landschap met schapen © Veronique De Smedt

Het Blak

BE2100019 - Het Blak, Kievitsheide, Ekstergoor en nabijgelegen Kamsalamanderhabitats

1 Inleiding

Het Natura 2000-netwerk is een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Deze zijn aangewezen op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen om Europees beschermde habitattypes en soorten de kans te geven duurzaam te overleven en zo de Europese biodiversiteit te bewaren. In Vlaanderen zijn 62 Natura 2000-gebieden aangeduid, ook speciale beschermingszones (hierna: SBZ) genoemd. Deze gebieden zijn essentieel voor het bereiken van de gunstige staat van instandhouding van Europees te beschermen habitats en soorten. Voor Vlaanderen gaat het om 47 habitattypes, 49 dier- en plantensoorten en 58 vogelsoorten. 

Alle lidstaten van de Europese Unie zijn verplicht om de nodige maatregelen te nemen om een ‘gunstige staat van instandhouding’ te realiseren voor Europees te beschermen habitats en soorten. Om deze maatregelen in te vullen heeft de Vlaamse Regering instandhoudingsdoelstellingen (hierna: doelen) op Vlaams niveau en per SBZ bepaald. Op Vlaams niveau zijn dit de zogenaamde gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen (hierna: G-IHD) en per SBZ zijn dit de zogenaamde specifieke instandhoudingsdoelstellingen (hierna: S-IHD). Deze S-IHD zijn, na een intensief overlegproces tussen 2010 en 2013, vastgesteld in aanwijzingsbesluiten (de S-IHD-besluiten) door de Vlaamse Regering op 23 april 2014. 

De realisatie van de doelen wordt gefaseerd en programmatisch aangepakt. Vlaanderen moet elke zes jaar aan Europa rapporteren, daarom is ook voor de realisatie gekozen voor cycli van maximaal zes jaar. Per cyclus of planperiode wordt een Vlaams Natura 2000-programma opgemaakt met een Vlaamse taakstelling en acties voor de komende periode. Het programma omschrijft ook welke organisaties betrokken zijn en geeft een raming van de uitgaven voor de uitvoering van het programma.  

Focus Vlaams Natura 2000 programma 2016–2020

Omdat Vlaanderen in 2020 aan Europa moet rapporteren, loopt de eerste cyclus van het Vlaams Natura 2000-programma van 2016 tot 2020. Op het moment van publicatie van dit voortgangsdocument bestaat er nog geen nieuw Vlaams Natura 2000-programma voor de volgende planperiode (2021-2026), zodat het bestaande programma volgens de regelgeving geldig blijft.  

Voor deze eerste cyclus is vertrokken van de Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 en van het Pact 2020. In het Vlaams Natura 2000-programma zijn een bindende en een richtinggevende taakstelling geformuleerd als een gefaseerd kader voor de realisatie van de doelen.

Het bindend deel van de taakstelling in het Vlaams Natura 2000-programma omvat:

  • het stoppen of vermijden van de verdere achteruitgang van Europees te beschermen habitattypes of soorten (stand still);
  • dat 16 van de 47 Europees te beschermen habitattypes in een gunstige staat verkeren of zijn verbeterd ten opzichte van 2007 (zie bijlage 5 van het Vlaams Natura 2000-programma).

Het bindend deel van de taakstelling moet tegen 2020 worden gerealiseerd.

Het richtinggevende deel van deze taakstelling omvat:

  • dat tegen 2020 voor alle Europees te beschermen habitattypes en soorten samen 70% van de inspanningen operationeel zijn, zodat alle habitats en soorten in een gunstige staat van instandhouding kunnen worden gebracht tegen 2050. Voor soorten die extra oppervlakte leefgebied nodig hebben, moet een derde van de extra oppervlakte gerealiseerd zijn door inrichting en beheer.

De maatregelen nodig om het richtinggevende deel van de taakstelling te realiseren, kunnen al in deze planperiode opgestart worden of, indien al in planning of uitvoering, verder lopen. Deze maatregelen moeten niet noodzakelijk afgerond zijn tijdens de looptijd. In de inspanningsmatrix (hoofdstuk 4 van het voortgangsdocument) is voor elke actie aangegeven of deze behoort tot het bindend of het richtinggevend deel van taakstelling van het Vlaams Natura 2000-programma.

Doelstelling van het voortgangsdocument

Het voortgangsdocument wordt opgemaakt met het oog op:

  • het gradueel realiseren van de S-IHD;
  • het vermijden of stoppen van de verslechtering van de Europees te beschermen habitats en de leefgebieden van Europees te beschermen soorten;
  • het vermijden of het stoppen van de betekenisvolle verstoring van de Europees te beschermen soorten.

Het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna: het ANB) maakt het voortgangsdocument op en beheert het. Dit voortgangsdocument beschrijft de inspanningen die volgens de inventaris hiervan in 2017 geleverd worden door de organisaties voor wie het beheren en ontwikkelen van natuur een maatschappelijke opdracht is. Dit zijn het ANB, de verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen. Tevens biedt het een overzicht van de openstaande taakstelling en van de acties die, volgens de huidige plannen en inzichten, nodig zijn voor de realisatie ervan. Zo vormt het voortgangsdocument het vertrekpunt en de inspiratiebron voor het bereiken van de doelen voor iedereen die daaraan kan bijdragen.

Situering van het SBZ

2 Taakstelling

Voor elke SBZ werden door de Vlaamse Regering de specifieke doelen voor Europees te beschermen habitats en soorten en de prioritaire inspanningen vastgesteld in een S-IHD-besluit. Deze doelen worden in dit voortgangsdocument weergegeven in hoofdstuk 2.1. Deze zijn daarbij geclusterd in landschapstypes. Per Europees te beschermen soort en habitat zijn het gebiedsgericht kwantiteitsdoel (populaties of oppervlakten) en kwaliteitsdoel beschreven. Hoofdstuk 2.2 geeft prioritaire inspanningen weer, die in het S-IHD-besluit vastgesteld zijn voor het realiseren van de doelen. 

2.1 Doelen

Legende bij de oppervlakte-, populatie- en kwaliteitsdoelen

Symbool

Omschrijving

+

Het doel is een stijging van de oppervlakte of populatiegrootte / een verbetering van de kwaliteit.

=

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit.

=/+

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit met lokale uitbreidingsmogelijkheid.

=/-

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit met lokale inkrimpingsmogelijkheid.

In onderstaande tabel met de doelen voor het SBZ worden doelstellingen voor enerzijds het gedeelte dat habitatrichtlijngebied is en anderzijds het gedeelte dat 'zuiver vogelrichtlijngebied' (lees: enkel vogelrichtlijngebied en geen habitatrichtlijngebied) is, niet onderscheiden, maar geïntegreerd. Aan de drie criteria die tegelijk vervuld dienen te zijn om deze doelen voor beide ruimtelijk afgebakende gebieden van elkaar te onderscheiden, werd immers niet voldaan. De drie criteria zijn: 

  • het zuiver vogelrichtlijngebied handelt over een relevante oppervlakte; 

  • het betreft in dit gebied relevante doelstellingen doelen en; 

  • de doelen die in het gedeelte dat zuiver vogelrichtlijngebied is, gerealiseerd dienen te worden, zijn (reeds in dit stadium) bekend.] 

Poelen, vennen en plassen

Onder ‘poelen en vennen’ verstaan we kleine, ondiepe wateren. In het gebied betreft het onder meer waterlichamen die ontstaan zijn door oude, artisanale kleiontginningen, veedrinkpoelen, natuurlijke poelen en met het oog op natuurontwikkeling gegraven poelen. Anderzijds zijn er de plassen die groter en dieper zijn en allemaal ontstaan zijn door kleiontginning. Aan beide zijn specifieke Europees beschermde natuurwaarden (habitattypes en soorten) verbonden.

De poelen en vennen zijn vooral belangrijk voor de rijke amfibieënfauna: heikikker, poelkikker en kamsalamander. Voor het duurzaam voorkomen van deze soorten dient in eerste instantie gewerkt te worden aan inrichting en beheer van kerngebieden waar kwalitatief goed ontwikkelde voortplantingsgebieden en landhabitats samen voorkomen. Daarnaast dient er aandacht te zijn voor migratiemogelijkheden tussen populaties. De kamsalamander vraagt bijzondere aandacht omdat dit gebied ‘zeer belangrijk’ is voor het behoud van de Kamsalamander in Vlaanderen. Maar ook voor heikikker is aandacht nodig aangezien het voorkomen van de soort in het gebied wellicht nog niet ten volle gekend is en wellicht grote populaties voorkomen.

De oevers van heel wat plassen herbergen typische vegetaties die behoren tot het Europees beschermde habitattype 3130 - Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot de Littorelletalia uniflorae en/of de Isoëto-Nanojuncetea. Het habitatrichtlijngebied is ‘essentieel’ voor dit habitattype en heeft dus een grote bijdrage aan het realiseren van de gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen voor dit habitat in Vlaanderen. Binnen het gebied is er meer dan 102 ha van dit habitat aanwezig. Hierin zijn zowel de eigenlijke oevervegetaties als de grote wateroppervlakken van de betreffende plassen begrepen. De kwalitatieve verbetering en de toename van de eigenlijke oevervegetaties vormen de basis bij het formuleren van doelen.

In het behoud en de verbetering van de kwaliteit van het habitattype spelen ook de bossen of heidegebieden er omheen een belangrijke rol aangezien deze als buffer/scherm fungeren ten aanzien van negatieve invloeden uit te omgeving.

De plassen spelen daarnaast ook een belangrijke rol voor eenden, ganzen, zwanen en steltlopers. Dit heeft vooral te maken met de rust op en nabij de plassen. Door het verbeteren van de kwaliteit van de plassen en het behoud van de rust kan de waarde van de plassen voor deze watervogels nog verhogen. De plassen zijn ook belangrijk voor vleermuizen die foerageren boven waterpartijen en hun zomerverblijfplaatsen hebben in bosgebieden.

Habitats - Poelen, vennen en plassen

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
3130 - Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot het Littorelletalia uniflorae en/of Isoëto-Nanojuncetea Omschrijving

Doel is behoud van de actuele oppervlakte van het habitattype van 102 ha. Een verdubbeling van de feitelijke oppervlakte aan oeverkruidvegetaties wordt beoogd.

Voor minstens 2 van de grote plassen waar het habitat voorkomt (deelgebied 2a, deelgebied 4, deelgebied 5) geleidelijk hellende oevers (verhouding 1:10). Dit in het bijzonder voor de zuidoostelijk gelegen oever van deze plassen. Kwalitatieve doelstelling is ook een natuurlijke trofie voor de betreffende plassen.

Doel = +
3150 - Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition Omschrijving

Behoud van de huidige oppervlakte van 1 ha.

Helder, matig nutriëntenrijk (niet hypertroof) water met een matige stikstof- en fosforconcentratie en een min of meer neutrale tot matig alkalische pH. Een vollediger ecosysteem met meer typische soorten.

Soorten - Poelen, vennen en plassen

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
Drijvende waterweegbree Omschrijving

Doelstelling is één grote aaneengesloten populatie of verschillende structureel samenhangende groeiplaatsen, samen meer dan 50 m2 en met meer dan 1.000 planten per populatie. Deze doelstelling dient behaald in deelgebied 5 Klokkeven-Volharding.

Initiëren van dynamische processen en voldoende zonlicht ter hoogte van de groeiplaatsen. Waterkwaliteit overeenkomstig de vereisten van het habitatype.

Doel = +
Franjestaart, Rosse vleermuis, Ruige dwergvleermuis, Watervleermuis Omschrijving

Minstens het behoud van de totale oppervlakte aan (zomer)verblijfplaatsen (=bossen) en foerageergebieden (= alle waterplassen, poelen en vennen in het gebied).

Waterplassen die voor vleermuizen bereikbaar zijn vanuit de bosgebieden. Bosgebieden met een goede horizontale en verticale structuur. Gericht beheer van bossen volgens de Criteria voor Duurzaam Bosbeheer (voor privé-boseigendommen gelegen in VEN) en via de beheervisie (voor het Agentschap voor Natuur en Bos) speelt hier in principe voldoende op in. Bijzondere aandacht dient gegeven aan oude bomen , open plekken en geleidelijke bosranden, vooral nabij open waterpartijen.

Doel = =
Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger Omschrijving

Behoud van de bestaande populaties

Behoud van de bestaande kwaliteit van de leefgebieden, behoud van de connectiviteit tussen de gebieden.

Doel + +
Heikikker Omschrijving

Uitbreiding van de huidige populatie van Hoge Bergen-Ekstergoor (deelgebied 2b) tot een kernpopulatie (= minimaal 200 roepende mannetjes). Realisatie van satellietpopulaties hierrond. In geval dat aanwezigheid van deze soort in deelgebied 5 Klokkeven-Volharding wordt bevestigd, wordt ook hier een kernpopulatie (= minimaal 200 roepende mannetjes) voorop gesteld.

Er dient een complex van geschikte water- en landhabitats te worden gerealiseerd in de omgeving van Hoge Bergen-Ekstergoor. Dit dient een complex te zijn van vochtige heide, vochtig bos en oligotrofe wateren (minstens 5 geschikte poelen). Als richtcijfers moeten al deze habitats, inclusief het complex aan vennen, gelegen zijn op een onderlinge afstand van minder dan 1km. Een oppervlakte van ongeveer 10 ha dient optimaal ingericht te worden ten behoeve van deze soort. Uitbreidingskansen naar andere potentiële leefgebieden (satelietpopulaties) dienen behouden te worden (geen versnipperende ingrepen op een afstand van minder dan 1 km rond het leefgebied. Mocht blijken dat de soort effectief ook voorkomt in Volharding wordt ook daar een leefgebied, voornamelijk bestaande uit vochtige heiden en vennen, tot doel gesteld.

Doel + +
Kamsalamander Omschrijving

Minimaal 3 populaties moeten uitgroeien tot voldoende grote kernpopulaties waar de soort duurzaam kan voorkomen. Dit wordt beoogd voor deelgebied 2b Hoge Bergen-Ekstergoor, deelgebied 2a Blak-Abtsheide ter hoogte van Pomp-Poelberg en deelgebied 4 De Leeuwerik.

Er worden complexen beoogd van minstens 3 tot 5 geschikte poelen in de hiernaast genoemde deelgebieden. Hierbij zijn de poelen ingebed in een kleinschalig landschap met bossen, ruigtevegetaties, houtwallen en niet tot weinig bemeste graslanden. Binnen de kernpopulaties dient eutrofiëring te worden vermeden.

Doel + +
Poelkikker Omschrijving

Voor huidige populaties worden duurzame kernpopulaties beoogd (minimaal 200 roepende mannetjes) in deelgebied 5 Volharding-Klokkeven en in de omgeving van deelgebied 2a Blak-Abtsheide. Deze laatste meer specifiek in de Abtsheide en in de Lage Heide (respectievelijk ten zuiden en ten noorden van de Rijkevorselseweg).

Er dienen maatregelen getroffen op de locaties waar de soort voorkomt zoals aanleg van nieuwe of de herstel van bestaande voortplantingsbiotopen. Een cluster van minimaal 3 tot 5 geschikte poelen dient gerealiseerd worden beoogd. Onderlinge verbondenheid van populaties die voorkomen binnen eenzelfde deelgebied (ihb deelgebied 2a).

Heidelandschap

In de Kempense kleiputten komen verschillende droge heidevegetaties, vochtige heide en stuifduinen voor. Het betreft de Europees beschermde habitats:

 

  • Habitattype 2330 - Open grasland met Corynephorus- en Agrostissoorten op landduinen;
  • Habitattype 4030 - Droge Europese heide;
  • Habitattype 4010 - Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix en
  • Habitattype 7150 - Slenken in veengronden met vegetatie behorend tot het Rhynchosporion.

 

De totale oppervlakte van deze habitattypes bedraagt momenteel ca. 26 ha. Deze oppervlakte komt gefragmenteerd voor in bijna alle deelgebieden van deze speciale beschermingszone behalve in deelgebied De Leeuwerik. Buiten het gegeven dat de totale oppervlakte aan heidehabitats klein is, is vooral het gegeven dat deze habitats heel gefragmenteerd voorkomen (eenheden doorgaans kleiner dan 2 ha) problematisch. Doordat de voorkomende heiderelicten sterk versnipperd voorkomen en weinig samenhangend zijn, ontbreken de habitattypische soorten of zijn deze erg zeldzaam.De kwaliteit van de heidegebieden dient ook sterk te worden verbeterd. Verbossing en vergrassing door vegetatiesuccessie, waardoor voortdurend oppervlakte- en kwaliteitsverlies dreigt, zijn belangrijke aandachtspunten.

Om de heidehabitats voor het gebied te behouden en te voorzien in een goede kwaliteit wordt gestreefd naar grotere, aaneengesloten kernen. Binnen de grenzen van het habitatrichtlijngebied worden twee kerngebieden tot doel gesteld, samen met een oppervlakte van ca. 40 tot 50 ha. De totale beoogde oppervlakte van de heidehabitats in het gebied bedraagt:55 ha, zijnde 29 ha meer dan nu aanwezig is.Hierbij wordt vertrokken van de belangrijkste heiderelicten. Deze zijn gelegen in deelgebied 5 Volharding-Klokkeven en in deelgebied 2a Blak-Abtsheide. Dit is vanuit beheeroogpunt gemakkelijker en kosten efficiënter dan volledig in te zetten op (louter) het behoud van de bestaande heiderelicten en zal ook kansen bieden aan habitattypische heidesoorten als klokjesgentiaan, groentje, levendbarende hagedis, boomleeuwerik en nachtzwaluw.

Habitats - Heidelandschap

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel = +
2330 - Open grasland met Corynephorus- en Agrostissoorten op landduinen Omschrijving

De huidige oppervlakte in deelgebied 2c Duivelskuil wordt behouden (=1ha). Binnen de grenzen van het SBZ-H wordt geen verdere toename voorzien.

Korte vegetaties, geen boomopslag en met voldoende dynamiek.

Doel + +
4010 - Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix en 7150 - Slenken in veengronden met vegetatie behorend tot het Rhynchosporion Omschrijving

Actuele oppervlakte is 10 ha.
Doelstelling is toename met 25 ha tot een totale oppervlakte van 35 ha. Toename (middels omvorming) wordt gezocht binnen deelgebied 2a (Lage heide-Abtsheide) deelgebied 2b Hoge Bergen-Ekstergoor en deelgebied 5 Klokkeven-Volharding .

Kwalitatief goed ontwikkelde heidegebieden: beperkte boomopslag, aandeel pijpenstrootje beperkt en pioniersstadia aanwezig (=habitattype 7150). Behoud van de bestaande goede lokale staat van instandhouding in de Duivelskuil (deelgebied 2c) en De Bonte Klepper (deelgebied 5).

Doel + +
4030 - Droge Europese heide Omschrijving

Actuele oppervlakte is 15 ha, verspreid over vele habitatvlekken en vele deelgebieden.
Doel is de versterking vanuit bestaande kernen van droge heide en/of kernen van andere habitats in de heidesfeer. Het doel is een totale oppervlakte van 19 ha droge heide met twee belangrijke kernen nl. in deelgebieden: (a) 2a (Lage heide-Abtsheide) (b) 5 Klokkeven-Volharding .

Met het oog op een hoge structuurrijkdom dienen alle ouderdomsstadia (van pionier- tot degeneratiestadium) aanwezig te zijn. Het aandeel Pijpenstrootje en de verbossingsgraad dienen beperkt te zijn (overeenkomstig voldoende tot goede locale staat van instandhouding).

Soorten - Heidelandschap

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel = =
Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger Omschrijving

Behoud van de bestaande populaties

Behoud van de bestaande kwaliteit van de leefgebieden, behoud van de connectiviteit tussen de gebieden.

Doel + +
Heikikker, Poelkikker Omschrijving

Het voorkomen van de soort hangt niet enkel af van de oppervlakte van vennen, poelen en plassen maar ook van de heidehabitats en bossen (landhabitat). De oppervlaktedoelstellingen die vermeld zijn onder deze twee laatste habitatclusters zijn in principe toereikend en dekkend voor de populatiedoelstellingen van deze soort.

Het voorkomen van de soort hangt niet enkel af van de kwaliteit van vennen, poelen en plassen maar ook van de heidehabitats en bossen (landhabitat). De oppervlaktedoelstellingen die vermeld zijn onder deze habitatclusters zijn in principe toereikend en dekkend voor de doelstellingen van deze soort.

Boslandschap

Een 250 ha in het gebied bestaat uit bos. In de deelgebieden Kievitsheide, Blak-Blakheide en Hoge Bergen-Ekstergoor gaat het vooral om naaldbos. In de andere deelgebieden overweegt loofhout. Zowel op droge als op natte gronden kunnen zich geleidelijk boshabitats ontwikkelen die behoren tot de Europees te beschermen boshabitats.
Op de natste gedeelten van het gebied treft men vooral “alluviale” bostypes aan. Deze bostypes komen verspreid in het gebied voor, maar meestal wel nabij of op oude ontginningslocaties waar de lagere ligging in het landschap een hogere bodemvochtigheid verklaart. Voor de alluviale boshabitats wordt het behoud van de oppervlakte en de kwaliteit van de bestaande habitatvlekken beoogd.
De zogenaamde oude, zuurminnende eikenbossen hebben de meeste kansen op de drogere gronden. De huidige droge boshabitats zijn nog relatief jong en danken hun ontstaansgeschiedenis indirect aan de kleiontginning. Langs de randen van de ontginningslocaties groeiden spontaan inheemse boomsoorten. De (korte) ontstaansgeschiedenis verklaart ook de relatief beperkte ontwikkeling van flora en fauna en het enigszins versnipperde karakter van deze bossen. De verdere ontwikkeling van deze jonge loofbossen wordt tot doel gesteld (circa 50 ha). Daarnaast wordt een toename met 80 ha naar voor geschoven, met als richtwaarde voor bosuitbreiding 23 ha. De totale doelstelling van 130 ha kwalitatief oud zuurminnend eikenbos wordt beoogd in de deelgebieden Blak-Abtsheide (boscomplex Blakheide) en Hoge Bergen-Ekstergoor.

Habitats - Boslandschap

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
9190 - Oude zuurminnende eikenbossen met Quercus robur op zandvlakten Omschrijving

Actueel 50 ha
Toename
Doelstelling tot 130 ha, met als richtwaarde voor bosuitbreiding 23 ha. Deze toename zal gerealiseerd worden in de grotere aaneengesloten boscomplexen van de Blakheide (deelgebied 2a) en Hoge Bergen-Ekstergoor (deelgebied 2b).

Voor de bestaande bossen met reeds een zekere affiniteit tot dit habitatype (ca. 50 ha) is het doel op middellange termijn (ca. 50 jaar) te komen tot een goede ontwikkelde, oude inheemse bosbestanden met voldoende structuurrijkdom. Voor de bijkomende 80 ha worden binnen genoemde termijn gemengde bestanden beoogd met oude bomen (toekomstbomen), open plekken, geleidelijke bosranden.

Doel = =
91E0 - Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) Omschrijving

Minimaal het behoud van de bestaande oppervlakte (8,21 ha). De doelstelling kan gerealiseerd kunnen worden op domeinen van het ANB en private natuurvereniging.

Minimaal het behoud van de bestaande kwaliteit.

Soorten - Boslandschap

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel = +
Franjestaart, Rosse vleermuis, Ruige dwergvleermuis, Watervleermuis Omschrijving

Minstens het behoud van de totale oppervlakte
aan (zomer)verblijfplaatsen (=bossen) en foerageergebieden (=alle waterplassen, poelen en vennen in het gebied).

Waterplassen die voor vleermuizen bereikbaar zijn vanuit de bosgebieden. Bosgebieden met een goede horizontale en verticale structuur. Gericht beheer van bossen volgens de Criteria voor Duurzaam Bosbeheer (voor privé-boseigendommen gelegen in VEN) en via de beheervisie (voor het Agentschap voor Natuur en Bos) speelt hier in principe voldoende op in. Bijzondere aandacht dient gegeven aan oude bomen , open plekken en geleidelijke bosranden, vooral nabij open waterpartijen.

Doel = =
Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger Omschrijving

Behoud van de bestaande populaties

Behoud van de bestaande kwaliteit van de leefgebieden, behoud van de connectiviteit tussen de gebieden.

2.2 Prioritaire inspanningen

In samenhang met de hoger beschreven doelstellingen is in het S-IHD-besluit door de Vlaamse Regering een aantal prioritaire inspanningen vastgesteld. Dit is een globale omschrijving van de acties die noodzakelijk zijn voor de realisatie van deze doelstellingen. Voor de uitvoering van de prioritaire inspanningen zijn vaak meerdere acties nodig. Hoofdstuk 4 van dit voortgangsdocument (Inspanningsmatrix) geeft de concrete acties weer die uitvoering geven aan deze prioritaire inspanningen.

3 Oppervlaktebalans

Dit hoofdstuk geeft de stand van zaken weer van de realisatie van de taakstelling, met name van de oppervlaktedoelen, op basis van het passend beheer. Het passend beheer is wettelijk gedefinieerd in het Instandhoudingsbesluit van 20 juni 2014. Het is de oppervlakte waarvoor in een natuurbeheerplan of daarmee vergelijkbaar plannen of overeenkomsten, een of meer Europees te beschermen habitattype(s) of een leefgebied van een of meer Europees te beschermen soort(en) als natuurstreefbeeld is vastgesteld. 

De oppervlaktebalans in dit voortgangsdocument is enkel opgemaakt voor de Europees te beschermen habitats, op basis van de inventarisatie van het terreinbeheer door het ANB, verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen (met name Natuurpunt vzw, vzw Durme en Limburgs Landschap vzw). Voor leefgebieden van Europees te beschermen soorten was dergelijke inventarisatie niet mogelijk met de bestaande gegevens, zodat een oppervlaktebalans per Europees te beschermen soort niet opgenomen is. 

Onderstaande tabel geeft per Europees te beschermen habitat:

  • De habitat code: de code van het habitat waarvoor een doel is gesteld (zie §2.1 'Doelen', voor de benaming en beschrijving);
  • Het totaal doel: de tot doel gestelde oppervlakte per habitat;
  • Het passend beheer: de oppervlakte met passend beheer zoals vastgesteld in een goedgekeurd natuurbeheerplan of daarmee vergelijkbare plannen of overeenkomsten;
  • De openstaande taakstelling: de oppervlakte die wordt berekend als het verschil tussen het totaal doel en de oppervlakte met passend beheer.

In de oppervlaktebalans worden alle oppervlakten weergegeven in hectare, tenzij anders aangegeven. De tabel geeft de situatie in februari 2017 weer.

4 Inspanningsmatrix

Dit hoofdstuk formuleert de acties die uitvoering geven aan de prioritaire inspanningen die vastgesteld werden in het S-IHD-besluit. Daarbij wordt op basis van het Vlaams Natura 2000-programma 2016-2020 aangegeven welke acties behoren tot het bindend deel van de taakstelling (zie hoofdstuk 1). De overige acties behoren tot het richtinggevend deel van de taakstelling. 

Elke actie wordt in onderstaande tabel beschreven, met volgende rubrieken:

  • Nr. actie: het nummer van de actie is een samenstelling van het nummer van de prioritaire inspanning en het nummer van de actie zelf. 
  • Omschrijving actie: geeft beknopt aan wat er moet gebeuren, waarom, met welk resultaat en waar.
  • Prioritaire inspanning: de prioritaire inspanning waaraan deze actie invulling geeft. Vanaf prioritaire inspanning 100 worden acties weergegeven die niet onder de prioritaire inspanningen van hoofdstuk 2.2 vallen. Deze acties zijn toegevoegd aan het voortgangsdocument, aanvullend op de prioritaire inspanningen, omdat ze eveneens nodig zijn om tot de gunstige lokale staat van instandhouding te komen van de betreffende habitat(s) of soort(en).
  • Actie voor de verbetering van het natuurlijk milieu: indien in deze kolom een ‘ja’ staat, dan is deze actie ingeschreven voor de verbetering van het natuurlijk milieu als omschreven in hoofdstuk 5. 
  • Deelgebied(en): de deelgebieden waar deze actie uitgevoerd zal worden. Indien in de tabel geen nummer van een deelgebied is opgegeven, is de actie van toepassing op de volledige SBZ. 
  • Habitats/soort(en): de Europees te beschermen habitat(s) en/of soort(en) waarvoor de actie ondernomen wordt. Het gaat om habitats en soorten waarvoor doelen opgenomen zijn in het S-IHD-besluit en om (cursief aangegeven) habitattypische soorten. Habitattypische soorten zijn kenmerkend voor één of soms meerdere habitattypes. Een habitattype kan enkel in een regionaal gunstige staat van instandhouding verkeren als binnen Vlaanderen ook de habitattypische soorten gelinkt aan dit habitattype in een regionaal gunstige staat van instandhouding verkeren. Meer gedetailleerde informatie over habitattypische soorten is beschikbaar in referenties 1, 2 en 3 (zie hoofdstuk 8).
  • Trekker: de organisatie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de actie.
  • Andere betrokkenen: de organisaties of actoren die betrokken zijn bij de actie, als uitvoerder, omwille van mogelijke impact, het leveren van kennis,…
  • Timing: het moment waarop de uitvoering van de actie start. Kan pas ingevuld worden indien de status ‘gepland’ of ‘in uitvoering’ is.
  • Status: hierbij is onderscheid gemaakt tussen:
    • Op te starten: de actie is benoemd maar nog niet opgestart.
    • In onderzoek: het plan of project voor de uitvoering van de actie is in ontwikkeling. Een trekker is aangeduid en gestart met de voorbereiding van het plan of project .
    • Plan in opmaak: de opmaak van het uitvoeringsplan is gestart. 
    • Plan beschikbaar: het uitvoeringsplan is afgerond en door de betrokken partijen goedgekeurd. De uitvoering ervan moet nog opgestart worden. 
    • In uitvoering: de actie wordt momenteel uitgevoerd.
    • Uitgevoerd: de uitvoering van de actie is beëindigd.
    • Stopgezet: de uitvoering van de actie is stopgezet zonder dat ze helemaal is beëindigd; er is geen plan om ze terug op te starten.
  • Bindend: deze lijn verschijnt enkel als de actie deel uitmaakt van het bindend deel van de taakstelling (zie hoofdstuk 1). Hierbij is onderscheid gemaakt tussen:
    • Stand still: actie noodzakelijk voor de stand still of het tegengaan van achteruitgang.
    • 2020: actie noodzakelijk voor het bereiken van een gunstige of verbeterde staat van instandhouding voor 16 habitats tegen 2020.
    • Deelgebied(en): de deelgebied(en) waarvoor de actie bindend is (sommige acties zijn bindend voor een deelgebied maar richtinggevend voor een ander).
    • Habitats/soorten: de habitats en/of soorten waarvoor de actie bindend is (sommige acties zijn bindend voor een habitat en/of soort maar richtinggevend voor andere habitats en/of soorten).

De tabel geeft de situatie weer in augustus 2017.

5 Overzichtkaart

De overzichtskaart biedt informatie voor en een stand van zaken over de realisatie van de doelen voor deze SBZ. De verschillende onderdelen zijn te consulteren via een geoloket.

 

 5.1 Synthesekaart

De synthesekaart biedt een samengesteld, vereenvoudigd overzicht van de actuele Europees te beschermen habitats en de oppervlaktes Europees te beschermen habitats onder passend beheer (zie hoofdstuk 3).

In het geoloket wordt de synthesekaart weergegeven met dit symbool 

5.2 Situering van de actuele Europees te beschermen habitats

De kaarten ‘Actueel habitat’ geven indicatief de ligging van de actuele Europees te beschermen habitats in deze SBZ weer, op basis van referentie 9 (zie hoofdstuk 6). De kaart ‘Actueel habitat overzicht’ geeft een overzicht alle actuele habitats. De kaarten ‘Actueel habitat per cluster’ en ‘Actueel habitat per habitat’ maken de actuele habitats respectievelijk in clusters van verwante habitats en voor elk habitat apart zichtbaar.

In het geoloket wordt de kaart: 

  • actueel habitat overzicht weergegeven met dit symbool   
  • actueel habitat per cluster met dit symbool  
  • actueel habitat per habitat met dit symbool 

5.3    Situering van de gebieden beheerd met het oog op de realisatie van de doelen

De kaarten ‘Passend beheer’ (voor definitie, zie hoofdstuk 3) geven indicatief weer welke oppervlaktes Europees te beschermen habitats onder passend beheer zijn bij het ANB, verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen (zie hoofdstuk 3). De kaart ‘Passend beheer overzicht’ geeft het overzicht van alle oppervlaktes onder passend beheer voor habitats. De kaarten ‘Passend beheer per cluster’ en ‘Passend beheer per habitat’ maken de oppervlaktes onder passend beheer respectievelijk in clusters van verwante habitats en voor elk habitat apart zichtbaar.

De huidige kaart geeft de situatie weer in februari 2017.

In het geoloket wordt de kaart :

  • oppervlakte onder passend beheer overzicht weergegeven met dit symbool 
  • oppervlakte onder passend beheer per cluster weergegeven met dit symbool 
  • oppervlakte onder passend beheer per habitat weergegeven met dit symbool 

5.4 Situering van de vegetaties relevant als leefgebied voor Europees te beschermen soorten

Omdat voor de vegetaties relevant als leefgebied voor Europees te beschermen soorten geen terreininventarisatiegegevens bestaan, werd deze kaart opgemaakt door middel van een ruimtelijk model. Dit model werkt op basis van de ecologische karakteristieken van de soort, aangevuld met actuele verspreidingsgegevens en de verbreidingscapaciteit van de soort. De bekomen afbakening vormt op dit moment de best beschikbare benadering van de actuele leefgebieden van de betreffende soorten. Voor een gedetailleerde beschrijving van de methodiek wordt verwezen naar referenties 4, 5 en 6 (zie hoofdstuk 6).

De opmaak ervan was niet voor alle Europees te beschermen soorten mogelijk omdat

  • een aantal mobiele soorten zeer ruime en weinig gedifferentieerde leefgebieden kent (bv. slechtvalk, kokmeeuw);
  • voor de leefgebiedkarakteristieken van bepaalde soorten geen (gebiedsdekkende) kaartlaag voorhanden is (bv. bittervoorn en kleine modderkruiper);
  • voor een aantal soorten de wetenschappelijke kennis en de beschikbare data ontoereikend zijn (bv. vleermuizen).

In het geoloket worden de leefgebieden weergegeven met de symbolen symbool leefgebieden voor het overzicht,  Synthesekaart Groepen voor de groepen en symbool leefgebieden voor de soorten, en dit enkel voor soorten waarvoor de opmaak van de kaarten mogelijk was en waarvoor doelen zijn ingeschreven in het S-IHD-besluit.

5.5 Situering van de aanwezigheid van habitattypische soorten

Onderstaand overzicht geeft indicatief weer welke habitattypische soorten actueel voorkomen per deelgebied op basis van referenties 7 en 8 (zie hoofdstuk 6). Habitattypische soorten zijn soorten die kenmerkend zijn voor één of soms meerdere habitattypes. Voor het bereiken van de regionaal gunstige staat van instandhouding van het habitat, moeten de populaties van de habitattypische soorten, verbonden aan dat habitat, ook in een regionaal gunstige staat van instandhouding worden gebracht of gehouden. Meer gedetailleerde informatie over habitattypische soorten is beschikbaar in referenties 1, 2 en 3 (zie hoofdstuk 6).

 

6 Referenties

1.:  Geert De Knijf, Desiré Paelinckx (2012). Typische faunasoorten van de verschillende Natura 2000 habitattypes, in functie van de beoordeling van de staat van instandhouding op niveau Vlaanderen (ref. INBO.A.2013.139)

2.: Adriaens, Dries; Adriaens, Tim; Ameeuw, Griet (2008). Ontwikkeling van criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de habitattypische soorten (ref. INBO.R.2008.35)

3: Adriaens, P. & Ameeuw, G. (red) (2008). Ontwikkeling van criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de vogelrichtlijnsoorten.  D/2008/3241/287 (ref.INBO.R.2008.36)

4.: Maes et al. (2015). Afbakenen van potentiële leefgebiedenkaarten voor Europese en Vlaamse prioritaire soorten in het kader van de voortoets. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2015. (versie 2.0). (ref. INBO.R.2015.10201559). 

5: : Maes D., Anselin A., De Knijf G., Denys L., Devos K., Gouwy J., Leyssen A., Packet J., Pauwels I., Pollet M., Speybroeck J., Stienen E., Thomaes A., T’jollyn F., Van Den Berge K., Van Landuyt W., Van Thuyne G., Vermeersch G. & Verhaeghe F. (2017). Afbakenen van actueel relevant potentieel leefgebied voor een selectie van Europees prioritaire soorten. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2017 (30) (ref. INBO.R.12602606 . Brussel: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

6.: Dirk Maes, Koen Devos, Anny Anselin, Eric Stienen, David Buysse, Ine Pauwels & Thierry Onkelinx (2016). Advies over de leefgebiedenkaarten van Natura 2000-soorten (ref. INBO.A.3415)

7.: De Knijf, Geert; Vermeersch, Glenn (datum). Advies over de actuele verspreiding van de habitattypische soorten per SBZ-H deelgebied - deel fauna (ref. INBO.A.3233)

8.: Van Landuyt, Wouter; De Knijf, Geert (2014). Advies over de verspreiding van de habitattypische soorten per SBZ-H deelgebied - deel flora (ref. INBO.A.3192)

9. De Saeger, S., Guelinckx, R., Oosterlynck, P., De Bruyn, A., Debusschere, K., Dhaluin, P., ... Paelinckx, D. (2020). Biologische Waarderingskaart en Natura 2000 Habitatkaart, uitgave 2020. (Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek; Nr. 35). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. https://doi.org/10.21436/inbor.18840851