landschap met schapen © Veronique De Smedt

Maasvallei

BE2200037 - Uiterwaarden langs de Limburgse Maas en Vijverbroek

1 Inleiding

Het Natura 2000-netwerk is een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Deze zijn aangewezen op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen om Europees beschermde habitattypes en soorten de kans te geven duurzaam te overleven en zo de Europese biodiversiteit te bewaren. In Vlaanderen zijn 62 Natura 2000-gebieden aangeduid, ook speciale beschermingszones (hierna: SBZ) genoemd. Deze gebieden zijn essentieel voor het bereiken van de gunstige staat van instandhouding van Europees te beschermen habitats en soorten. Voor Vlaanderen gaat het om 47 habitattypes, 49 dier- en plantensoorten en 58 vogelsoorten. 

Alle lidstaten van de Europese Unie zijn verplicht om de nodige maatregelen te nemen om een ‘gunstige staat van instandhouding’ te realiseren voor Europees te beschermen habitats en soorten. Om deze maatregelen in te vullen heeft de Vlaamse Regering instandhoudingsdoelstellingen (hierna: doelen) op Vlaams niveau en per SBZ bepaald. Op Vlaams niveau zijn dit de zogenaamde gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen (hierna: G-IHD) en per SBZ zijn dit de zogenaamde specifieke instandhoudingsdoelstellingen (hierna: S-IHD). Deze S-IHD zijn, na een intensief overlegproces tussen 2010 en 2013, vastgesteld in aanwijzingsbesluiten (de S-IHD-besluiten) door de Vlaamse Regering op 23 april 2014. 

De realisatie van de doelen wordt gefaseerd en programmatisch aangepakt. Vlaanderen moet elke zes jaar aan Europa rapporteren, daarom is ook voor de realisatie gekozen voor cycli van maximaal zes jaar. Per cyclus of planperiode wordt een Vlaams Natura 2000-programma opgemaakt met een Vlaamse taakstelling en acties voor de komende periode. Het programma omschrijft ook welke organisaties betrokken zijn en geeft een raming van de uitgaven voor de uitvoering van het programma.  

Focus Vlaams Natura 2000 programma 2016–2020

Omdat Vlaanderen in 2020 aan Europa moet rapporteren, loopt de eerste cyclus van het Vlaams Natura 2000-programma van 2016 tot 2020. Op het moment van publicatie van dit voortgangsdocument bestaat er nog geen nieuw Vlaams Natura 2000-programma voor de volgende planperiode (2021-2026), zodat het bestaande programma volgens de regelgeving geldig blijft.  

Voor deze eerste cyclus is vertrokken van de Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 en van het Pact 2020. In het Vlaams Natura 2000-programma zijn een bindende en een richtinggevende taakstelling geformuleerd als een gefaseerd kader voor de realisatie van de doelen.

Het bindend deel van de taakstelling in het Vlaams Natura 2000-programma omvat:

  • het stoppen of vermijden van de verdere achteruitgang van Europees te beschermen habitattypes of soorten (stand still);
  • dat 16 van de 47 Europees te beschermen habitattypes in een gunstige staat verkeren of zijn verbeterd ten opzichte van 2007 (zie bijlage 5 van het Vlaams Natura 2000-programma).

Het bindend deel van de taakstelling moet tegen 2020 worden gerealiseerd.

Het richtinggevende deel van deze taakstelling omvat:

  • dat tegen 2020 voor alle Europees te beschermen habitattypes en soorten samen 70% van de inspanningen operationeel zijn, zodat alle habitats en soorten in een gunstige staat van instandhouding kunnen worden gebracht tegen 2050. Voor soorten die extra oppervlakte leefgebied nodig hebben, moet een derde van de extra oppervlakte gerealiseerd zijn door inrichting en beheer.

De maatregelen nodig om het richtinggevende deel van de taakstelling te realiseren, kunnen al in deze planperiode opgestart worden of, indien al in planning of uitvoering, verder lopen. Deze maatregelen moeten niet noodzakelijk afgerond zijn tijdens de looptijd. In de inspanningsmatrix (hoofdstuk 4 van het voortgangsdocument) is voor elke actie aangegeven of deze behoort tot het bindend of het richtinggevend deel van taakstelling van het Vlaams Natura 2000-programma.

Doelstelling van het voortgangsdocument

Het voortgangsdocument wordt opgemaakt met het oog op:

  • het gradueel realiseren van de S-IHD;
  • het vermijden of stoppen van de verslechtering van de Europees te beschermen habitats en de leefgebieden van Europees te beschermen soorten;
  • het vermijden of het stoppen van de betekenisvolle verstoring van de Europees te beschermen soorten.

Het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna: het ANB) maakt het voortgangsdocument op en beheert het. Dit voortgangsdocument beschrijft de inspanningen die volgens de inventaris hiervan in 2017 geleverd worden door de organisaties voor wie het beheren en ontwikkelen van natuur een maatschappelijke opdracht is. Dit zijn het ANB, de verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen. Tevens biedt het een overzicht van de openstaande taakstelling en van de acties die, volgens de huidige plannen en inzichten, nodig zijn voor de realisatie ervan. Zo vormt het voortgangsdocument het vertrekpunt en de inspiratiebron voor het bereiken van de doelen voor iedereen die daaraan kan bijdragen.

Situering van het SBZ

2 Taakstelling

Voor elke SBZ werden door de Vlaamse Regering de specifieke doelen voor Europees te beschermen habitats en soorten en de prioritaire inspanningen vastgesteld in een S-IHD-besluit. Deze doelen worden in dit voortgangsdocument weergegeven in hoofdstuk 2.1. Deze zijn daarbij geclusterd in landschapstypes. Per Europees te beschermen soort en habitat zijn het gebiedsgericht kwantiteitsdoel (populaties of oppervlakten) en kwaliteitsdoel beschreven. Hoofdstuk 2.2 geeft prioritaire inspanningen weer, die in het S-IHD-besluit vastgesteld zijn voor het realiseren van de doelen. 

2.1 Doelen

Legende bij de oppervlakte-, populatie- en kwaliteitsdoelen

Symbool

Omschrijving

+

Het doel is een stijging van de oppervlakte of populatiegrootte / een verbetering van de kwaliteit.

=

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit.

=/+

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit met lokale uitbreidingsmogelijkheid.

=/-

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit met lokale inkrimpingsmogelijkheid.

In onderstaande tabel met de doelen voor het SBZ worden doelstellingen voor enerzijds het gedeelte dat habitatrichtlijngebied is en anderzijds het gedeelte dat 'zuiver vogelrichtlijngebied' (lees: enkel vogelrichtlijngebied en geen habitatrichtlijngebied) is, niet onderscheiden, maar geïntegreerd. Aan de drie criteria die tegelijk vervuld dienen te zijn om deze doelen voor beide ruimtelijk afgebakende gebieden van elkaar te onderscheiden, werd immers niet voldaan. De drie criteria zijn: 

  • het zuiver vogelrichtlijngebied handelt over een relevante oppervlakte; 

  • het betreft in dit gebied relevante doelstellingen doelen en; 

  • de doelen die in het gedeelte dat zuiver vogelrichtlijngebied is, gerealiseerd dienen te worden, zijn (reeds in dit stadium) bekend.] 

De SBZ is op Vlaams essentieel tot zeer belangrijk voor een reeks van soorten en habitattypes waaronder:

  • Laaglandrivieren met slikoevers: habitattypen 3260 waterlopen, 3270 slikoevers, , bittervoorn, rivierrombout, rivierdonderpad, bever, otter,
  • Plassen en oude maasmeanders: habitattypen 3150 eutrofe plas, 3270 slikoevers, bittervoorn, kleine modderkruiper, kamsalamander, boomkikker, poelkikker, visdief, bever, otter.
  • Hooilanden en ruigten: habitattypen 6210 kalkminnend grasland op dorre zandbodem, 6430 ruigten, 6510 schraal hooiland, Kwartelkoning
  • Loofbossen: habitattypen 91E0 wilgenvloedbossen; mesotrofe elzenbroekbossen met bijzonder waardevolle drijftilvegetaties in het Vijverbroek (habitat 7140), 91F0 hardhoutooibossen, bever

De Maas wordt gekenmerkt door de hoge dynamiek van een regengevoede rivier. Dit kan leiden tot natuurlijke overstromingen die voldoende kracht hebben om grind en zand te verplaatsen en ergens anders in de vallei af te zetten. Afhankelijk van de hoogte en de afstand tot de rivier leidt dit tot een variatie aan de frequentie waarin bepaalde zones overstromen en bijgevolg afzettingen gebeuren. Het is juist deze variatie die zorgt voor de specifieke biodiversiteit en de instandhouding van de verschillende Europese habitattypes en soorten. Door menselijke ingrepen in het verleden (aanleg zomerdijken, opstuwingen, …) is deze dynamiek ingeperkt wat leidt tot meer afzetting van fijne fracties (leem) en sedimenttekort van grovere zand- en grindfracties, dit laatste vooral door de stuw van Borgharen. Daarenboven leidden intensivering van landbouw en ontgrindingen tot een sterke achteruitgang van de typische Maasvalleigraslanden. Hierdoor zijn de oppervlakten van habitattypes en de leefgebieden van de soorten erg klein geworden. Voor de waterloop zelf vormen migratiebarrières en onvoldoende waterkwaliteit belangrijke herstelopgaven. 

Binnen de vallei wordt de natuurlijke dynamiek maximaal hersteld. Binnen het winterbed moet de Maas, minstens in bepaalde delen opnieuw vrij kunnen meanderen, waarbij een dynamisch systeem met grind- en zandbanken ontstaat. Hierbij is ook een oplossing nodig voor het actuele sedimenttekort van grof zand en grind. Uitbreiding van de actueel sterk versnipperde oppervlakte graslanden binnen SBZ is noodzakelijk voor een duurzame instandhouding van de kenmerkende habitats en herstel van duurzame populaties van kwartelkoning, grauwe klauwier en boomkikker. Om een voldoende aandeel open valleivegetaties te behouden , is een aangepast maai- of begrazingsbeheer noodzakelijk. Hierdoor verhoogt ook het waterbergend vermogen van de vallei bij piekdebieten, waardoor het risico op overstromingen buiten het winterbed vermindert. Ook voor de actueel sterk versnipperde loofbossen is een uitbreiding van de oppervlakte binnen SBZ noodzakelijk. Hierbij wordt vooral ingezet op uitbreiding van de unieke hardhoutooibossen en wilgenvloedbossen.

Verbetering van de waterkwaliteit moet zorgen voor jaarrond gunstige condities voor stroomminnende aquatische fauna en flora. Opheffen van migratiebarrières moet de vrije migratie toelaten van soorten als zalm, zeeprik en rivierprik. Daarnaast moeten ook natuurlijke beekmondingen hersteld worden zodat de visfauna terug kan migreren naar de zijbeken van de Maas. Ook voor habitats en soorten van de valleibiotopen is herstel van migratiemogelijkheden tussen de verschillende deelgebieden noodzakelijk.

Rivierlandschap

In het winterbed van de rivier zijn verschillende hydrologische zones te onderscheiden van lage naar hoge weerd tot hoogwatervrije zones. Omwille van de morfodynamiek in het winterbed komen er verschillende habitattypen tot ontwikkeling afhankelijk van de plaats, de tijd en het gevoerde beheer.

Het habitattype 6120 kalkminnend grasland op droge zandbodem is een pioniersvegetatie gekoppeld aan de dynamische milieus waar zand en grindafzettingen plaatsvinden. Het voorkomen van het habitattype is sterk gebonden aan de rivierdynamiek en de afzettingen ter plaatse . Het is bij uitstek een habitattype van het ongestuwde deel van de rivier (ten zuiden van Maaseik); gezien de dynamiek van het habitattype kunnen een aantal locaties van het voorkomen van het habitattype niet weergegeven worden. Deze variëren deels in tijd en ruimte (afhankelijk van waar en wanneer piekdebieten door de rivier komen en materiaal afzetten). Vaak komt dit habitattype voor in complex met een ander graslandtype, met name 6510, laaggelegen schrale hooilanden.

Landschappelijk kan het rivierbed in verschillende deelgebieden ingedeeld worden. Enerzijds zijn er de oude grindwinningsgebieden of nieuwe natuurontwikkelingslocaties, Hochter Bampd, Negenoord-Kerkeweerd, Bichterweerd, Maaswinkel, Maasbeemdergreend, Kollegreend. Deelgebieden 13, 12, deels 8 zijn rivierkundig heringericht zijn door nv De Scheepvaart ten behoeve van rivierveiligheid en natuurontwikkeling. In deze natuurontwikkelingsgebieden komen verschillende habitattypen in complex voor, mede dankzij de rivierdynamiek. Het betreft de wilgenvloedbossen, hardhoutooibossen, de voedselrijke zoomvormende ruigten, de laaggelegen schrale hooilanden en het kalkminnend grasland op dorre zandbodems. Aan de randen van oude grindplassen komen elementen van het habitattype 3270 voor. Afhankelijk van de rivierdynamiek en de beheerintensiteit kunnen de oppervlakten van de habitattypen binnen deze zones verschuiven en variëren.

De potenties voor bosontwikkeling van het type wilgenvloedbos en hardhoutooibos zijn hoog. Grotendeels liggen deze potenties echter buiten de SBZ. Voor de bossen is er in totaal zo’n toename voorzien van 80 ha voor het subtype zachthoutooibossen van 91E0 en hardhoutooibossen 91F0 die typisch zijn voor de Maas en tevens als leefgebied kan fungeren voor bever. Voor het eiken-haagbeukenbos is ondanks de kleine actuele oppervlakte geen uitbreiding in de doelstelling opgenomen, mede gezien de ligging van dit habitattype in een open landschap met schrale graslanden (6510). Het mesotrofe broekbos in het Vijverbroek kan nog toenemen met 40 ha door omvorming. Hier sluit de kwaliteitsverbetering van 3 ha trilveen (7140) en de noodzakelijke kleine uitbreiding door afgraven van opgehoogde deel van dit trilveen.

Voor de oevergebonden habitats als 3270 langs oevers van plassen wordt ook uitbreiding voorzien van in totaal 5 ha door omvorming. Deze plassen en oude Maasmeanders behoren tot het habitattype van de eutrofe meren; een beperkte oppervlakte uitbreiding van 1 ha 3150 is opgenomen In de meer dynamische milieus komt op verschillende plaatsen in de deelgebieden het habitattype 6120 (kalkminnend grasland op dorre zandbodem) tot ontwikkeling. Het habitattype is gebonden aan de rivierdynamiek en het exacte voorkomen ervan is moeilijk te voorspellen. Een toename van 35 ha door omvorming, mede dankzij de uitgevoerde rivieringrepen is te verwachten.

Binnen de SBZ zijn enkele kleine fragmenten van het habitat 3260 aanwezig in de zijbeken ( Zanderbeek, Itterbeek). Daarnaast wordt de Maasvallei gekenmerkt door een open landschap, traditioneel in hooiland of graslandbeheer (Heppeneert, Elerweerd, deelgebieden 3 en 4). Veel bloemrijke graslanden zijn in de vallei echter omgezet naar akker en laagstamboomgaarden. De doelen worden hier grotendeels bepaald door de oppervlakte behoevende soorten zoals kwartelkoning. Hiervoor zijn in totaal 97 ha extra soortenrijke bloemrijke graslanden nodig, waarvan 44 ha van het habitattype 6510 9 ha 6430 en 44 ha RBB en dit door effectieve uitbreiding. Voor kwartelkoning worden deze graslanden best ontwikkeld in grote samenhangende oppervlakten, zoals in Heppeneert, Elerweerd en Bichterweerd (deelgebieden 3,4 en 12). Een toename tot 8 broedparen wordt vooropgesteld, waarbij het behoud van 1 broedpaar in deelgebied 11.

In het deelgebied 8 en 9 (Maaswinkel en Leut) worden eveneens de potenties voor 6510 ontwikkeld, aansluitend bij de reeds goed ontwikkelde graslanden (DG 8 : 21 ha + DG 9 34 ha toename). Naast 5 ha verbetering van het leefgebied voor boomkikker, profiteren hier ook kamsalamander en poelkikker van. Voor de kleine modderkruiper is behoud vooropgesteld in de actuele lokaties (deelgebieden 7, 8 en 11).

Grauwe klauwier komt actueel voor met 0-1 broedpaar in de Maasvallei. Doordat de soort mee profiteert van de maatregelen voor oppervlaktetoename en kwaliteitsverbetering van 6510,6120, 6430 en de doelen voor boomkikker is een toename tot 3-4 broedparen te verwachten. Gezien de zeer beperkte populatie worden alle gebieden waar de soort recent voorkomt als essentieel beschouwd (G-IHD). De gebieden Leut, Maaswinkel en Kerkeweerd zijn de meest potentiële gebieden voor de grauwe klauwier en liggen allen binnen SBZ. Geschikt leefgebied voor een koppel bestaat uit complex van min 5 - 10 ha geschikt leefgebied met onder meer glanshaverhooilanden (6510-hu), 6430, bloemrijke hooilanden, extensief begraasde vegetaties en/of verruigde kruiden- en insectenrijke percelen. Het leefgebied van grauwe klauwier heeft een ruim en gevarieerd aanbod aan grotere insecten, bloemrijke percelen, voldoende rustige uitkijkposten en broedgelegenheid (doornig struweel van braam, meidoorn of sleedoorn).

Visdief is een soort die actueel met 4-6 broedparen in de deelgebieden 12,11 en 8. De maatregelen voor 3260, 3270 en 3150 dragen bij tot behoud van het leefgebied van de soort. Wegens het behoud van het areaal (G-IHD) van deze soort in Vlaanderen vervult de populatie langs de Maas een belangrijke functie. Deze sluit aan bij de broedparen aan de Nederlandse zijde (sterneneiland in Stevensweert).

Binnen het rivierlandschap van de Maas zijn er soorten, die voor hun habitat gebonden zijn aan zowel de rivier (buiten SBZ) als het winterbed (Binnen SBZ). Het zijn de soorten bever, otter, bittervoorn, rivierrombout en rivierdonderpad.

  • Voor bever is minimaal behoud van het huidig aantal exemplaren opgenomen. De bever profiteert mee van de uitbreiding van de bosoppervlakte in het winterbed.
  • Voor de soort otter, die momenteel waarschijnlijk niet meer voorkomt, is de Maas een verbindingsgebied tussen de Waalse en Nederlandse kernpopulaties met het oog op areaaluitbreiding, via verbetering van de kwaliteit van het leefgebied.
  • Voor bittervoorn is behoud van de actuele populaties opgenomen.
  • Voor rivierrombout is het einddoel de ontwikkeling van een metapopulatie verspreid over de deelgebieden 3, 4, 8, 9, 12 en 13. Actueel worden er regelmatig verschillende imago’s vastgesteld.
  • Voor de rivierdonderpad is een verbetering leefgebied tot doel gesteld.

 

Voor de riviergebonden habitattypen en soorten wordt over de volledige loop van de Grensmaas een lokaal goede staat van instandhouding nagestreefd. Dit impliceert herstel van een dynamisch riviersysteem met:

  • natuurlijke stromings- en waterpeildynamiek
  • natuurlijke erosie-sedimentatiedynamiek
  • natuurlijk afvoerregime
  • voldoende brede bedding met sedimentaanbod en gevarieerde substraatsamenstelling
  • voldoen aan de richtwaarden voor oppervlaktewaterkwaliteit ‘zeer grote rivier (7°)’ conform Besluit van de Vlaamse regering dd. 21 mei 2010 voor wat betreft de milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewateren, waterbodems en grondwater: grenswaarde zeer goede en goede ecologische toestand
  • grens voor opgeloste zuurstof tussen goed en zeer goed van de milieukwaliteitsnorm voor oppervlaktewater in functie van de vissoorten

Habitats - Rivierlandschap

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
3150 - Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition Omschrijving

Actueel: 1 ha in deelgebied 11
Toename + 1 ha door omvorming, in de deelgebieden 11, 6, 7, 8
Einddoel: 2 ha

Goed ontwikkelde waterplassen met:

  • helder water (afname van de concentratie ‘zwevende stof’);
  • helder, matig nutriëntenrijk (niet hypertroof) water met een matige stikstof- en fosforconcentratie en een min of meer neutrale tot matig alkalische pH;
  • er dient minstens één sleutelsoort abundant aanwezig te zijn;
  • fytoplankton: doorbreken van cyanobacteriënbloei;
  • macrofyten: uitbreiding van de submerse vegetatie en het terugdringen van exotendominantie.

Doel + +
3260 - Submontane en laagland rivieren met vegetaties behorend tot het Ranunculion fluitans en het Callitricho-Batrachion Omschrijving

Actueel: voorkomen van individuele habitatvlekken in de beekmondingen van de Zanderbeek, Itterbeek + toename door omvorming en herstel van het habitat door verbetering van de habitatkwaliteit.

Herstel van het dynamisch riviersysteem (zie inleiding Landschap: Rivierlandschap)

  • Minstens 1 sleutelsoort frequent aanwezig
  • Helder water en beperkte beschaduwing
  • Hooguit matig eutroof water met een lage stikstof- en fosforconcentratie ,lage concentratie bestrijdingsmiddelen en lage sedimentvracht. Natuurlijke beekstructuur (meandering, afwisseling sedimentfracties, …).

Doel + +
3270 - Rivieren met slikoevers met vegetaties behorend tot het Chenopodietum rubri p.p. en Bidention p.p. Omschrijving

Actueel: 14 ha aanwezig binnen SBZ in de deelgebieden 3,4,6, 7, 8, 10, 11, 12 en 13.
Toename + 5 ha door omvorming in de deelgebieden 11,3, 4, 12, 8 en 13
Einddoel: 19 ha

  • sterk schommelende waterpeilen in de plassen voor behoud van voldoende dynamiek
  • minder dan 30% breukstenen
  • minstens 4 sleutelsoorten aanwezig
  • onverstoorde sedimentafzetting
  • goede waterkwaliteit

Doel + +
6120 - Kalkminnend grasland op dorre zandbodem Omschrijving

Actueel: 61 ha aanwezig in de deelgebieden 2, 3, 4, 6, 8, 9, 13
Toename + 35 ha door omvorming in de deelgebieden 3, 4, 8, 9, 12 en 13.
Einddoel: 96 ha

Goed ontwikkelde vegetaties gekenmerkt door:

  • voldoende rivierdynamiek
  • voldoende aanbod aan standplaatsen van hoge grind- en zandafzettingen
  • frequente generatie of terugzetting van het habitat
  • voldoende openheid en structuurvariatie in de vegetatie
  • samenhangende oppervlakten habitat binnen het stroombed van de Grensmaas
  • buffering tegen aanrijking: eutrofiëring dient zoveel mogelijk beperkt te worden
  • minstens 4-7 sleutelsoorten aanwezig
  • minder dan 30% vergrassing, 10% ruderalisering, 5% verbossing/verstruweling en 10% verbraming
  • instellen van een voldoende graasdruk en/of natuurlijke overstromingen.
  • voldoende beheer is nodig om vergrassing, vervilting, verstruweling tegen te houden.

Doel + +
6430 Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones Subtype 6430_nr natte ruigten Subtype6430_hw verbond van harig wilgenroosje Subtype 6430_bz nitrofiele boszomen met minder algemene plantensoorten Omschrijving

Actueel: 28 ha aanwezig in de deelgebieden 1, 6, 8 en 11
Toename + 9 ha voor leefgebied kwartelkoning in de deelgebieden 3, 4 en 12
Einddoel: 37 ha

Goed ontwikkelde vegetaties gekenmerkt door:

  • goede waterkwaliteit in dynamisch riviersysteem
  • periodieke overstromingen in ongestuwd deel;
  • natuurlijke erosie- en sedimentatieprocessen
  • beperken invloed van eutrofiëring
  • weren van invasieve exoten zoals Japanse duizendknoop, reuzenbalsemien)

Doel = +
6510 - Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis), Subtype_huk kalkrijk kamgrasland, Subtype _hus glanshaverhooilanden Omschrijving

Actueel: 64 ha in deelgebieden 1, 2, 3, 4, 6, 7, 8, 9, 12, 13.
Doel : toename van 63 ha in de deelgebieden 1, 8 en 9, 12, 4 en 3, met richtwaarde voor uitbreiding 33 ha. Hiervan is 1 ha in functie van leefgebied Boomkikker in deelgebied 9. Hiervan is 44 ha in functie van leefgebied kwartelkoning in deelgebieden 12, 4 en 3.
Einddoel: 127 ha

Goed ontwikkelde schrale vegetaties, gekenmerkt door grote samenhangende oppervlakten:

  • graslanden die niet aangerijkt worden, niet behandeld worden met herbiciden, en gebufferd zijn tegen externe invloeden.
  • hoge grassen, middelhoge en lage grassen zijn gelijkmatig aanwezig met een frequentie en bedekking van sleutelsoorten >70% door te maaien
  • lemige tot zandlemige bodem
  • occasionele overstromingen
  • minstens 7 sleutelsoorten aanwezig
  • minder dan 10% verruiging
  • oude gerijpte permanente graslanden zijn van belang

Doel = +
7140 - Overgangs- en trilveen Subtype 7140_meso mineraalarm circum-neutraal overgangsveen Omschrijving

Actueel: 3 ha in deelgebied 1 (Vijverbroek)
Minimaal behoud, maar kwaliteitsverbetering
Einddoel: minimaal 3 ha

Goed ontwikkelde laagveenvegetaties met:

  • natuurlijke waterhuishouding met grondwaterstanden schommelend rond het maaiveld
  • 50% drijflaag en > 10% open water
  • minder dan 30% boom-of struikopslag in het habitat
  • buffering tegen externe invloeden

Doel + +
9160 - Sub-Atlantische en Midden-Europese wintereikenbossen of eiken-haagbeukbossen behorend tot het Carpinion-betuli Omschrijving

Actueel: 1 ha in deelgebied 8
Behoud van de actuele oppervlakte
Einddoel: 1 ha

Zorgen voor goede structuur met verschillende groeiklassen, voldoende dood hout en voorzien van mantel- zoomvegetaties. De bossen zijn gebufferd tegen externe invloeden zodat de bedekking en het aantal sleutelsoorten kunnen toenemen.

Doel + +
91E0 - Alluviale bossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) subtype 91E0_meso - mesotrofe elzenbroekbossen, subtype 91E0_eutr – ruigte-elzenbossen Omschrijving

Actueel: 22 ha in deelgebied 1
Einddoel: 62 ha met als richtwaarde voor bosuitbreiding 31 ha

De ecologische bosfunctie primeert en alle beheeringrepen zijn gericht op de ontwikkeling en substantiële verbetering van dit habitattype:

  • gevarieerde bosstructuur met veel open plekken, voldoende dood hout en sleutelsoorten
  • herstel van een voor dit habitattype gunstige waterhuishouding (kwantitatief en kwalitatief)
  • ontwikkeling van structuurrijke bosranden
  • buffering tegen externe invloeden
  • tegengaan verruiging en interne eutrofiëring door creëren gunstige hydrologie
  • herstel kwelzones

Doel + +
91E0 - Alluviale bossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) subtype 91E0_wvb wilgenvloedbos Omschrijving

Actueel: 33 ha in deelgebied en 7, 8, 9, 11, 12, 13
Toename + 5 ha door omvorming in deelgebieden 13, 12, 11, 9, 8, 7, 3
Einddoel: 38 ha

De ecologische bosfunctie primeert en alle beheeringrepen zijn gericht op de ontwikkeling en substantiële verbetering van dit habitattype:

  • herstel dynamisch riviersysteem (zie hoger)
  • gevarieerde bosstructuur met veel open plekken, voldoende dood hout en sleutelsoorten
  • ontwikkeling van structuurrijke bosranden
  • streefdoel is 6 ha/km

Doel + +
91F0 - Gemengde oeverformaties met Quercus robur, Ulmus laevis en Ulmus minor, Fraxinus Omschrijving

Actueel: 8 ha in deelgebied 8, 13
Toename: er wordt 50 ha toename voorzien met als richtwaarde voor bosuitbreiding van 31 ha verspreid over de verschillende deelgebieden 8,9 en 13. Waarbij er gestreefd wordt naar een 3-4 tal kernen van 15 ha.
Einddoel: 58 ha

Het bostype kan ontwikkelen door successie vanuit de wilgenvloedbossen (91E0) op de minder dynamische standplaatsen van het winterbed.

De ecologische bosfunctie primeert en alle beheeringrepen zijn gericht op de ontwikkeling en substantiële verbetering van dit habitattype:

  • herstel dynamisch riviersysteem (zie inleiding Landschap: Rivierlandschap)
  • ongestoorde leemhoudende bodems
  • gevarieerde bosstructuur met veel open plekken, voldoende dood hout en sleutelsoorten
  • vermijden van verstoring strooisellaag
  • ontwikkeling van structuurrijke bosranden

Soorten - Rivierlandschap

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel = +
Bittervoorn Omschrijving

Actueel: voorkomend in deelgebieden 11, 3, 6, 13
Geen extra oppervlakte leefgebied nodig maar wel verbetering van de kwaliteit van het leefgebied: goede waterkwaliteit met uitgestrekte zoetwatermosselvelden
Einddoel: Minimaal behoud van de bestaande populaties.

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied in een natuurlijk en dynamisch riviersysteem, oude rivierarmen en Maasplassen. Geen bijkomende kwaliteitsvereisten dan deze die eerder reeds werden gesteld voor habitattypes 3150, 3260 en 3270

Doel + +
Boomkikker Omschrijving

Actueel: voorkomend in deelgebied 9
+ 5 ha extra leefgebied, bestaande uit 1 ha 6510 (deelgebied 8)en 4 ha struweel en poelen, aansluitend bij actueel leefgebied (deelgebied 9)
Einddoel: creëren van een twee duurzame populaties in Maaswinkel (deelgebied 9) en Leut (deelgebied 8) met elk 200 roepende mannetjes en talrijke eiklompen verspreid over minstens 3-5 voortplantingspoelen.
Er kunnen wel fluctuaties in de populatie ontstaan door het dynamische milieu van de Maas (vb. overstromingen) waarin ze leven.

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied, bestaande uit

  • Qua waterbiotoop (voortplantingsbiotoop)
    • Het creëren van visvrije waterpartijen. Minimum 5 kleine (<100m²) of 2 grote plassen (>100m²) per populatie.
    • Het streven naar waterpartijen met voldoende oppervlakte open water en gevarieerde ondergedoken en drijvende watervegetaties.
  • Qua landbiotoop: behoud en versterken van kleinschalig landschap met
    • ruigtevegetaties (rbbhf), bloemrijke graslanden (rbbhu), struwelen (rbbsp), bosranden en braamstruwelen
    • aansluiting van landbiotoop bij voortplantingsbiotopen.
  • Qua corridors
    • Creatie of optimalisatie van functionele corridors via hagen, houtkanten, bloemrijke graslanden, poelen tussen Maaswinkel en Leut

De uitbreiding van leefgebied voor boomkikker is tevens positief voor de grauwe klauwier in Maaswinkel.

Doel = +
Europese bever Omschrijving

Actueel: aanwezig in deelgebieden 13, 8, 12, 11
Einddoel: Minimaal behoud van het huidig aantal exemplaren in de Maasvallei
De soort profiteert mee van uitbreiding van habitattype 91E0 en 91F0.

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied in een natuurlijk en dynamisch riviersysteem, bestaande uit

  • natuurlijke rivieroevers met hierlangs voldoende bomen en bossen
  • geen migratieknelpunten;
  • rustgebieden rond beverburchten
  • gebruik van bevervriendelijke rattenvallen.
  • enkel ruimen van omgevallen bomen indien noodzakelijk voor de veiligheid.

Doel + +
Kamsalamander Omschrijving

Actueel: aanwezig in deelgebied 9
Einddoel: creëren van twee duurzame populaties in Maaswinkel (Deelgebied 9) en Leut (Deelgebied 8) van elk >50 adulte dieren en >50 larven of eieren verdeeld over minstens 3-5 voortplantingspoelen die in verbinding staan met elkaar.

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied, bestaande uit

  • waterbiotoop met natuurlijke visstand en goede waterkwaliteit in de plassen
  • behoud en versterken van kleinschalig landschap met ruigtevegetaties (rbbhf), bloemrijke graslanden (rbbhu), struwelen (rbbsp), houtwallen, bosranden en braamstruwelen
  • aansluiting van landbiotoop bij voortplantingsbiotopen.

Doel = +
Kleine modderkruiper Omschrijving

Actueel: voorkomend in deelgebied 7, 8 en 11.
Einddoel: Minimaal behoud van de bestaande populaties: gemiddeld over heel de plassen 1,80 individuen / 100 m met een maximum van 66.67 individuen / 100 m bij de ondiepe verbindingszones (De Vocht, A. 2006, Lock e.a. 2008).

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied bestaande uit:

  • paaihabitat, bestaande uit ondiepe traag stromende tot stilstaande, heldere en zuurstofrijke wateren met zandig substraat
  • opgroeihabitat bestaande uit heldere en zuurstofrijke wateren met dikke sliblaag
  • geen migratieknelpunten
  • geen zware organische belasting met aanhoudende zuurstoftekorten
  • aanwezigheid van dood hout/grote stenen/submerse vegetatie, waarin de soort vrij kan migreren.

bijkomende kwaliteitseisen ten opzichte van het habitattype 3260 inzake zuurstofgehalte

Doel + +
Kwartelkoning Omschrijving

Actueel 1 bp (in deelgebied 11)
Toename met 7 bp in deelgebieden 12, 3 en 4
Einddoel: 8 bp.
Dit veronderstelt in deelgebieden 3, 4 , 12 en 11 een leefgebied van 130 ha. Dit houdt een uitbreiding in van 9 ha 6430 en van 88 ha soortenrijke bloemrijke graslanden, waarvan 44 ha 6510 en 44 ha RBB bovenop de reeds actuele oppervlakten (41 ha).

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied, bestaande uit

  • grote, open gebieden met ononderbroken zicht over meer dan 200 m;
  • overwegend vochtige, extensief beheerde onbemeste bloemrijke graslanden, met relatief hoog gras en deels droge bodem;
  • grote delen van grasland niet drassig of geïnundeerd na mei; broedplaats met 20% aan planten van vochtige tot licht moerassige bodem en 80% aan hoge grassen (hooiland);
  • maaien van vegetatie uitstellen tot na het broedseizoen d.w.z. tot na augustus;
  • geen begrazing, tenzij extensief
  • vermijden van verstoring

Doel + +
Otter Omschrijving

Actueel: niet meer voorkomend, enkel zwervende individuen
Einddoel: de SBZ als verbindingsgebied tussen de Waalse en Nederlandse kernpopulaties met het oog op areaaluitbreiding, via verbetering van de kwaliteit van het leefgebied

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied met grote verscheidenheid aan water- en visrijke gebieden met een netwerk van rivieren, beken, sloten, vijvers, laagveengebieden en natte valleigraslanden met structuurrijke oevers en oeverbegroeiing, bestaande uit

  • goede waterkwaliteit
  • terugschroeven van de biobeschikbaarheid van toxische contaminanten residuen bestrijdingsmiddelen, zware metalen, …);
  • herstel van visbestanden
  • instandhouding en herstel van het winterbed van de Maas en van natuurlijke overstromingszones langs beken en begeleidend landbiotoop, met bijzondere aandacht voor een ruim aanbod aan geschikte dagrustplaatsen: moeraszones, dichte en uitgestrekte struwelen, burchten (das, vos, … );
  • ontsnipperen oppervlaktewateren en wegwerken van migratieknelpunten
  • ontwikkeling van veilige passages ter hoogte van verkeersinfrastructuur;
  • geen fuikenvisserij en ottervriendelijke rattenvallen

Doel +
Poelkikker Omschrijving

Actueel: voorkomend in deelgebied 9 (Maaswinkel)
Onduidelijke toekomst voor deze soort aangezien ze zich momenteel in een kritische toestand bevind. Elke externe negatieve invloed kan momenteel leiden tot het uitsterven van deze soort. Bovendien is hybridisatie ook een probleem.
Einddoel: Verbetering leefgebied

Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied, bestaande uit kleine poelen gevoed met regenwater, met lage trofiegraad

Doel + +
Rivierdonderpad Omschrijving

Actueel: plaatselijk aanwezig binnen SBZ.
Doel: verbetering leefgebied

Recent is ontdekt dat de soort bestaat uit twee soorten: C. perifretum (rivierdonderpad) en C. rhenanus (beekdonderpad). In de Grensmaas komt de Cottus perifretum voor. De doelstellingen zijn opgemaakt voor Cottus perifretum.

Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied door

  • herstel van het dynamisch riviersysteem (zie inleiding Landschap: Rivierlandschap)
  • extra leefgebied onder vorm van oeverzones
  • opheffen migratieknelpunten.

Bijkomende kwaliteitseisen ten opzichte van het habitattype 3260 inzake zuurstofgehalte

Doel + +
Rivierrombout Omschrijving

Actueel: er worden regelmatig verschillende imago’s vastgesteld
doel: verbetering leefgebied binnen de deelgebieden 3, 4, 8, 9, 12 en 13

Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied door

  • bloemrijke insectenrijke graslandenherstel
  • dynamisch riviersysteem (zie hoger)
  • zorgen voor gevarieerde biotoopstructuur via verbreding zomerbed wat leidt tot aanwezigheid van zand en in mindere mate grindstranden als habitat voor uitsluipende larven
  • zorgen voor gevarieerde biotoopstructuur (afgewisseld zonnige open plaatsen, ruigten en struwelen) als rust en jachtgebied voor de volwassen dieren
  • aanwezigheid van traag stromende tot bijna stilstaande delen van de rivier, nabij zandbanken en in zijgeulen
  • beperken golfslag van gemotoriseerde pleziervaart.

2.2 Prioritaire inspanningen

In samenhang met de hoger beschreven doelstellingen is in het S-IHD-besluit door de Vlaamse Regering een aantal prioritaire inspanningen vastgesteld. Dit is een globale omschrijving van de acties die noodzakelijk zijn voor de realisatie van deze doelstellingen. Voor de uitvoering van de prioritaire inspanningen zijn vaak meerdere acties nodig. Hoofdstuk 4 van dit voortgangsdocument (Inspanningsmatrix) geeft de concrete acties weer die uitvoering geven aan deze prioritaire inspanningen.

3 Oppervlaktebalans

Dit hoofdstuk geeft de stand van zaken weer van de realisatie van de taakstelling, met name van de oppervlaktedoelen, op basis van het passend beheer. Het passend beheer is wettelijk gedefinieerd in het Instandhoudingsbesluit van 20 juni 2014. Het is de oppervlakte waarvoor in een natuurbeheerplan of daarmee vergelijkbaar plannen of overeenkomsten, een of meer Europees te beschermen habitattype(s) of een leefgebied van een of meer Europees te beschermen soort(en) als natuurstreefbeeld is vastgesteld. 

De oppervlaktebalans in dit voortgangsdocument is enkel opgemaakt voor de Europees te beschermen habitats, op basis van de inventarisatie van het terreinbeheer door het ANB, verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen (met name Natuurpunt vzw, vzw Durme en Limburgs Landschap vzw). Voor leefgebieden van Europees te beschermen soorten was dergelijke inventarisatie niet mogelijk met de bestaande gegevens, zodat een oppervlaktebalans per Europees te beschermen soort niet opgenomen is. 

Onderstaande tabel geeft per Europees te beschermen habitat:

  • De habitat code: de code van het habitat waarvoor een doel is gesteld (zie §2.1 'Doelen', voor de benaming en beschrijving);
  • Het totaal doel: de tot doel gestelde oppervlakte per habitat;
  • Het passend beheer: de oppervlakte met passend beheer zoals vastgesteld in een goedgekeurd natuurbeheerplan of daarmee vergelijkbare plannen of overeenkomsten;
  • De openstaande taakstelling: de oppervlakte die wordt berekend als het verschil tussen het totaal doel en de oppervlakte met passend beheer.

In de oppervlaktebalans worden alle oppervlakten weergegeven in hectare, tenzij anders aangegeven. De tabel geeft de situatie in februari 2017 weer.

4 Inspanningsmatrix

Dit hoofdstuk formuleert de acties die uitvoering geven aan de prioritaire inspanningen die vastgesteld werden in het S-IHD-besluit. Daarbij wordt op basis van het Vlaams Natura 2000-programma 2016-2020 aangegeven welke acties behoren tot het bindend deel van de taakstelling (zie hoofdstuk 1). De overige acties behoren tot het richtinggevend deel van de taakstelling. 

Elke actie wordt in onderstaande tabel beschreven, met volgende rubrieken:

  • Nr. actie: het nummer van de actie is een samenstelling van het nummer van de prioritaire inspanning en het nummer van de actie zelf. 
  • Omschrijving actie: geeft beknopt aan wat er moet gebeuren, waarom, met welk resultaat en waar.
  • Prioritaire inspanning: de prioritaire inspanning waaraan deze actie invulling geeft. Vanaf prioritaire inspanning 100 worden acties weergegeven die niet onder de prioritaire inspanningen van hoofdstuk 2.2 vallen. Deze acties zijn toegevoegd aan het voortgangsdocument, aanvullend op de prioritaire inspanningen, omdat ze eveneens nodig zijn om tot de gunstige lokale staat van instandhouding te komen van de betreffende habitat(s) of soort(en).
  • Actie voor de verbetering van het natuurlijk milieu: indien in deze kolom een ‘ja’ staat, dan is deze actie ingeschreven voor de verbetering van het natuurlijk milieu als omschreven in hoofdstuk 5. 
  • Deelgebied(en): de deelgebieden waar deze actie uitgevoerd zal worden. Indien in de tabel geen nummer van een deelgebied is opgegeven, is de actie van toepassing op de volledige SBZ. 
  • Habitats/soort(en): de Europees te beschermen habitat(s) en/of soort(en) waarvoor de actie ondernomen wordt. Het gaat om habitats en soorten waarvoor doelen opgenomen zijn in het S-IHD-besluit en om (cursief aangegeven) habitattypische soorten. Habitattypische soorten zijn kenmerkend voor één of soms meerdere habitattypes. Een habitattype kan enkel in een regionaal gunstige staat van instandhouding verkeren als binnen Vlaanderen ook de habitattypische soorten gelinkt aan dit habitattype in een regionaal gunstige staat van instandhouding verkeren. Meer gedetailleerde informatie over habitattypische soorten is beschikbaar in referenties 1, 2 en 3 (zie hoofdstuk 8).
  • Trekker: de organisatie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de actie.
  • Andere betrokkenen: de organisaties of actoren die betrokken zijn bij de actie, als uitvoerder, omwille van mogelijke impact, het leveren van kennis,…
  • Timing: het moment waarop de uitvoering van de actie start. Kan pas ingevuld worden indien de status ‘gepland’ of ‘in uitvoering’ is.
  • Status: hierbij is onderscheid gemaakt tussen:
    • Op te starten: de actie is benoemd maar nog niet opgestart.
    • In onderzoek: het plan of project voor de uitvoering van de actie is in ontwikkeling. Een trekker is aangeduid en gestart met de voorbereiding van het plan of project .
    • Plan in opmaak: de opmaak van het uitvoeringsplan is gestart. 
    • Plan beschikbaar: het uitvoeringsplan is afgerond en door de betrokken partijen goedgekeurd. De uitvoering ervan moet nog opgestart worden. 
    • In uitvoering: de actie wordt momenteel uitgevoerd.
    • Uitgevoerd: de uitvoering van de actie is beëindigd.
    • Stopgezet: de uitvoering van de actie is stopgezet zonder dat ze helemaal is beëindigd; er is geen plan om ze terug op te starten.
  • Bindend: deze lijn verschijnt enkel als de actie deel uitmaakt van het bindend deel van de taakstelling (zie hoofdstuk 1). Hierbij is onderscheid gemaakt tussen:
    • Stand still: actie noodzakelijk voor de stand still of het tegengaan van achteruitgang.
    • 2020: actie noodzakelijk voor het bereiken van een gunstige of verbeterde staat van instandhouding voor 16 habitats tegen 2020.
    • Deelgebied(en): de deelgebied(en) waarvoor de actie bindend is (sommige acties zijn bindend voor een deelgebied maar richtinggevend voor een ander).
    • Habitats/soorten: de habitats en/of soorten waarvoor de actie bindend is (sommige acties zijn bindend voor een habitat en/of soort maar richtinggevend voor andere habitats en/of soorten).

De tabel geeft de situatie weer in augustus 2017.

5 Overzichtkaart

De overzichtskaart biedt ons informatie voor en een stand van zaken over de realisatie van de doelen voor deze SBZ. De verschillende onderdelen zijn te consulteren via een geoloket.

 

 5.1 Synthesekaart

De synthesekaart biedt een samengesteld, vereenvoudigd overzicht van de actuele Europees te beschermen habitats en de oppervlaktes Europees te beschermen habitats onder passend beheer (zie hoofdstuk 3).

In het geoloket wordt de synthesekaart weergegeven met dit symbool 

5.2 Situering van de actuele Europees te beschermen habitats

De kaarten ‘Actueel habitat’ geven indicatief de ligging van de actuele Europees te beschermen habitats in deze SBZ weer, op basis van referentie 9 (zie hoofdstuk 6). De kaart ‘Actueel habitat overzicht’ geeft een overzicht alle actuele habitats. De kaarten ‘Actueel habitat per cluster’ en ‘Actueel habitat per habitat’ maken de actuele habitats respectievelijk in clusters van verwante habitats en voor elk habitat apart zichtbaar.

In het geoloket wordt de kaart: 

  • actueel habitat overzicht weergegeven met dit symbool   
  • actueel habitat per cluster met dit symbool  
  • actueel habitat per habitat met dit symbool 

5.3    Situering van de gebieden beheerd met het oog op de realisatie van de doelen

De kaarten ‘Passend beheer’ (voor definitie, zie hoofdstuk 3) geven indicatief weer welke oppervlaktes Europees te beschermen habitats onder passend beheer zijn bij het ANB, verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen (zie hoofdstuk 3). De kaart ‘Passend beheer overzicht’ geeft het overzicht van alle oppervlaktes onder passend beheer voor habitats. De kaarten ‘Passend beheer per cluster’ en ‘Passend beheer per habitat’ maken de oppervlaktes onder passend beheer respectievelijk in clusters van verwante habitats en voor elk habitat apart zichtbaar.

De huidige kaart geeft de situatie weer in februari 2017.

In het geoloket wordt de kaart :

  • oppervlakte onder passend beheer overzicht weergegeven met dit symbool 
  • oppervlakte onder passend beheer per cluster weergegeven met dit symbool 
  • oppervlakte onder passend beheer per habitat weergegeven met dit symbool 

5.4 Situering van de vegetaties relevant als leefgebied voor Europees te beschermen soorten

Omdat voor de vegetaties relevant als leefgebied voor Europees te beschermen soorten geen terreininventarisatiegegevens bestaan, werd deze kaart opgemaakt door middel van een ruimtelijk model. Dit model werkt op basis van de ecologische karakteristieken van de soort, aangevuld met actuele verspreidingsgegevens en de verbreidingscapaciteit van de soort. De bekomen afbakening vormt op dit moment de best beschikbare benadering van de actuele leefgebieden van de betreffende soorten. Voor een gedetailleerde beschrijving van de methodiek wordt verwezen naar referenties 4, 5 en 6 (zie hoofdstuk 6).

De opmaak ervan was niet voor alle Europees te beschermen soorten mogelijk omdat

  • een aantal mobiele soorten zeer ruime en weinig gedifferentieerde leefgebieden kent (bv. slechtvalk, kokmeeuw);
  • voor de leefgebiedkarakteristieken van bepaalde soorten geen (gebiedsdekkende) kaartlaag voorhanden is (bv. bittervoorn en kleine modderkruiper);
  • voor een aantal soorten de wetenschappelijke kennis en de beschikbare data ontoereikend zijn (bv. vleermuizen).

In het geoloket worden de leefgebieden weergegeven met de symbolen symbool leefgebieden voor het overzicht,  Synthesekaart Groepen voor de groepen en symbool leefgebieden voor de soorten, en dit enkel voor soorten waarvoor de opmaak van de kaarten mogelijk was en waarvoor doelen zijn ingeschreven in het S-IHD-besluit.

5.5 Situering van de aanwezigheid van habitattypische soorten

Onderstaand overzicht geeft indicatief weer welke habitattypische soorten actueel voorkomen per deelgebied op basis van referenties 7 en 8 (zie hoofdstuk 6). Habitattypische soorten zijn soorten die kenmerkend zijn voor één of soms meerdere habitattypes. Voor het bereiken van de regionaal gunstige staat van instandhouding van het habitat, moeten de populaties van de habitattypische soorten, verbonden aan dat habitat, ook in een regionaal gunstige staat van instandhouding worden gebracht of gehouden. Meer gedetailleerde informatie over habitattypische soorten is beschikbaar in referenties 1, 2 en 3 (zie hoofdstuk 6).

 

6 Referenties

1.:  Geert De Knijf, Desiré Paelinckx (2012). Typische faunasoorten van de verschillende Natura 2000 habitattypes, in functie van de beoordeling van de staat van instandhouding op niveau Vlaanderen (ref. INBO.A.2013.139)

2.: Adriaens, Dries; Adriaens, Tim; Ameeuw, Griet (2008). Ontwikkeling van criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de habitattypische soorten (ref. INBO.R.2008.35)

3: Adriaens, P. & Ameeuw, G. (red) (2008). Ontwikkeling van criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de vogelrichtlijnsoorten.  D/2008/3241/287 (ref.INBO.R.2008.36)

4.: Maes et al. (2015). Afbakenen van potentiële leefgebiedenkaarten voor Europese en Vlaamse prioritaire soorten in het kader van de voortoets. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2015. (versie 2.0). (ref. INBO.R.2015.10201559). 

5: : Maes D., Anselin A., De Knijf G., Denys L., Devos K., Gouwy J., Leyssen A., Packet J., Pauwels I., Pollet M., Speybroeck J., Stienen E., Thomaes A., T’jollyn F., Van Den Berge K., Van Landuyt W., Van Thuyne G., Vermeersch G. & Verhaeghe F. (2017). Afbakenen van actueel relevant potentieel leefgebied voor een selectie van Europees prioritaire soorten. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2017 (30) (ref. INBO.R.12602606 . Brussel: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

6.: Dirk Maes, Koen Devos, Anny Anselin, Eric Stienen, David Buysse, Ine Pauwels & Thierry Onkelinx (2016). Advies over de leefgebiedenkaarten van Natura 2000-soorten (ref. INBO.A.3415)

7.: De Knijf, Geert; Vermeersch, Glenn (datum). Advies over de actuele verspreiding van de habitattypische soorten per SBZ-H deelgebied - deel fauna (ref. INBO.A.3233)

8.: Van Landuyt, Wouter; De Knijf, Geert (2014). Advies over de verspreiding van de habitattypische soorten per SBZ-H deelgebied - deel flora (ref. INBO.A.3192)

9. De Saeger, S., Guelinckx, R., Oosterlynck, P., De Bruyn, A., Debusschere, K., Dhaluin, P., ... Paelinckx, D. (2020). Biologische Waarderingskaart en Natura 2000 Habitatkaart, uitgave 2020. (Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek; Nr. 35). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. https://doi.org/10.21436/inbor.18840851  

Begrippenlijst