuld met actuele verspreidingsgegevens en de verbreidingscapaciteit van de soort. De bekomen afbakening vormt op dit moment de best beschikbare benadering van de actuele leefgebieden van de betreffende soorten. Voor een gedetailleerde beschrijving van de methodiek wordt verwezen naar referenties 4, 5 en 6 (zie hoofdstuk 6).

De opmaak ervan was niet voor alle Europees te beschermen soorten mogelijk omdat

  • een aantal mobiele soorten zeer ruime en weinig gedifferentieerde leefgebieden kent (bv. slechtvalk, kokmeeuw);
  • voor de leefgebiedkarakteristieken van bepaalde soorten geen (gebiedsdekkende) kaartlaag voorhanden is (bv. bittervoorn en kleine modderkruiper);
  • voor een aantal soorten de wetenschappelijke kennis en de beschikbare data ontoereikend zijn (bv. vleermuizen).

In het geoloket worden de leefgebieden weergegeven met de symbolen symbool leefgebieden voor het overzicht,  Synthesekaart Groepen voor de groepen en symbool leefgebieden voor de soorten, en dit enkel voor soorten waarvoor de opmaak van de kaarten mogelijk was en waarvoor doelen zijn ingeschreven in het S-IHD-besluit.

5.5 Situering van de aanwezigheid van habitattypische soorten

Onderstaand overzicht geeft indicatief weer welke habitattypische soorten actueel voorkomen per deelgebied op basis van referenties 7 en 8 (zie hoofdstuk 6). Habitattypische soorten zijn soorten die kenmerkend zijn voor één of soms meerdere habitattypes. Voor het bereiken van de regionaal gunstige staat van instandhouding van het habitat, moeten de populaties van de habitattypische soorten, verbonden aan dat habitat, ook in een regionaal gunstige staat van instandhouding worden gebracht of gehouden. Meer gedetailleerde informatie over habitattypische soorten is beschikbaar in referenties 1, 2 en 3 (zie hoofdstuk 6).

 

6 Referenties

1.:  Geert De Knijf, Desiré Paelinckx (2012). Typische faunasoorten van de verschillende Natura 2000 habitattypes, in functie van de beoordeling van de staat van instandhouding op niveau Vlaanderen (ref. INBO.A.2013.139)

2.: Adriaens, Dries; Adriaens, Tim; Ameeuw, Griet (2008). Ontwikkeling van criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de habitattypische soorten (ref. INBO.R.2008.35)

3: Adriaens, P. & Ameeuw, G. (red) (2008). Ontwikkeling van criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de vogelrichtlijnsoorten.  D/2008/3241/287 (ref.INBO.R.2008.36)

4.: Maes et al. (2015). Afbakenen van potentiële leefgebiedenkaarten voor Europese en Vlaamse prioritaire soorten in het kader van de voortoets. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2015. (versie 2.0). (ref. INBO.R.2015.10201559). 

5: : Maes D., Anselin A., De Knijf G., Denys L., Devos K., Gouwy J., Leyssen A., Packet J., Pauwels I., Pollet M., Speybroeck J., Stienen E., Thomaes A., T’jollyn F., Van Den Berge K., Van Landuyt W., Van Thuyne G., Vermeersch G. & Verhaeghe F. (2017). Afbakenen van actueel relevant potentieel leefgebied voor een selectie van Europees prioritaire soorten. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2017 (30) (ref. INBO.R.12602606 . Brussel: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

6.: Dirk Maes, Koen Devos, Anny Anselin, Eric Stienen, David Buysse, Ine Pauwels & Thierry Onkelinx (2016). Advies over de leefgebiedenkaarten van Natura 2000-soorten (ref. INBO.A.3415)

7.: De Knijf, Geert; Vermeersch, Glenn (datum). Advies over de actuele verspreiding van de habitattypische soorten per SBZ-H deelgebied - deel fauna (ref. INBO.A.3233)

8.: Van Landuyt, Wouter; De Knijf, Geert (2014). Advies over de verspreiding van de habitattypische soorten per SBZ-H deelgebied - deel flora (ref. INBO.A.3192)

9. De Saeger, S., Guelinckx, R., Oosterlynck, P., De Bruyn, A., Debusschere, K., Dhaluin, P., ... Paelinckx, D. (2020). Biologische Waarderingskaart en Natura 2000 Habitatkaart, uitgave 2020. (Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek; Nr. 35). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. https://doi.org/10.21436/inbor.18840851