landschap met schapen © Veronique De Smedt

Noord-Oost Limburg

BE2200032 - Hageven met Dommelvallei, Beverbeekse heide, Warmbeek en Wateringen
BE2200033 - Abeek met aangrenzende moerasgebieden
BE2200034 - Itterbeek met Brand, Jagersborg en Schootsheide en Bergerven
BE2221314 - Hamonterheide, Hageven, Buitenheide, Stamprooierbroek en Mariahof

1 Inleiding

Het Natura 2000-netwerk is een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Deze zijn aangewezen op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen om Europees beschermde habitattypes en soorten de kans te geven duurzaam te overleven en zo de Europese biodiversiteit te bewaren. In Vlaanderen zijn 62 Natura 2000-gebieden aangeduid, ook speciale beschermingszones (hierna: SBZ) genoemd. Deze gebieden zijn essentieel voor het bereiken van de gunstige staat van instandhouding van Europees te beschermen habitats en soorten. Voor Vlaanderen gaat het om 47 habitattypes, 49 dier- en plantensoorten en 58 vogelsoorten. 

Alle lidstaten van de Europese Unie zijn verplicht om de nodige maatregelen te nemen om een ‘gunstige staat van instandhouding’ te realiseren voor Europees te beschermen habitats en soorten. Om deze maatregelen in te vullen heeft de Vlaamse Regering instandhoudingsdoelstellingen (hierna: doelen) op Vlaams niveau en per SBZ bepaald. Op Vlaams niveau zijn dit de zogenaamde gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen (hierna: G-IHD) en per SBZ zijn dit de zogenaamde specifieke instandhoudingsdoelstellingen (hierna: S-IHD). Deze S-IHD zijn, na een intensief overlegproces tussen 2010 en 2013, vastgesteld in aanwijzingsbesluiten (de S-IHD-besluiten) door de Vlaamse Regering op 23 april 2014. 

De realisatie van de doelen wordt gefaseerd en programmatisch aangepakt. Vlaanderen moet elke zes jaar aan Europa rapporteren, daarom is ook voor de realisatie gekozen voor cycli van maximaal zes jaar. Per cyclus of planperiode wordt een Vlaams Natura 2000-programma opgemaakt met een Vlaamse taakstelling en acties voor de komende periode. Het programma omschrijft ook welke organisaties betrokken zijn en geeft een raming van de uitgaven voor de uitvoering van het programma.  

Focus Vlaams Natura 2000 programma 2016–2020

Omdat Vlaanderen in 2020 aan Europa moet rapporteren, loopt de eerste cyclus van het Vlaams Natura 2000-programma van 2016 tot 2020. Op het moment van publicatie van dit voortgangsdocument bestaat er nog geen nieuw Vlaams Natura 2000-programma voor de volgende planperiode (2021-2026), zodat het bestaande programma volgens de regelgeving geldig blijft.  

Voor deze eerste cyclus is vertrokken van de Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 en van het Pact 2020. In het Vlaams Natura 2000-programma zijn een bindende en een richtinggevende taakstelling geformuleerd als een gefaseerd kader voor de realisatie van de doelen.

Het bindend deel van de taakstelling in het Vlaams Natura 2000-programma omvat:

  • het stoppen of vermijden van de verdere achteruitgang van Europees te beschermen habitattypes of soorten (stand still);
  • dat 16 van de 47 Europees te beschermen habitattypes in een gunstige staat verkeren of zijn verbeterd ten opzichte van 2007 (zie bijlage 5 van het Vlaams Natura 2000-programma).

Het bindend deel van de taakstelling moet tegen 2020 worden gerealiseerd.

Het richtinggevende deel van deze taakstelling omvat:

  • dat tegen 2020 voor alle Europees te beschermen habitattypes en soorten samen 70% van de inspanningen operationeel zijn, zodat alle habitats en soorten in een gunstige staat van instandhouding kunnen worden gebracht tegen 2050. Voor soorten die extra oppervlakte leefgebied nodig hebben, moet een derde van de extra oppervlakte gerealiseerd zijn door inrichting en beheer.

De maatregelen nodig om het richtinggevende deel van de taakstelling te realiseren, kunnen al in deze planperiode opgestart worden of, indien al in planning of uitvoering, verder lopen. Deze maatregelen moeten niet noodzakelijk afgerond zijn tijdens de looptijd. In de inspanningsmatrix (hoofdstuk 4 van het voortgangsdocument) is voor elke actie aangegeven of deze behoort tot het bindend of het richtinggevend deel van taakstelling van het Vlaams Natura 2000-programma.

Doelstelling van het voortgangsdocument

Het voortgangsdocument wordt opgemaakt met het oog op:

  • het gradueel realiseren van de S-IHD;
  • het vermijden of stoppen van de verslechtering van de Europees te beschermen habitats en de leefgebieden van Europees te beschermen soorten;
  • het vermijden of het stoppen van de betekenisvolle verstoring van de Europees te beschermen soorten.

Het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna: het ANB) maakt het voortgangsdocument op en beheert het. Dit voortgangsdocument beschrijft de inspanningen die volgens de inventaris hiervan in 2017 geleverd worden door de organisaties voor wie het beheren en ontwikkelen van natuur een maatschappelijke opdracht is. Dit zijn het ANB, de verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen. Tevens biedt het een overzicht van de openstaande taakstelling en van de acties die, volgens de huidige plannen en inzichten, nodig zijn voor de realisatie ervan. Zo vormt het voortgangsdocument het vertrekpunt en de inspiratiebron voor het bereiken van de doelen voor iedereen die daaraan kan bijdragen.

Situering van het SBZ

2 Taakstelling

Voor elke SBZ werden door de Vlaamse Regering de specifieke doelen voor Europees te beschermen habitats en soorten en de prioritaire inspanningen vastgesteld in een S-IHD-besluit. Deze doelen worden in dit voortgangsdocument weergegeven in hoofdstuk 2.1. Deze zijn daarbij geclusterd in landschapstypes. Per Europees te beschermen soort en habitat zijn het gebiedsgericht kwantiteitsdoel (populaties of oppervlakten) en kwaliteitsdoel beschreven. Hoofdstuk 2.2 geeft prioritaire inspanningen weer, die in het S-IHD-besluit vastgesteld zijn voor het realiseren van de doelen. 

2.1 Doelen

Legende bij de oppervlakte-, populatie- en kwaliteitsdoelen

Symbool

Omschrijving

+

Het doel is een stijging van de oppervlakte of populatiegrootte / een verbetering van de kwaliteit.

=

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit.

=/+

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit met lokale uitbreidingsmogelijkheid.

=/-

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit met lokale inkrimpingsmogelijkheid.

In onderstaande tabel met de doelen voor het SBZ worden doelstellingen voor enerzijds het gedeelte dat habitatrichtlijngebied is en anderzijds het gedeelte dat 'zuiver vogelrichtlijngebied' (lees: enkel vogelrichtlijngebied en geen habitatrichtlijngebied) is, niet onderscheiden, maar geïntegreerd. Aan de drie criteria die tegelijk vervuld dienen te zijn om deze doelen voor beide ruimtelijk afgebakende gebieden van elkaar te onderscheiden, werd immers niet voldaan. De drie criteria zijn: 

  • het zuiver vogelrichtlijngebied handelt over een relevante oppervlakte; 

  • het betreft in dit gebied relevante doelstellingen doelen en; 

  • de doelen die in het gedeelte dat zuiver vogelrichtlijngebied is, gerealiseerd dienen te worden, zijn (reeds in dit stadium) bekend.] 

In onderstaande tabel met de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied worden doelstellingen voor enerzijds het gedeelte dat habitatrichtlijngebied is en anderzijds het gedeelte dat 'zuiver vogelrichtlijngebied' (lees enkel vogelrichtlijngebied maar geen habitatrichtlijngebied) is, niet onderscheiden, maar geïntegreerd. Aan de drie criteria die tegelijk vervuld dienen te zijn om deze doelen voor beide ruimtelijk afgebakende gebieden van elkaar te onderscheiden, werd immers niet voldaan. De drie criteria zijn:

  • het zuiver vogelrichtlijngebied handelt over een relevante oppervlakte;
  • het betreft in dit gebied relevante doelstellingen en;
  • de doelstellingen die in het gedeelte dat zuiver vogelrichtlijngebied is, gerealiseerd dienen te worden, zijn (reeds in dit stadium) bekend.

Moeraslandschap

Het moeraslandschap in deze gebieden kunnen we onderverdelen in drie grote eenheden namelijk het vijverlandschap, het beekdallandschap en het laagveencomplex.
Onder het vijverlandschap verstaan we open water met aan de randen verlandingsvegetaties zoals riet, zeggevegetaties, dotterbloemgraslanden, gagelstruwelen, galigaan… Dit vormt het leefgebied voor een aantal moerasvogels zoals de Roerdomp, Woudaap, Porseleinhoen, Bruine kiekendief, Blauwborst.
Het beekdallandschap bestaat uit een mozaïek van beekvegetaties, elzenbroekbossen, natte ruigtes, dotterbloemgraslanden,… Dit is o.a. het optimale leefgebied voor enkele Europese vissoorten.
Het laagveencomplex omvat vooral het biotoop van laagveen.
Aangezien binnen dit gebied deze drie landschappen in elkaar overvloeien en verschillende soorten gebruik maken van verschillende van deze eenheden voor hun leefgebied, behandelen we deze samen onder de noemer van “moeraslandschap”. Het moeraslandschap is belangrijk voor een lange reeks van Europese habitattypes en soorten waaronder:

  • voedselrijke, structuur- en vegetatierijke vijvers (habitattype 3150);
  • waterhabitats van beken (habitattype 3260);
  • ruigtes (habitattype 6430);
  • overgangs- en trilveen (habitattype 7140);
  • galigaanmoeras (habitattype 7210);
  • elzenbroekbossen (91E0);
  • vissen zoals Beekprik, Grote modderkruiper en Bittervoorn;
  • insecten zoals de Spaanse vlag;
  • zoogdieren zoals Europese bever en Otter en vleermuizen waaronder Rosse vleermuis, Watervleermuis en Ruige dwergvleermuis
  • de broedvogels Roerdomp, Woudaap, Porseleinhoen, Bruine kiekendief, Blauwborst en IJsvogel;

Bepalend voor de oppervlakte- en kwaliteitsdoelstellingen voor het moeraslandschap zijn vooral de natuurwaarden waarvoor de gebieden vanuit de G-IHD als essentieel en vervolgens zeer belangrijk worden bestempeld.
Essentiele habitattypes en soorten zijn: waterhabitats van beken: 3260 (SBZ-H BE2200032), ruigtes: 6430 (SBZ-H BE2200032), galigaanmoeras: 7210 (SBZ-H BE2200032), Otter (SBZ-H BE2200033), Roerdomp (SBZ-V BE2221314) en Woudaap (SBZ-V BE2221314).
Zeer belangrijke habitattypes en soorten zijn: voedselrijke, structuur- en vegetatierijke vijvers bodem: 3150 (SBZ-H BE2200033), waterhabitats van beken: 3260 (SBZ-H BE2200033, SBZ-H BE2200034), ruigtes: 6430 (SBZ-H BE2200032, SBZ-H BE2200034), Overgangs- en trilveen: 7140 (SBZ-H BE2200033), elzenbroekbossen: 91E0 (SBZ-H BE2200032, SBZ-H BE2200033 en SBZ-H BE2200034), Beekprik (SBZ-H BE2200032, SBZ-H BE2200033 en SBZ-H BE2200034), Grote Modderkruiper (SBZ-H BE2200033) en Porseleinhoen (SBZ-V BE2221314).
Door deze lange opsomming valt direct af te leiden hoe belangrijk dit moerasgebied is op Vlaamse schaal voor tal van habitattypes en soorten (cfr G-IHD).

De doelstellingen voor het Vijverlandschap worden deels bepaald door de Roerdomp. Van deze soort worden er 9-10 broedparen (BP). voorzien (2-3 BP in Hageven, 5-6 BP in het complex Luysen/Stramprooierbroek/Zig en 1 BP in SBZ-V) waarbij elk broedpaar zo’n 30-50 ha geschikt leefgebied nodig heeft. Ook Europese soorten zoals Woudaap, Blauwborst, IJsvogel, Bruine kiekendief en de verschillende vleermuizen liften mee met deze oppervlaktedoelstelling. Hierbij moet voldoende rietland (rbbmr) en moerasvegetaties (Dotterbloemhooiland: rbbhc, Grote zeggevegetaties rbbmc, gagelstruweel rbbsm, … ) afwisselend met open water aanwezig zijn, voorzien van een goede waterkwaliteit, zo weinig mogelijke verstoring en een hoog voedselaanbod. Dit laatste mag echter niet ten koste gaan van de actuele waardevolle libellenfauna waaronder o.a. de Kempense heidelibel, Bruine korenbout, Glassnijder, Vroege glazenmaker... Er wordt zo’n 80-100 ha uitbreiding voorzien onder de vorm van open water en moeras om deze doelstellingen te behalen. De overige benodigde oppervlakte leefgebied is beschikbaar mits herstel van de kwaliteit.

Voor het Beekdallandschap wordt er gestreefd naar een mozaïek van elzenbroekbossen (91E0), ruigtes (6430), laagveen (7140) en het beekhabitat (3260) met vissen zoals Beekprik, Bittervoorn en Grote modderkruiper. Op de open plekken in de elzenbroekbossen zullen buiten de Europese habitattypes ook steeds regionaal belangrijke biotopen (RBB’s) zoals dotterbloemgraslanden (rbbhc), Gagelstruweel (rbbsm), Wilgenstruweel (rbbsf)… voorkomen en moeten blijven voorkomen gelet op de huidige sterke verwevenheid van Europese habitats en RBB’s. Van deze doelstellingen profiteren ook soorten zoals Otter, Bever, Spaanse vlag, Blauwborst, IJsvogel en de verschillende vleermuissoorten, maar ook verschillende habitattypische soorten zoals Waterspitsmuis, Kleine ijsvogelvlinder, Grote weerschijnvlinder, Grote vos, Aardbeivlinder, Bosbeekjuffer, Beekrombout, Gewone bronlibel, Bruine korenbout, ... Deze doelstellingen wordt vooral beoogd in al de beekvalleien van o.a. de Dommel-, Warmbeek-, Abeek-, Itterbeekvallei. Voor soorten als Beekprik is er een uitbreiding van 4-5 ha voorzien voor oeverzones noodzakelijk als buffering of om de beek ruimte te geven om te kunnen meanderen. Ook worden er uitbreidingen voorzien van 91E0 met in totaal 15% open plekken die tot 3 ha groot kunnen zijn (zie doelstellingen Boslandschap).

Voor het laagveencomplex wordt er binnen het Stramprooierbroek gestreefd naar een aaneengesloten kern laagveen (7140) door omvorming. In de bovenloop van de Abeek kan men door de smalle afbakening en de asymmetrische beekvallei niet streven naar een grote aaneengesloten kern, Hier zal het laagveen dan ook vooral onder de vorm van openplekken binnen het elzenbroekbos (91E0) voorkomen (zie doelstellingen Boslandschap en Beekdallandschap). Voor het habitattype 7140 wordt gestreefd naar een totaal van 46 ha in BE2200033-1. Habitattypische soorten die meeliften met deze doelstellingen voor het laagveencomplex zijn Watersnip, Gevlekte glanslibel, Glassnijder, Koraaljuffer,…

Voor het realiseren van al deze doelstellingen is het herstellen van de natuurlijke waterhuishouding essentieel en zijn een goede water- en structuurkwaliteit van de waterlopen belangrijk. Een sterkte van het moeraslandschap is dat er veel variatie en overgang is tussen zowel de Europese habitattypes als de Regionaal Belangrijke Biotopen (RBB’s) en dat deze verwevenheid ook behouden moet worden. Dit is ook van belang als leefgebied van zowel Europese soorten als een aantal habitattypische soorten. Daarom wordt er ook gestreefd naar zowel het behoud van die verwevenheid (gelet ook op het belang van de RBB’s als buffering) en het minimaal behoud van deze e RBB’s en de huidige oppervlakte ervan. Deze RBB’s zijn nodig om tot een goede lokale staat van instandhouding te kunnen komen van verschillende Europese soorten zoals Roerdomp, Woudaap, Bruine kiekendief (rbb mr : Rietland actueel 207 ha in SBZ-H en 192 ha in enkel SBZ-V, rbbhc: Dotterbloemgraslanden actueel 25 ha in SBZ-H en 15 ha in enkel SBZ-V ), Porseleinhoen (Grote zeggevegetaties: rbb mc actueel 17 ha in SBZ-H en 18 ha in enkel SBZ-V), Blauwborst (Gagelstruweel rbb sm actueel 13 ha binnen SBZ-H)…

Mogelijk kunnen deze doelstellingen ook leiden tot een herstel van het geschikt biotoop en een herkolonisatie vanuit Nederland van het momenteel in België uitgestorven Spiegeldikkopje.

Habitats - Moeraslandschap

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel = +
3150 - Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition Omschrijving

Actueel: 32,5 ha
Totaal: 32,5 ha
SBZ-H BE2200032: Behoud van actuele oppervlakte van 3 ha.
SBZ-H BE2200033: Behoud van de actuele oppervlakte van 28,5 ha.
SBZ-H BE2200034: Behoud van de actuele oppervlakte van 0,5 - 1 ha.

Verbetering van de habitatkwaliteit door oplossen van verstoringen zoals de gewijzigde waterhuishouding, ongunstige waterkwaliteit en vertroebeling.
Streven waar mogelijk naar een doorstroomkarakter van de plassen met water van een voldoende kwaliteit. Indien mogelijk het instellen van een beheer van cyclisch droogleggen om de voedselrijke sliblaag te stabiliseren en invasieve vissen te verwijderen. Tijdens het vegetatieseizoen moeten de plassen wel permanent water bevatten. Helder, matig nutriëntenrijk (niet hypertroof) water met een matige stikstof- en fosforconcentratie en een min of meer neutrale tot matig alkalische pH.

Doel + +
3260 - Submontane en laagland rivieren met vegetaties behorend tot het Ranunculion fluitans en het Callitricho-Batrachion Omschrijving

Actueel komen er habitatwaardige vegetaties voor in de vallei van de Dommel, Warmbeek, Abeek, Bosbeek en Itterbeek.
Uitbreiding tot 30 – 60 % van de volledige waterlopen binnen SBZ van de Dommel, Warmbeek, Itterbeek en A-beek (en hun bovenlopen)
SBZ-H BE2200032: Toename van de habitat over 30 – 60 % van de lengte van de Dommel en de Warmbeek binnen SBZ.
SBZ-H BE2200033: Toename van de habitat over 50 – 70 % van de lengte van de Abeek binnen SBZ.
SBZ-H BE2200034: Toename van de habitat over 30 – 60 % van de lengte van de Itterbeek en Bosbeek binnen SBZ.

Dynamisch meanderend riviersysteem met:

  • natuurlijke beek- en oeverstructuur met goed ontwikkelde waterplantenvegetaties in open beek trajecten
  • natuurlijke stromings- en waterpeildynamiek
  • helder water met een hoge stroomdiversiteit, zonder invasieve soorten en met voldoende zonbeschenen delen.
  • hooguit matig eutroof water met een lage stikstof- en fosforconcentratie ,lage concentratie bestrijdingsmiddelen en lage sedimentvracht. Natuurlijke beekstructuur (meandering, afwisseling sedimentfracties, …)
  • voldoende brede bufferzones langsheen de waterloop
  • buffering tegen externe invloeden; het tegen gaan van negatieve effecten vanuit de omgeving op actueel aanwezige habitats en op plekken waar doelen gerealiseerd zullen worden (B.v. via bufferzones).

Doel + +
6430 - Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones Omschrijving

Doel : behoud van actuele oppervlakte van 166 ha waarbij lokaal omvorming naar 6510 verantwoord is. Lokaal kan een kleine uitbreiding plaats vinden via de open plekken binnen 91E0 (zie doelstellingen Boslandschap). Wel wordt er een voor Beekprik een toename voorzien van 4-5 ha 6430 als bufferzone (zie Beekprik).

  • SBZ-H BE2200032: behoud van de actuele oppervlakte: ± 115 ha in De Wateringen, ten zuiden van het Hageven en de Warmbeekvallei. In de beekvalleien kan dit habitattype ook voorkomen onder de vorm van open plekken binnen 91E0 (zie doelstellingen Boslandschap).
  • SBZ-H BE2200033: actuele oppervlakte van 33 ha minstens behouden. In de beekvalleien kan dit habitattype ook voorkomen onder de vorm van open plekken van 91E0 (zie doelstellingen Boslandschap).
  • SBZ-H BE2200034: actuele oppervlakte van 18 ha minstens behouden. In de beekvalleien kan dit habitattype ook voorkomen onder de vorm van open plekken van 91E0 (zie doelstellingen Boslandschap).

Als kwaliteitsdoel worden ruigten met een voldoende grote bedekking van sleutel- en begeleidende soorten (>70%) gesteld.

  • Herstel van de natuurlijke waterhuishouding is noodzakelijk om de momenteel verdroogde delen te herstellen evenals voor het tegengaan van de verbossing.
  • Het creëren van voldoende open plekken (in elzenbroekbossen) zal deels resulteren in dit habitattype.
  • Doel + +
    7140 - Overgangs- en trilveen Omschrijving

    Actueel: ± 6 ha
    Toename door omvorming: 40 ha
    Einddoel: 47 ha

    SBZ-H BE2200032: behoud van actuele oppervlakte. Lokaal herstel van ± 1 ha is mogelijk bij herstel van de habitatkwaliteit en gebeurt in complex met type 4010 (zie ook LIFE-project Dommeldal).
    SBZ-H BE2200033: actuele oppervlakte bedraagt ±6 ha verspreid over de Abeekvallei en Stramprooierbroek. Binnen het Stramprooierbroek wordt gestreefd naar één aaneengesloten kern van 30 ha, in de Abeekvallei naar een oppervlakte van 10 ha. In de bovenloop van de Abeek zal door de smalle afbakening en de asymmetrische beekvallei geen aaneengesloten kern kunnen ontstaan maar kan dit habitattype wel in mozaïek voorkomen in de vallei, als open plekken van 91E0 (zie doelstellingen Boslandschap).

    Goed ontwikkelde laagveenvegetaties met:

    • natuurlijke hydrologie met grondwaterstanden schommelend rond het maaiveld, wat de facto een herstel van de natuurlijke waterhuishouding en een waterpeilverhoging op een aantal plaatsen impliceert;
    • minder dan 10% boom-of struikopslag in de habitat;
    • 5 sleutelsoorten met een bedekking van minstens 70% en minder dan 10% structuurschade door vertrappeling;
    • buffering tegen externe invloeden; het tegen gaan van negatieve effecten vanuit de omgeving op actueel aanwezige habitats en op plekken waar doelen gerealiseerd zullen worden (v.b. via bufferzones).
    • inbedding in matrix van regionale belangrijke biotopen

    Doel = +
    7210 - Kalkhoudende moerassen met Cladium mariscus en soorten van het Caricion davallianae Omschrijving

    Actueel: 3 ha
    Toename : -
    Totaal: 3 ha

    SBZ-H BE2200032: dankzij een recent herstelprogramma is de actuele oppervlakte van dit habitat in het Hageven uitgebreid tot 3 ha. Komt ook in zeer kleine oppervlakte voor in de Warmbeekvallei. Doelstelling is het behoud van de totale oppervlakte.

    De lokaal goede staat van instandhouding van de habitat is voor een groot deel afhankelijk van het beheer. Hiervoor worden volgende herstelopgaven voorgesteld:

    • om de spontane successie tot bos te verhinderen moet een periodisch kapbeheer ingesteld worden.
    • het (oppervlakte)waterpeil moet worden afgestemd op de ecologische vereisten van het habitat. De aanvoer van mineraalrijk grondwater dient te worden behouden.
    • herstel oppervlakte- en grondwaterkwaliteit (vermindering van vervuiling en eutrofiëring).

    Doel + +
    91E0 - Alluviale bossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) Omschrijving

    Actueel:636 ha
    Toename: 342 ha met als richtwaarde 144 ha bosuitbreiding
    Totaal: 978 ha

    • SBZ-H BE2200032: de actuele oppervlakte van dit habitattype bedraagt ca. 95 ha. Er wordt een toename van de oppervlakte met 99 ha met als richtwaarde 53 ha bosuitbreiding voorgesteld. Deze doelen moet leiden tot grotere aaneengesloten stukken habitatwaardig bos. Voor deze uitbreiding en omvorming komt in eerste instantie de vallei van de Warmbeek in aanmerking. Totaal: 194 ha
    • SBZ-H BE2200033: de actuele oppervlakte van deze habitat bedraagt ca. 390 ha. Er wordt een toename voorzien van ongeveer 166 ha met als richtwaarde 50 ha bosuitbreiding aansluitend op bestaande kernen. Totaal: 556 ha
    • SBZ-H BE2200034: de actuele oppervlakte van dit habitat bedraagt 151 ha. Er wordt een toename voorzien van ca. 77 ha met als richtwaarde 41 ha bosuitbreiding aansluitend op bestaande kernen. Totaal: 228 ha

    • Een gevarieerde bosstructuur met 15% open plekken die elk tot 3 ha groot kunnen zijn. Op deze open plekken kunnen verschillende habitattypes (3260, 6430, 7140… ) en RBB’s (rbbsm, rbbmc, rbbhc, …) voorkomen;
    • aanwezigheid van voldoende dood hout en sleutelsoorten.
    • behoud en/of herstel van een voor dit habitattype gunstige waterhuishouding (zowel kwantitatief als kwalitatief) zodat grote kernen zich kunnen ontwikkelen.
    • structuurrijke bosranden.
    • De waterhuishouding is voor deze bossen zeer belangrijk. Er wordt gestreefd naar een voldoende hoge grondwaterstand.

    Soorten - Moeraslandschap

    Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
    Doel + +
    Beekprik Omschrijving

    Uitbreiding van de huidige populaties tot stabiele populaties met een goede staat van instandhouding: met 50-200 ind/ha verdeeld over minimum 3 lengteklassen en waarbij jaarlijks adulten worden waargenomen tijdens de reproductieperiode in de Abeek (en haar zijlopen de Vellerbeek, Gielisbeek en Bullenbeek), de Wateringen in Lommel, de Itterbeek (en enkele zijlopen), de Oude beek en de Warmbeek. In de Dommel dient het leefgebied voor Beekprik hersteld te worden. Dit allemaal binnen SBZ.
    Om deze doelstellingen te kunnen realiseren en tot een goede lokale staat van instandhouding te kunnen komen, is een goede biotoop- en waterkwaliteit nodig waarbij het aanleggen van bufferzones langsheen de waterloop noodzakelijk zijn. Daarom wordt voor de Habitatrichtlijngebieden een effectieve uitbreiding van 4-5 ha 6430 van de oppervlakte geschikte bufferzone tot doel gesteld Deze oppervlakte-uitbreidingen komen bovenop de oppervlaktes die samenhangen met de doelstellingen van de Europees te beschermen habitats en Europees te beschermen soorten van het moeraslandschap, in het bijzonder habitat 3260.

    • Aanwezigheid van geschikte paaihabitat (structuurrijk, meanderend beek-biotoop met grofzandig of kiezelsubstraat en matige stroming) en opgroeihabitat (structuurrijk, meanderend beekbiotoop met slibbanken en een lage stroomsnelheid.
    • Geen vismigratieknelpunten en geen ingrepen in de structuur van het waterbiotoop (rechttrekking, oeverversteviging, slijk- en kruidruiming).
    • Beekruimingen moeten vermeden worden op plaatsen met beekprikpopulaties, aangezien de larven in de bodem van de beek leven.
    • Bijkomende kwaliteitseisen ten opzichte van het habitattype 3260 inzake BZV, zuurstofgehalte en temperatuur en afwezigheid migratieknelpunten.
    • Een natuurlijk hydrologisch regime en beperkte sedimentlast en het vermijden van hoge piekdebieten zijn noodzakelijk.

    Doel + +
    Bittervoorn Omschrijving

    Streven naar duurzame populaties van 400-2500 individuen/ha met herstel van migratiemogelijkheden tussen de populaties onderling. Een uitbreiding van de populaties is mogelijk door kwaliteitsverbetering van het leefgebied (Abeek, Itterbeek, Warmbeek, de Vloeiweiden van Lommel en De Holen (Watering van Neerpelt)).
    Naast de hierboven genoemde doelen van de waterhabitats (zoals 3150 en 3260), worden geen extra oppervlaktedoelen gesteld.

    Deze doelstelling spoort samen met de kwaliteitsdoelstellingen voor de oppervlaktewaterhabitats (zoals 3150 en 3260). Aangezien de Bittervoorn afhankelijk is van zoetwatermossels voor de voortplanting, moet de waterkwaliteit bovendien voldoen zowel aan de eisen van deze mossels als de vis zelf (aërobe waterbodem, zuurstofrijk water, geen zware organische belasting ). Het leefgebied moet voldoende structuurkwaliteit hebben met traagstromend tot stilstaand water en de aanwezigheid van uitgebreide waterplantenvegetaties. Beekruimingen dienen waar mogelijk vermeden te worden aangezien deze nadelig zijn door het verwijderen van de waterplanten en de zoetwatermossels.

    Doel = +
    Blauwborst Omschrijving

    Minimaal behoud van actuele populaties (55-60 BP).
    De realisatie van de benodigde leefgebieden behoeft geen extra leefgebied ten opzichte van wat al nodig is om andere doelen te bereiken.

    Grotendeels gedekt met de realisatie van kwaliteitsdoelstellingen voor Roerdomp, Porseleinhoen en Bruine kiekendief.

    Doel + +
    Bruine kiekendief Omschrijving

    Actueel 0-2 BP. Herstel van de populatie binnen het SBZ-complex tot minimum 4 broedparen, waarvan 2 broedparen in het Hageven en 2 broedparen in het gebied Stamprooierbroek/Luysen/Zig.
    De realisatie van deze leefgebieden behoeft geen extra leefgebied ten opzichte van wat al nodig is om andere doelen te bereiken.
    Tot het leefgebied kan worden gerekend: voldoende grote entiteiten van vijver- en moerascomplexen en open vegetaties (heiden en graslanden), en voldoende kwalitatieve open ruimte rond de broedgebieden als foerageergebied.

    • Broedgebied: de kwaliteitseisen worden gedekt door de kwaliteitsdoelstellingen voor de leefgebieden van Roerdomp, Woudaap en Porseleinhoen. Specifiek voor de Bruine kiekendief moeten de waterstanden in tijden van de broed voldoende hoog zijn zodat predatie minder invloed heeft op de broedgevallen.
    • Foerageergebied: er is een herstel nodig van de kwaliteit van het foerageergebied (voldoende kwalitatieve open ruimte) rondom de broedgebieden, in het bijzonder in de volgende gebieden
      • gebied Veldhoven (omgeving Smeethof en langsheen de Raambeek)
      • open ruimte ten oosten van het Hageven richting Achelse kluis
      In concreto komt dit neer op een behoud of herstel van vochtige weilanden (rbbhc, rbbhf, rbbmc, rbbms), bloemrijke graslanden en cultuurlanden met veel voedselaanbod (muizen, konijnen, ..) en kleine landschapselementen. Per koppel Bruine kiekendief is ongeveer 200 ha kwalitatief foerageergebied noodzakelijk.
    • Minimalisatie van verstoring.

    Doel + +
    Europese bever Omschrijving

    Vestiging van een leefbare populatie in SBZ-H BE2200033, die in verbinding staat en deel uitmaakt van de populaties aan de Grensmaas en in Nederlands Limburg. Binnen de verschillende SBZ’s (o.a. Kempenbroek) zijn er goede potentie aanwezig voor de soort.
    Deze doelstelling vereist geen extra oppervlakte leefgebied.

    Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied : door het oplossen van migratieknelpunten; natuurlijke oevers met houtige opslag en struweel; het instellen van rustzones. Bij de rattenbestrijding dient er rekening gehouden te moeten worden met de aanwezigheid van Bever en Otter.

    Doel + +
    Grote modderkruiper Omschrijving

    Doelstelling is het uitbouwen van een leefbare populatie in goede staat van instandhouding (> 300 exemplaren/ha) in de Grote Renne en omgeving.

    Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied in de Grote Renne en omgeving door

    • verbetering van de structuurkwaliteit: lage stroomsnelheid, aanwezigheid waterplanten en sliblaag met organisch materiaal. Beekruimingen moeten dus vermeden of beperkt worden
    • instandhouding en herstel van ondiepe moerassige plaatsen langsheen de Grote Renne en de A-beek.

    Doel = =
    IJsvogel Omschrijving

    Minimaal behoud van de actuele populaties (30-35 BP). Een tijdelijke natuurlijke afname van de aantallen na strenge winters is aanvaardbaar.

    Kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied bestaande uit

    • natuurlijke oevers met plaatselijk steile bij voorkeur zandige wanden
    • voldoende helder water
    • groot aanbod aan kleine vissen
    • geschikte foerageergebieden met visrijke waterhabitats
    • minimalisatie van verstoring

    Doel = +
    Ingekorven vleermuis Omschrijving

    Behoud van het actueel voorkomen van satellietdieren in de Achelse Kluis (afkomstig van een populatie in Postel). Er zijn hier potenties voor de ontwikkeling van een populatie. Uitbreiding van de aantallen is mogelijk door de realisaties van de doelstellingen van de Europese habitats en de andere Europese soorten

    Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied (o.a. door vermindering gebruik van ontwormingsmiddelen) en van de huidige connectiviteit van het landschap dat dient als migratieroute tussen de Achelse Kluis en Postel.behoud en versterking van de goede connectiviteit tussen de kolonieplaatsen en de jachtgebieden (waaronder heidelandschap)

    Doel = +
    Meervleermuis, Rosse vleermuis, Ruige dwergvleermuis, Watervleermuis Omschrijving

    Minimum behoud van de huidige populaties. Uitbreiding van de aantallen is mogelijk door de realisaties van de doelstellingen van de Europese habitats en de andere Europese soorten.

    Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied. De soorten gebruiken ook holle bomen als zomer(- en winter)verblijfplaats. Door het ouder worden van de boshabitats en toepassen van de CDB zal de kwaliteit van het habitat en het aantal geschikte bomen voor deze soort toenemen. Het is van belang om het tekort aan holten op korte termijn op te vangen.

    Mogelijk ook inrichten van andere winterverblijven (kelders, forten, groeven, bunkers, ..) en zomerverblijven (kerken, zolders, ..).

    Het foerageergebied bestaat uit moerassen, open water, kanalen, beken en plassen met vegetatie en waterrijke open bosgebieden in de nabije omgeving. Kwaliteitsvolle migratieroutes tussen verblijfplaatsen en jachtgebieden zijn noodzakelijk zoals opgaande lineaire landschapselementen of watergangen breder dan 2,5 m. Deze landschapselementen dienen behouden of versterkt te worden zodat er geen onderbreking plaats vindt. Verlichting langs migratie- en jachtroutes zijn verstorend, vooral voor de Meervleermuis. Deze verlichting dient waar mogelijk vermeden te worden.

    Behoud en versterking van de goede connectiviteit tussen de kolonieplaatsen en de jachtgebieden

    Doel +
    Otter Omschrijving

    Er is recent één individu meermaals waargenomen in het Smeetshof.
    Doel:
    Het realiseren van een deelpopulatie van enkele individuen in de Abeekvallei en aangrenzende moerasgebieden, die in verbinding staat met de Nederlandse en de Waalse populatie via de deelpopulatie in de Maasvallei
    Er is geen extra oppervlakte leefgebied voor deze soort nodig.

    Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied door

    • herstel van de kwaliteit van het moerasgebied rond het Stamprooierbroek-Grootbroek door herstel van de waterhuishouding
    • instandhouding, ontwikkeling en herstel van natuurlijke overstromingszones langs beken in het bijzonder de Abeek en begeleidend landbiotoop met moeraszones, dichte en uitgestrekte struwelen en burchten; verbetering waterkwaliteit tot de geschikte waterkwaliteit, in het bijzonder een lagere biobeschikbaarheid van bestrijdingsmiddelen en zware metalen
    • aanwezigheid van natuurlijk visbestanden (onder meer paling)
    • veilige passages ter hoogte van verkeersinfrastructuur (tegen gaan verkeersmortaliteit).

    Bij de rattenbestrijding dient er rekening gehouden te moeten worden met de aanwezigheid van Bever en Otter.

    Doel + +
    Porseleinhoen Omschrijving

    Actueel 2-4 BP (in SBZ-H en SBZ-V). Uitbreiding met 1-2 broedparen van de populatie tot 3-6 broedparen, verspreid over het complex Stamprooierbroek, Luysen-Zig en het Hageven (alle in SBZ-H) .
    Naast de vooropgestelde oppervlaktes van de Europees beschermde habitattypes en het leefgebied van Roerdomp, is hiervoor een toename van het huidige leefgebied (grote zeggenvegetaties, jonge gemaaide rietlanden en/of lage grazige vegetaties in permanent ondiep water) nodig met met 5-10 ha (zeggenvegetaties) in het complex Stamprooierbroek, Luysen-Zig (binnen het SBZ-H), vooral door omvorming.
    In het Smeetshof (enkel SBZ-V) is de doelstelling het behoud van het aantal broedparen (1-2). Voor het overige wordt rekening gehouden met een jaarlijks onregelmatig broedgeval binnen het SBZ-complex (onder meer Bergerven en Hageven).

    Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied tot kwalitatief goed ontwikkeld leefgebied bestaande uit

    • specifieke inrichting en beheer (Grote zeggenvegetaties, ondiepe oevervegetaties, jong rietland, dotterbloemgraslanden …) met overgangszones naar natte graslanden;
    • stabiel grondwaterpeil rond maaiveldniveau met weinig fluctuaties (op zijn minst in de eerste helft van het broedseizoen op of boven maaiveld)
    • voldoende rust

    Doel + +
    Roerdomp Omschrijving

    In totaal 8-10 BP. Voor elk broedpaar dient 30-50 ha geschikt leefgebied aanwezig te zijn. Dit vereist een minimale oppervlakte leefgebied van ongeveer 270 tot 500 ha.
    Om dit te realiseren is naast de kwaliteitsverbetering van het bestaand leefgebied, een extra oppervlakte leefgebied noodzakelijk van 80-100 ha (open water en moeras) waarvan 30 ha door omvorming en 50–70 door effectieve uitbreiding. In concreto zijn de doelstellingen als volgt gelokaliseerd:

    • behoud van de actuele (grensoverschrijdende) satellietpopulatie van 2-3 broedparen in het Hageven. Dit vereist geen extra leefgebied
    • in het complex Luysen-Mariahof-Stramprooierbroek-De Zig wordt een uitbreiding van de huidige populatie voorzien tot een totaal van 5-6 broedparen. Dit vereist een extra leefgebied van 50-55 ha (35-40 ha door uitbreiding en 15 ha door omvorming);
    • in ( SBZ-V wordt 1 broedpaar tot doel gesteld. Dit vereist een extra leefgebied van 30-45 ha (15-30 ha door uitbreiding en 15 door omvorming)

    De kwaliteitseisen voor deze soort zijn sturend voor Woudaap en Blauwborst en omvatten:

    • geschikt leefgebied, bestaande uit nat rietland, moerasvegetaties (>50%) en open water (>30%)
    • helder water met goede waterkwaliteit en een hoog voedselaanbod (jonge vis, ongewervelden, amfibieën)
    • voldoende geschikte randzones (waterriet/ondiep water/oeverplantenvegetaties
    • voldoende rust en waar mogelijk het creëren van predatievrije broedgelegenheden tijdens broedperiode
    • open vijverlandschap
    • gevarieerde leeftijdsstructuur van de rietvegetaties: per broedkoppel is er nood aan min. 0,5 tot 2 ha overjarig riet of lisdodde met voldoende dikke kniklaag (opstapeling van oude stengels)
    • aanwezigheid van verlandingsvegetaties (niet enkel riet/lisdodde, maar ook ondergedoken en drijvende watervegetaties)
    • hoog waterpeil in de leefgebieden tijdens het broedseizoen

    Doel + +
    Spaanse vlag Omschrijving

    Vestiging van een leefbare populatie van meer dan 50 vlinders en de aanwezigheid van rupsen in SBZ-H BE2200032, BE2200033 en BE2200034. Er is geen extra oppervlakte doelstelling voorzien voor deze soort.

    Verbetering van de kwaliteit van het mogelijke leefgebied door onder meer het behoud, herstel van voldoende grote zonbeschenen, bloemrijke hooilanden en met een overgang naar moerasspirearuigten en bossen met mantelzoomvegetaties.

    Doel + +
    Woudaap Omschrijving

    Actueel 1 BP in de Luysen. Uitbreiding van 2-3 broedparen tot 3-4 broedparen, in het complex Luysen, Mariahof, Stamprooierbroek en Zig.
    Er is geen extra oppervlakte leefgebied nodig. De kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen inzake het leefgebied worden volledig gedekt door de doelen voor Roerdomp.
    Elk broedpaar heeft nood aan zo’n 15-25 ha geschikt leefgebied.

    Verbetering kwaliteit leefgebied is gedekt door de realisatie van de kwaliteitsdoelstellingen voor Roerdomp (zie landschap: Moeraslandschap, Roerdomp).

    Boslandschap

    Het boslandschap is belangrijk voor volgende Europese soorten en habitattypes:

    • boshabitats 9120, 9190, 91E0 (zie ook beekdalgrasland in het landschap: Moeraslandschap);
    • insecten als Vliegend hert en Juchtleerkever;
    • zoogdieren als Europese bever (zie ook vijver- moeras- en beekdallandschap: Moeraslandschap) en vleermuizen als Ingekorven vleermuis, Laatvlieger, Franjestaart, Gewone grootoorvleermuis en Baardvleermuis;
    • vogels als Middelste bonte specht, Wespendief en Zwarte specht;

    Daarbij moet aangestipt worden dat de gebieden voor het habitattype elzenbroekbos: 91E0 (SBZ-H BE2200032, SBZ-H BE2200033 en SBZ-H BE2200034) en de soorten Vliegend hert (SBZ-H BE2200033), Zwarte specht (SBZ-V BE2221314) en Wespendief (SBZ-V BE2221314) als zeer belangrijk worden ingedeeld volgens de G-IHD.

    Concreet kunnen enkele grote categorieën op vlak van doelstellingen onderscheiden worden voor de bossen:

    1. Kwaliteitsverbetering op vlak van structuur
    De boshabitats binnen dit SBZ hebben op dit ogenblik in veel deelgebieden een onvoldoende gevarieerde structuur. Door het toepassen van een natuurgericht bosbeheer in bossen zal het aandeel aan dikke bomen, dood hout, gevarieerde randen en open plekken op termijn toenemen. Dit zijn maatregelen die veel Europese en habitattypische soorten ten goede zullen komen. Dood hout is belangrijk voor o.a. de verschillende vleermuizen en vogels maar ook insecten zoals het Vliegend hert en de Juchtleerkever.
    Binnen de bosdoelstellingen worden er 10-15% open plekken voorzien die elk tot 3 ha groot kunnen zijn, deze kunnen zowel bestaan uit rbb’s (dottergraslanden, moerasspirearuigten, kleine en grote zeggevegetaties, gagelstruweel, vochtig wilgenstruweel, moerasbos van breedbladige wilgen... ) als habitattypes zoals 4010, 4030, 6230, 6430, 7140 (bovenloop Abeekvallei), … . Deze variatie van open plekken en mantelzoomvegetaties zijn nodig voor een aantal Europese soorten zoals de verschillende vleermuissoorten, Spaanse vlag, Wespendief, , Boomleeuwerik, Nachtzwaluw … maar ook voor de habitattypische soorten zoals, Nachtegaal , Zomertortel, Hazelworm, Grote weerschijnvlinder, Grote vos, Kleine ijsvogelvlinder, Bont dikkopje, Groentje, Kommavlinder, (Spiegeldikkopje), Nachtpauwoog, Boswitje, Bruine eikenpage en Boskrekel. Een goede lokale staat van instandhouding van de waterafhankelijke habitattypes en soorten kan enkel gerealiseerd worden door het herstel van de natuurlijke waterhuishouding: een (lokaal) intact grondwatersysteem (voldoende kwel en beperkte ontwatering) en een kwaliteitsvolle beekstructuur met een natuurlijk overstromingsregime …. Met het oog op een goede waterkwaliteit dient men de inspoeling van nutriëntenrijk water zoveel mogelijk te vermijden of te beperken. Dit kan bepaalde maatregelen in de infiltratiegebieden vereisen.
    De nadruk in verband met de kwaliteitsverbetering voor de droge bossen ligt op de omvorming van naaldbossen naar habitatwaardig bos. Bij de broekbossen is de voornaamste kwaliteitsdoelstelling het herstel van de natuurlijke waterhuishouding en abiotiek. Bij het herstel van de waterhuishouding zijn voorafgaande studies nodig om te kijken hoever deze invloed reikt. Het bestrijden van exoten in de bossen blijft belangrijk.

    2. De realisatie van kwalitatief degelijke grote boshabitatkernen
    De realisatie van een aantal grote en kwalitatieve boskernen, die een leefbare populatie bevatten van de grotere oppervlaktebehoevende habitattypische soorten, is een belangrijk streefdoel om een goede lokale staat van instandhouding te bereiken binnen dit SBZ-complex voor de boshabitats.
    In de droge sfeer (9190) wordt een grote kern van ongeveer 300 ha in Jagersborg beoogd, naast belangrijke kernen in het Grootbroek en de Warmbeekvallei. Hier wordt ook gestreefd naar een populatie van Groot vliegend Hert. Zo kunnen lange termijngaranties gegeven worden voor een stabiele populatie van onder meer de Europese soorten Zwarte specht, Middelste Bonte specht en Wespendief, maar evenzeer voor tal van andere habitattypische bossoorten (indicatoren van structuurrijke bossen en soorten gebonden aan randen en open plekken zoals Zomertortel). De realisatie van grote boskernen in mozaïek met open plekken in de alluviale sfeer (91E0) is van belang voor een belangrijke populatie van de Europese esoort Wespendief, en de verschillende vleermuissoorten maar evenzeer voor tal van andere habitattypische soorten van natte bossen, zoals Wielewaal, Matkop, Nachtegaal, Goudvink, Kleine IJsvogelvlinder, Grote weerschijnvlinder etc… Kernen van deze alluviale bossen worden voorzien in het Grootbroek, in de Abeekvallei en in de Itterbeekvallei. Deze dienen voor een goede lokale staat van instandhouding van de habitattypische soorten minstens 150 ha groot te zijn.
    Waar mogelijk wordt er eerst gestreefd naar deze grote kernen door middel van omvorming van niet habitatwaardig bos naar habitatwaardig bos. Vervolgens zal door effectieve uitbreiding deze grote kernen vervolledigd worden.

    3. Het degelijk bufferen van kleinere boskernen en/of verbinden van kleinere boskernen
    Dit is een algemene doelstelling die voor de kleinere boskernen binnen de verschillende deelgebieden voorgesteld wordt. Veel kleine boskernen in de deelgebieden voldoen niet aan het MSA (minimum structuurareaal) en zijn bovendien vaak in een erg intensief agrarisch gebied gelegen, waardoor ze slecht gebufferd zijn. Hierdoor is het verdwijnen van typische bossoorten in deze kernen een reëel gevaar. Door deze kernen, die vaak kleine en kwetsbare satellietpopulaties van typische soorten bevatten, te bufferen en uit te breiden of ze te verbinden met de grotere bossen, kan de kans op het lokaal uitsterven sterk worden gereduceerd. Dit gaat om verbindingen via kleinschalige bosuitbreiding tot kleine landschapselementen. Bovendien zijn deze verbindingen noodzakelijk voor de verschillende vleermuissoorten die deze lijnvormige elementen gebruiken om te migreren van hun verblijfplaatsen naar hun foerageergebieden (zie ook doelstellingen Moeraslandschap).
    Waar mogelijk wordt er eerst door middel van omvorming deze doelstelling behaald. Vervolgens zal door effectieve uitbreiding, naar deze verbindingen en kleine boskernen gestreefd worden.

    Dit zijn de drie hoofdlijnen die gevolgd werden om te komen tot volgende doelen.

    In totaal wordt er gestreefd naar 978 ha habitatwaardige, natte bossen. Om deze streefcijfers te bekomen is een toename nodig van 342 ha met als richtwaarde 144 ha bosuitbreiding. Het totale doel voor droge bossen is een totale oppervlakte van 997 habitatwaardig bos. Hiervoor is een uitbreiding van 637 ha nodig met als richtwaarde 132 ha bosuitbreiding.

    Voor een aantal Europese soorten (zie hierboven) zijn ook regionaal belangrijke biotopen belangrijk alsook de kleine landschapselementen. Hiervoor is behoud van deze actuele oppervlakte noodzakelijk : Wilgenstruweel rbbsf actueel 221 ha waarvan 106 ha in SBZ-H en 115 ha in zuiver l SBZ-V en vochtig wilgenstruweel op venige of zure bodem rbbso actueel 70 ha waarvan 36 ha in SBZ-H en 34 ha in zuiver SBZ-V…
    Met het oog op de realisatie van de doelen van het heidelandschap en het vijver- moeras en beekdallandschap (landschap: Moeraslandschap) is het soms nodig om kleine bossen om te zetten in open biotiopen en habitats.

    Habitats - Boslandschap

    Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
    Doel + +
    9120 - Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei 9190 - Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur Omschrijving

    Actueel: 360
    Toename: 637 ha met als richtwaarde 132 ha bosuitbreiding
    Totaal: 997

    • SBZ-H BE2200032: actueel ca. 30 ha (12,5 ha 9120 en 17,5 ha 9190) voornamelijk aangrenzend aan de Warmbeekvallei en Achelse Kluis. Er wordt een oppervlaktetoename voorzien van ongeveer 329 ha met als richtwaarde 19 ha bosuitbreiding. Totaal: 359 ha
    • SBZ-H BE2200033: de actuele oppervlakte van deze habitats bedraagt ca. 160 ha. Er wordt een toename voorzien van 110 ha met als richtwaarde 48 ha bosuitbreiding. Er wordt gestreefd naar grote aaneengesloten bosgebieden. Totaal: 270 ha
    • SBZ-H BE2200034: de actuele oppervlakte van deze habitats bedraagt 170 ha. Er wordt een toename voorzien van ongeveer 198 ha met als richtwaarde 65 ha bosuitbreiding. Totaal: 368 ha

    Kwaliteitseisen (Criteria Duurzaam Bosbeheer) zijn onder meer:

    • >10% dood hout en behoud staand dood hout voor domeinbossen en >4% voor de overige bossen;
    • een gevarieerde bosstructuur met 10-15% open plekken die elk tot 3 ha groot kunnen zijn. Op deze open plekken kunnen verschillende habitattypes (4010, 4030, … ) en RBB’s (bloemrijke graslanden, …) voorkomen;.
    • aandacht voor goed ontwikkelde bosranden;
    • minimale aanwezigheid van invasieve exoten in de bossen (Amerikaanse vogelkers, rododendron, …)

    Doel + +
    91E0 - Alluviale bossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) Omschrijving

    Actueel:636 ha
    Toename: 342 ha met als richtwaarde 144 ha bosuitbreiding
    Totaal: 978 ha

    • SBZ-H BE2200032: de actuele oppervlakte van dit habitattype bedraagt ca. 95 ha. Er wordt een toename van de oppervlakte met 99 ha met als richtwaarde 53 ha bosuitbreiding voorgesteld. Deze doelen moet leiden tot grotere aaneengesloten stukken habitatwaardig bos. Voor deze uitbreiding en omvorming komt in eerste instantie de vallei van de Warmbeek in aanmerking. Totaal: 194 ha
    • SBZ-H BE2200033: de actuele oppervlakte van deze habitat bedraagt ca. 390 ha. Er wordt een toename voorzien van ongeveer 166 ha met als richtwaarde 50 ha bosuitbreiding aansluitend op bestaande kernen. Totaal: 556 ha
    • SBZ-H BE2200034: de actuele oppervlakte van dit habitat bedraagt 151 ha. Er wordt een toename voorzien van ca. 77 ha met als richtwaarde 41 ha bosuitbreiding aansluitend op bestaande kernen. Totaal: 228 ha

    • Een gevarieerde bosstructuur met 15% open plekken die elk tot 3 ha groot kunnen zijn. Op deze open plekken kunnen verschillende habitattypes (3260, 6430, 7140… ) en RBB’s (rbbsm, rbbmc, rbbhc, …) voorkomen;
    • aanwezigheid van voldoende dood hout en sleutelsoorten.
    • behoud en/of herstel van een voor dit habitattype gunstige waterhuishouding (zowel kwantitatief als kwalitatief) zodat grote kernen zich kunnen ontwikkelen.
    • structuurrijke bosranden.
    • De waterhuishouding is voor deze bossen zeer belangrijk. Er wordt gestreefd naar een voldoende hoge grondwaterstand.

    Soorten - Boslandschap

    Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
    Doel = +
    Baardvleermuis, Franjestaart, Gewone dwergvleermuis, Gewone/Grijze grootoorvleermuis, Laatvlieger Omschrijving

    Minstens behoud van de actuele populaties.

    Behoud en kwaliteitsverbetering van de bestaande de leefgebieden, behoud en verder uitbouwen van de connectiviteit tussen de jachtgebieden, de kolonieplaatsen en de overwinteringsgebieden.
    Er moeten voldoende holle bomen aanwezig zijn aangezien deze soorten deze ook als verblijfplaatsen gebruiken.
    Betere inrichting van kolonieplaatsen (kerken, zolders, ..) en vermijden van verlichting van uitvliegplaatsen. Inrichten van winterverblijven (kelders, forten, groeven, bunkers, ..) en zomerverblijven (kerken, zolders, ..).
    Toename kleinschaligheid en het behoud van lijnvormige elementen tussen woonkernen (geschikte kolonieplaatsen in gebouwen) en geschikte jachtgebieden.

    Doel = =
    Kleine dwergvleermuis Omschrijving

    Behoud van de huidige aantallen in de Warmbeekvallei.

    Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied. Er moeten voldoende holle bomen aanwezig zijn aangezien deze soorten deze ook als verblijfplaatsen gebruiken.

    Doel + +
    Middelste bonte specht Omschrijving

    Minstens behoud van de actuele broedparen (5-10 BP). Er is geen extra oppervlakte leefgebied nodig. Deze doelstelling is gedekt door de doelstellingen van de boshabitats.

    Kwaliteitsdoelstellingen grotendeels gedekt door de doelstellingen van de boshabitats 9120 en 9190.
    Belangrijk is tevens het algemene bewarend beleid ten aanzien van oude en dikke bomen, in het bijzonder inlandse eiken (of andere loofhoutsoorten met ruwe stam) en het verhogen van het aandeel dood hout

    Doel + +
    Vliegend hert Omschrijving

    Actueel enkele losse waarnemingen in Jagersborg (BE2200034) en Stramprooierbroek (BE2200033) Uitbouw van een duurzame populatie in het Stamprooierbroek (o.a.Staatsbos) en Jagersborg, met elk meer dan 30 losse waarnemingen per jaar en elk meer dan 2 broedplaatsen. Er is geen extra oppervlakte leefgebied nodig. De realisatie van de benodigde leefgebieden behoeft geen extra leefgebied ten opzichte van wat al nodig is om de doelen voor de boshabitats 9120 en 9190 te bereiken.

    Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied door

    • realisatie van ijle bosstructuren en open plekken aan de zuidranden en zuidhellingen van het bos. Maximale overschaduwing boomlaag: 50 %
    • continuïteit beschikbaarheid van voldoende dood hout, verspreid over het bos maar in het bijzonder nabij potentiële en effectieve broedplaatsen. Streefcijfers: min. 3 dikke (diam. > 50 cm) dode bomen/ha en de continuïteit van dit aanbod garanderen. Aanleg van kunstmatige broedhopen op geschikte locaties tot deze streefcijfers gerealiseerd worden
    • maximaal behoud van oude of zieke, aftakelende bomen (kwijnende bomen). Richtcijfer > 3 dikke De doelstellingen worden grotendeels gedekt door deze van de habitats 9120 en 9190.

    Doel + +
    Wespendief Omschrijving

    Minstens behoud van de actuele kernpopulatie (23-29 BP). De realisatie van de benodigde leefgebieden behoeft geen extra leefgebied ten opzichte van wat al nodig is om andere doelen te bereiken. De doelstelling vereist evenwel het behoud van een grote oppervlakte kwalitatief leefgebied, waarbij het het behoud van de grote kwaliteitsvolle bos- en natuurkernen maar vooral het minimaal behoud van de kwaliteitsvolle open ruimte met hoge basisnatuurkwaliteit essentieel zijn.

    Kwaliteitsverbetering van de grote bos- en natuurkernen maar ook het minimaal behoud of toename van de kwaliteitsvolle open ruimte met hoge basisnatuurkwaliteit zijn essentieel. Het foerageergebied bestaat uit > 1500 ha geschikt mozaïeklandschap in. Dit houdt onder meer een verbetering en het behoud van de actuele RBB’s, historisch permanente graslanden, de overige graslanden, de kleine landschapselementen en andere biologisch minder waardevolle tot zéér waardevolle ecotopen in.

    Doel + +
    Zwarte specht Omschrijving

    Minstens behoud van de actuele populaties (19-25 BP). De realisatie van de benodigde leefgebieden behoeft geen extra leefgebied ten opzichte van wat al nodig is om andere doelen te bereiken.

    Kwaliteitsdoelstellingen gedekt door de doelstellingen inzake droge bos- en heidehabitats.

    Heidelandschap

    Het heidelandschap is belangrijk voor een reeks van Europese soorten en habitattypes waaronder:

    • heidehabitats van landduinen (habitattype 2310 en 2330), Vochtige heide en Snavelbiesvegetaties (habitattype 4010 en 7150), Droge heide (habitattype 4030) en Heischrale graslanden (habitattype 6230); rbb struisgrasland;
    • voedselarme tot matige voedselrijke stilstaande wateren (habitattype 3130);
    • planten zoals de Drijvende waterweegbree;
    • ongewervelden zoals Gevlekte witsnuitlibel;
    • amfibieën zoals Heikikker, Poelkikker en Rugstreeppad;
    • reptielen zoals Gladde slang;
    • de broedvogels Boomleeuwerik en Nachtzwaluw;
    • Ingekorven vleermuis;

    Volgende habitattypes en soorten worden als zeer belangrijk bestempeld in de G-IHD: Voedselarme tot matige voedselrijke stilstaande wateren: 3130 (BE2200034); Droge heide: 4030 (BE2200032, BE2200033 en BE2200034); Heischrale graslanden: 6230 (BE2200034); Gevlekte witsnuitlibel (BE2200032) en Boomleeuwerik (SBZ-V BE2221314).

    De doelstellingen liggen bij de ontwikkeling en het herstel van grote, aaneengesloten, heide- en vennencomplexen in het Hageven en het complex Achelse Kluis / Beverbeekse heide. Beide gebieden vormen een grensoverschrijdend natuurgebied. Op kleinere schaal worden de heidehabitats in Bergerven vergroot. Er wordt gestreefd naar een totaal van 368 ha droge heide en droge, schrale graslanden en vochtige heide en venige habitats.

    Essentieel is het realiseren van een aaneengesloten open heidegebieden om voldoende leefgebied voor duurzame populaties van Heikikker (landhabitat in Hageven en Warmbeekvallei), Rugstreeppad (Landhabitat Bergerven), Gevlekte witsnuitlibel (Warmbeekvallei en Hageven), Gladde slang (leefgebied Bergerven) en populaties van Boomleeuwerik (foerageergebied) en van Nachtzwaluw ) te bekomen. Voor een aantal soorten (amfibieën en vleermuizen) is het verbinden van de actueel gescheiden leefgebieden (door ontsnipperingsmaatregelen) noodzakelijk binnen SBZ.

    Grote delen vochtige heide zijn vergrast met pijpenstrootje of verbost. Door onder meer het dempen van ontwateringsgrachten kan hier de verzuring en verdroging verder worden tegengegaan. In de droge sfeer zijn landduinvegetaties en open stuivend zand vaak door gebrek aan beheer geëvolueerd naar een naaldbos. Een belangrijke taak ligt in het herstellen van deze landduinvegetaties en van het heischraal grasland.

    Voor talrijke Europese soorten zijn ook regionaal belangrijke biotopen zoals bremstruwelen belangrijk alsook vennen en struisgraslanden. Hiervoor is behoud van de actuele oppervlaktes van deze rbb’s noodzakelijk. Deze doelstellingen zijn ook nodig voor een goede lokale staat van instandhouding van een hele reeks habitattypische soorten en zoals Heidesabelsprinkhaan, Blauwvleugelsprinkhaan, Veldkrekel, Heivlinder, Groentje, Heivlinder, Heideblauwtje, Gentiaanblauwtje, Kommavlinder, Heikikker, Poelkikker, Rugstreeppad, Kempense heidelibel, Noordse en gewone venwitsnuitlibel, Koraaljuffer, en Klokjesgentiaan.

    Habitats - Heidelandschap

    Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
    Doel + +
    2310 – Psammofiele heide met Calluna- en Genistasoorten en 2330 - Open grasland met Corynephorus- en Agrostissoorten op landduinen Omschrijving

    Actueel: 8 ha 2310 en 10 ha 2330
    Toename: 25-30 ha door omvorming
    Totaal: 48 ha

    SBZ-H BE2200032: de huidige oppervlakte van de habitattypes 2310 en 2330 is respectievelijk 8 ha in het Hageven en 10 ha in de Achelse kluis / Beverbeekse heide.
    Er wordt een toename van 30 ha voorzien door omvorming. Er wordt gestreefd naar één aaneengesloten oppervlakte van in het complex Beverbeekse heide/ Achelse Kluis.
    Totaal 48 ha

    Nastreven van een goede structuurvariatie van de habitats met open, (stuivend) zand, buntgrasvegetaties, mostapijtjes en korstmosvegetaties voor schraallanden van landduinen. Voor duinheiden wordt gestreefd naar een voldoende groot aandeel naakte bodem afgewisseld met Struikheide van gevarieerde ouderdom.

    Doel + +
    3130 - Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot het Littorelletalia uniflorae en/of Isoëto-Nanojuncetea Omschrijving

    Actueel: 55,5 ha
    Uitbreiding door omvorming : 5 ha
    Totaal: 60,5 ha

    • SBZ-H BE2200032: actueel is er 7 ha. Er wordt een uitbreiding voorzien van 5 ha door omvorming van een aantal zure vennen op de linkervalleiflank van de Dommel (met onder meer de Waterbiesvennen, het Kranenven, het Sluisven, het Kuilven en het Nieuw kraaieven).
    • SBZ-H BE2200033: behoud van actueel voorkomen (0,5ha) en toename van 1 ha.
    • SBZ-H BE2200034: voor de geherstructureerde grindplassen van het Bergerven wordt het behoud van de actuele oppervlakte van ongeveer 48 ha voorzien.

    Goede tot uitstekende kwaliteit:

    • Permanent herstel van het historische waterpeil van de vennen door het opheffen van de drainage in de Achelse Kluis.
    • Geschikte waterkwaliteit: geen interne en externe eutrofiëring.
    • Om windwerking toe te laten is het open houden van de dijken van belang.

    Doel + +
    4010 – Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix 7150 - Slenken in veengronden met vegetatie behorend tot het Rhynchosporion Omschrijving

    Actueel: 36,74 ha
    Toename: 45 ha
    Totaal: 82 ha

    • SBZ-H BE2200032: actueel: 26,74 ha. In het Hageven wordt een oppervlakte-uitbreiding voorzien van 9 ha (cfr. LIFE-project Dommeldal). In de Warmbeekvallei en de Achelse Kluis wordt een oppervlaktetoename voorzien van 10 ha door omvorming van naaldhoutbestanden en verboste heide in de vallei van de Warmbeek en door afgraven van de voedselrijke bouwvoor en herstel van de hydrologie in de Achelse Kluis. Voor het habitattype 7150 wordt het behoud van de actuele oppervlakte voorzien. Lokale uitbreiding is mogelijk bij herstel van de habitatkwaliteit en gebeurt in complex met type 4010. In voldoende grote heide-vennen-complexen kan een zekere dynamiek gebracht worden onder de vorm van wisselende waterstanden in depressies en vennen, betreding door grazers en lokaal plaggen.
    • SBZ-H BE2200033: behoud van de actuele oppervlakte van habitattype 4010 van 1,9 ha in het Stamprooierbroek. toename met richtwaarde voor uitbreiding van 1 ha. Tot een totaal van 3 ha.
    • SBZ-H BE2200034: de actuele oppervlakte 4010 bedraagt 8 ha. Er wordt een toename van 25 ha naar een totale oppervlakte van 33 ha voorzien.

    De goede staat van het habitattype kan op meerdere plaatsen bereikt worden door het terugdringen van vergrassing. Intensief beheer van de vochtige heide (maaien, plaggen, ...) en het herstel van de natuurlijke hydrologie. Beide habitattypes vereisen continu beheer omwille van hun pionierskarakter.

    Doel + +
    4030 - Droge Europese heide Omschrijving

    Actueel: 58 ha
    Toename: 47 ha
    Totaal: 105 ha

    • SBZ-H BE2200032: de huidige oppervlakte bedraagt 48 ha. Er wordt een oppervlaktetoename voorzien in de regio van de Achelse Kluis en in het Hageven.
    • SBZ-H BE2200033: behoud van actuele oppervlakte (5ha).
    • SBZ-H BE2200034: de actuele oppervlakte van 5 ha neemt toe tot een totale oppervlakte van 10 ha door omvorming op de steilrand.

    • Nastreven van het voorkomen van alle ouderdomsstadia van Struikhei van pionier- tot degradatiestadium in functie van een hoge structuurrijkdom en het voorkomen van een aantal habitattypische soorten.
    • Tegengaan van vergrassing door terugdringen van verzurende en eutrofiërende depositie. Het beheer richten op het terugdringen van vergrassing door het maaien en plaggen.
    • Tegengaan van verbossing door het verwijderen van houtige opslag zoals grove den.

    Doel + +
    6230 - Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa) Omschrijving

    Actueel: 9 ha
    Toename: 16 ha
    Totaal: 25 ha

    • SBZ-H BE2200032: behoud van de actuele oppervlakte 0,45 ha.
    • SBZ-H BE2200033: de actuele oppervlakte is 5 ha. Deze oppervlakte zal toenemen met 1 ha tot een totaal van 6 ha.
    • SBZ-H BE2200034: de huidige oppervlakte in Bergerven bedraagt 4 ha. Er wordt een toename voorzien van 15 ha, zodat de totale oppervlakte minstens 19 ha bedraagt. De richtwaarde voor omvorming bedraagt 3ha. Ter hoogte van de Itterbeek zal circa 6 ha via schraalgraslandherstel Life-project Itter worden gerealiseerd.

    Er wordt gestreefd naar soortenrijke Heischrale graslanden met een hoge bedekking van sleutelsoorten en een vegetatie die laag blijft.

    • Beperken van de strooisellaag, vervilting en boomopslag (<10%) en bufferen tegen externe invloeden
    • Extensief gebruik van deze graslanden zorgt voor een hogere abundantie aan ongewervelden en de hierop prederende fauna.

    Soorten - Heidelandschap

    Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
    Doel + +
    Boomleeuwerik Omschrijving

    Minstens behoud van de actuele populaties (25-29 BP).

    Verbetering van de kwaliteit van de heide, landduin- en boshabitats. Deze doelstelling spoort samen met de kwaliteitsdoelstellingen voor de habitats 2310, 2330, 4010, 4030, 9120 en 9190. Verder zijn de kwaliteitseisen

    • Voldoende plekken open zand
    • Golvende bosranden in de overgang van bos naar heide
    • Open plekken in het bos
    • Sturing van de recreatie is belangrijk om voldoende broedrust te kunnen garanderen op potentiële broedplekken.

    Doel + +
    Drijvende waterweegbree Omschrijving

    SBZ-H BE2200032:
    Voor SBZ-H BE2200032 wordt gestreefd naar leefbare populaties in het Hageven. Hierbij wordt gestreefd naar groeiplaatsen met een minimale oppervlakte van 50 m2 of een populatie van meer dan 100 planten.
    SBZ-H BE2200034:
    Voor SBZ-H BE2200034 wordt gestreefd naar twee leefbare populaties op Bergerven. Hierbij wordt gestreefd naar groeiplaatsen met een minimale oppervlakte van 50 m2 of een populatie van meer dan 100 planten.

    De soort overlapt voor een aanzienlijk deel met de doelen voor habitat 3130 (begeleidend doel). Herstel van de waterkwaliteit (vervuiling, eutrofiëring en verzuring) zijn cruciaal voor beide doelen. Daarnaast is het ruimen van organisch sediment op de waterbodem en het instellen van gefaseerd beheer cruciaal voor het in stand houden van de soort.

    Doel + +
    Gevlekte witsnuitlibel Omschrijving

    Ontwikkeling deelpopulatie in de omgeving van het Wolfsven in Hamont en in het Hageven. Er wordt telkens gestreefd naar een populatie van minstens 10 exemplaren waar ook voortplanting plaatsvindt.

    • Bedekking met drijvende en ondergedoken waterplanten van 10-70%
    • Zonbeschenen plassen zonder vis
    • Successie terugdringen
    • Nadruk op overgangen tussen verlandingsveen en waterhabitats die niet verzuurd zijn en met een voldoende dekking met drijvende en ondergedoken waterplanten en een visvrij tot maximaal visarm waterlichaam
    • Tegengaan eutrofiering.

    Doel + +
    Gladde slang Omschrijving

    Streven naar een populatie in Bergerven populatie, met minstens 5 adulte dieren per 2km waarbij elk jaar voldoende voortplanting is (huidig <1 adult dier/2km).

    In stand houden van open terrein (i.e. geen verboste stukken) met losse ondergrond. De verbinding van de actueel gescheiden leefgebieden door ontsnipperingsmaatregelen is noodzakelijk. Deze doelstellingen sporen samen met de kwaliteitsdoelstellingen voor de habitattypes van droge en natte heide (2330, 4010, 4030 en 6230).

    Doel + +
    Heikikker Omschrijving

    Er wordt gestreefd naar een populatie in het Hageven (BE2200032-1), in de Warmbeekvallei (BE2200032-2) en in de Brand (BE2200034) met minstens 200 roepende mannetjes (of eiklompjes) met elk jaar voldoende voortplanting.

    Voldoende zonnige, mesotrofe, plantenrijke plassen die het ganse jaar water bevatten. De oeverzone is meer dan 50% voorzien van abundante vegetatie.
    Tegengaan predatie door vis. Vennen zonder beschaduwing en niet te verzuurd ifv ontwikkeling eieren.
    Voor het landhabitat van de Heikikker is de instandhouding van vochtige heide en laagveen noodzakelijk. Hiervoor is het herstel nodig van de natuurlijke hydrologie met een hoge (grond)waterstand.
    De verbinding van de actueel gescheiden leefgebieden door ontsnipperingsmaatregelen is noodzakelijk.
    Deze doelstellingen sporen samen met de kwaliteitsdoelstellingen voor de vochtige heidehabitats (4010, 7140 en 7150) en de venhabitats (3110 en 3160).

    Doel = +
    Ingekorven vleermuis Omschrijving

    Behoud van het actueel voorkomen.

    Verbetering van de huidige connectiviteit van het landschap dat dient als migratieroute tussen de jachtgebieden, de kolonieplaatsen en overwinteringsgebieden.

    Doel + +
    Nachtzwaluw Omschrijving

    Minstens behoud van de actuele populaties (25-27 BP).

    Deze worden grotendeels gedekt door de kwaliteitsdoelstellingen van Boomleeuwerik (zie Boomleeuwerik). Daarnaast is de soort gebaat bij solitaire loofbomen en grove dennen met lage takken.

    Doel + +
    Rugstreeppad Omschrijving

    Creëren van een duurzame populatie (minstens 200 roepende mannetjes) ter hoogte van de Achelse Kluis (SBZ-H BE2200032) en Bergerven (SBZ-H BE2200034). Er is geen extra oppervlakte leefgebied nodig.

    Instellen van een optimale kwaliteit van het water- en landhabitat. Vooral ondiepe, visvrije voortplantingsplassen die snel kunnen opwarmen zijn nodig voor deze soort. De verbinding van de actueel gescheiden leefgebieden door ontsnipperingsmaatregelen is noodzakelijk. De doelstelling wordt gedekt door de kwaliteitsvereisten van habitat 3130.

    Bocagelandschap met graslandcomplexen

    Het bocagelandschap is belangrijk voor een reeks van Europese soorten en habitattypes waaronder:

    • Glanshaverhooilanden met Grote pimpernel 6510;
    • Blauwgraslanden 6410;
    • amfibieën zoals Boomkikker, Kamsalamander, Heikikker en Poelkikker;
    • verschillende vleermuissoorten (zie ook doelstellingen landschap Boslandschap);
    • de broedvogels Grauwe klauwier,;

    Hierbij wordt onderstreept dat de gebieden voor het habitattype Glanshaverhooilanden met subtype Grote pimpernel: 6510 (BE2200032) en de soorten Boomkikker en Grauwe klauwier essentieel en Kamsalamander (BE2200034) zeer belangrijk zijn op Vlaamse schaal (cfr. G-IHD).

    Bepalend voor de oppervlakte en kwaliteitsdoelstellingen zijn in de eerste plaats de noodzaak aan voldoende leefgebied voor een populatie Grauwe klauwier. Er worden twee kernen van telkens 10 broedparen voorzien, één in Sint-Martensheide en één in de Brand. Per kern van 10 BP is er 100 ha geschikt leefgebied nodig. Dit leefgebied bestaat hoofdzakelijk uit bloem- insectenrijke graslanden met doornstruweel. Hiervoor wordt er 120-130 ha extra leefgebied voorzien. Buiten de voorgestelde doelen van 6510 en 6230 bestaat dit extra leefgebied hoofdzakelijk uit rbb’s zoals kamgraslanden: rbb , doornstruweel: rbbsp, oligo- en mesotrofe wateren: rbbbao/am, en bloemrijke graslanden: hp*). Deze worden voorzien in Sint-Maartensheide en Itterbeek-Brand om de versnippering van leefgebied Grauwe klauwier tegen te gaan. Met deze doelstelling wordt deels ook het leefgebied van de Boomkikker en Kamsalamander uitgebreid. Voor deze amfibieën is echter een verbinding nodig om via kleine landschapselementen zoals hagen, bosranden, poelen de omliggende potentiële gebieden te kunnen koloniseren. Deze verbindingen zijn nodig telkens beginnende van de bronpopulatie in de Brand naar enerzijds Stamprooierbroek en Sint-Maartensheide en anderzijds via Jagersborg naar den Tösch (Ook wordt er 1 ha toename voorzien onder de vorm van poelen waarvan ca. 0,25 ha in Sint-Maartensheide, ca. 0,25 ha in de Brand en ca. 0,5 ha in den Tösch. Ook voor Grauwe klauwier is het voorzien van een effectieve verbinding onder de vorm van kleine landschapselementen tussen de Brand en de St-Maartensheide ideaal als onderdeel van zijn leefgebied. Aangezien voor al deze Europese soorten (Grauwe klauwier, Boomkikker, Kamsalamander, Hei-, Poelkikker, de verschillende vleermuissoorten) en de habitattypische soorten (zoals, Bramensprinkhaan, Geel- en Zwartsprietdikkopje, Koninginnepage, Oranje en Bruin zandoogje, Groot dikkopje…)… rbb’s en bloemrijke graslanden noodzakelijk zijn is één van de doelstellingen ook minstens het behoud van deze actuele graslanden en RBB’s. Ook weidevogels als Wulp en Grutto hebben nood aan deze graslanden.

    In de Wateringen in Lommel streeft men naar een kern Glanshaverhooiland met Grote pimpernel van 25 ha hierbij is een toename voorzien van 7 ha boven op de actuele 18 ha. Het herstellen van het bevloeiingssysteem en van het hooilandbeheer is noodzakelijk samen met een goede waterkwaliteit om deze doelstellingen te halen.

    Om voldoende oppervlakte habitat en/of leefgebied voor deze soorten te bekomen is het aaneensluiten en versterken van de bestaande leefgebieden noodzakelijk. Dit aangezien het bocagelandschap versnipperd voorkomt over heel het gebied. Ook continue aanvoer van kanaalwater moet gegarandeerd zijn in tijden dat er bevloeid moet worden, dit voor behoud en verbetering van 6510 als ook voor soorten als Bittervoorn.

    Habitats - Bocagelandschap met graslandcomplexen

    Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
    Doel + +
    6410 - Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Molinion caeruleae) Omschrijving

    Actueel: 0,5 ha
    Toename door omvorming : 1 ha
    Totaal: 1,5 ha
    SBZ-H BE2200033: behoud van actuele oppervlakte van 0,5 ha en toename door omvorming met 1 ha in de Vallei van de Abeek.

    Oplossen van verstoring van de waterhuishouding, eutrofiëring en/of verzuring, vegetatiewijziging.

    De habitat bestaat uit mesotrofe graslanden met een vegetatie <50 cm en een bedekking van lage schijngrassen die hoger is dan 30%. De bedekking van de sleutelsoorten is >30% en, indien aanwezig heeft de strooisellaag en de verruiging een bedekking <10%. De graslanden dienen gebufferd te zijn tegen externe invloeden en hebben geen graag zon (geen beschaduwing).
    Nastreven van de natuurlijke hydrologie van de vallei (grondwater) en gericht beheer.

    Doel + +
    6510 - Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis) Omschrijving

    Actueel: 36,5 ha
    Toename: 17 ha, met als richtwaarde voor omvorming 13ha
    Totaal: 54 ha

    • SBZ-H BE2200032: In BE2200032 is actueel 21 ha aanwezig en wordt er in totaal 12 ha toename voorzien tot een totaal van 33 ha. In de Lommelse Wateringen wordt een uitbreiding van het habitat 6510 (subtype glanshavergraslanden met Grote pimpernel) voorzien van 7 ha door omvorming. Met een huidige oppervlakte van 18 ha, is de oppervlaktedoelstelling in totaal 25 ha. (Dit zal plaatselijk ten koste gaan van 6430 dat dan elders binnen het SBZ-complex gecompenseerd moet worden via open plekken in 91E0). De rest van de oppervlaktetoename (5ha) kan gerealiseerd worden in het Hageven of de Wambeekvallei. Minimum behoud actuele oppervlakte van 3 ha in het Hageven. Hier zijn ook uitbreidingsmogelijkheden.
    • SBZ-H BE2200033: behoud van actuele oppervlakte van 6,5 ha.
    • SBZ-H BE2200034: actuele oppervlakte van ca. 9 ha. Toename met 5 ha. Ter hoogte van de Itterbeek zal circa 3 ha via schraalgraslandherstel Life-project Itter worden gerealiseerd.

    • Herstellen van de habitatkwaliteit door het herstellen van het bevloeiingssysteem en van het hooilandbeheer.
    • Beperken van verbossing, eutrofiering, strooisellaag.
    • Nastreven van een lokaal goede staat van instandhouding van habitattypische soorten zoals Bramensprinkhaan, Geel- en Zwartsprietdikkopje, Koninginnepage, Oranje en Bruin zandoogje, Groot dikkopje, Gouden sprinkhaan.

    Soorten - Bocagelandschap met graslandcomplexen

    Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
    Doel = +
    Blauwe kiekendief Omschrijving

    Behoud van het belang van het gebied als overwinteringsgebied. Deze aantallen kunnen natuurlijk jaarlijks schommelen.

    Garanderen van rust in de slaapplaatsen.
    Het bevorderen van voedselaanbod in agrarische gebieden (bv. onbewerkte randstroken langs akkers, braakliggende akkers, verruigd grasland, …)
    Behoud van de openheid van het landschap in belangrijke overwinteringsgebieden.

    Doel + +
    Boomkikker Omschrijving

    • Behoud van de populatie in de vallei van de Itterbeek (Brand) (actueel goede LSVI);
    • de realisatie van populaties in een goede LSVI. In enerzijds Stamprooierbroek, Sint-Maartensheide/Luysen en anderzijds Tösch-Langeren: minstens 200 roepende mannetjes per populatie, waarbij elk jaar voldoende voortplanting is);
    • een populatie van 50-100 roepende mannetjes in Jagersborg. Deze moet dienen als een step-stone tussen de populatie van de Brand en den Tösch;
    • er is 1 ha extra oppervlakte leefgebied nodig; De resterende oppervlaktedoelstellingen zijn grotendeels gedekt door de doelstellingen van Grauwe klauwier (zie Grauwe klauwier); de uitbreiding van het leefgebied met 1 ha wordt indicatief als volgt gelokaliseerd: 0,25 ha in Sint-Maartensheide, 0,25 ha in de Brand en 0,5 ha in den Tösch.

    Qua waterbiotoop

    • Het creëren van visvrije waterpartijen. Minimum 5 kleine (<100m²) of 2 grote plassen (>100m²) per populatie.
    • Het streven naar waterpartijen met voldoende oppervlakte open water en gevarieerde ondergedoken en drijvende watervegetaties.
    Qua landbiotoop

    • Het behoud en versterken van het kleinschalig landschap met ruigtevegetaties (rbbhf, rbbmc), bloemrijke graslanden (rbbhc), houtwallen, bosranden en braamstruwelen met een oppervlakte van meer dan 20 ha per populatie. Dit landbiotoop moet zo goed mogelijk aansluiten bij de voortplantingsbiotopen.
    Qua corridors

    • Creatie of optimalisatie van functionele corridors via hagen, houtkanten, bloemrijke graslanden, poelen
      • Van de Brand naar Stamprooierbroek en Sint-Maartensheide
      • Van de Brand, via Jagersborg naar den Tösch
      • In het Smeetshof
      Deze corridors zijn gelegen binnen SBZ-V en gaan van het ene SBZ-H naar het andere.

    Doel + +
    Grauwe klauwier Omschrijving

    Actueel 1 -3 broedpa(a)r(en). Uitbreiding tot een kernpopulatie in Noordoost-Limburg van 10 BP in Sint-Maartensheide en 10 BP in Itterbeek-Brand.
    Voor het behalen van een goede staat van instandhouding wordt er 120-130 ha extra leefgebied (kamgraslanden en rbbsp) voorzien (via effectieve uitbreiding) in Sint-Maartensheide en Itterbeek-Brand bovenop de eerder in het rapport benoemd oppervlaktes Europees te beschermen habitats (6510, 6230) om in totaal tot twee kernen van elk ongeveer 100 ha geschikt leefgebied te komen De twee kernen dienen wel met elkaar verbonden te worden door een voldoende dicht netwerk van kleine landschapselementen. Dit houdt enerzijds het herstel in en maar mogelijk de ontwikkeling van kleine landschapselementen.
    Behoud van telkens elk één broedpaar Aan de watering ‘De Holen’ en het Smeetshof (beiden enkel SBZ-V)

    Verbetering van de kwaliteit van het leefgebied naar bloemrijke en insectenrijke graslanden.
    Instandhouding, herstel en ontwikkeling van kleinschalig, relatief extensief beheer landbouwgebied met een grote dichtheid aan lage, kleine landschapselementen met aandacht voor braamstruweel.
    Het streefbeeld is een landbouwlandschap met 5-10% extensief beheerde elementen.
    Zo veel mogelijk vermijden van gebruik van bestrijdingsmiddelen met het oog op diverse (grote) insectenfauna.
    Vermijden van geluidsverstoring.

    Doel + +
    Heikikker Omschrijving

    Er wordt gestreefd naar een populatie in het Hageven (BE2200032-1), in de Warmbeekvallei (BE2200032-2) en in de Brand (BE2200034) met minstens 200 roepende mannetjes (of eiklompjes) met elk jaar voldoende voortplanting.
    Bij de populatie in het Hageven moet men streven naar een mogelijkheid tot uitwisseling met de populatie in Nederland. Er is geen extra oppervlakte nodig.

    Vennen zonder beschaduwing en niet te verzuurd ifv ontwikkeling eieren.
    Voldoende zonnige, mesotrofe, plantenrijke plassen die het ganse jaar water bevatten. De oeverzone is meer dan 50% voorzien van abundante vegetatie en in de buurt liggen geen verkeerswegen.
    Visvrij houden van de poelen (Amerikaanse hondsvis).

    Doel + +
    Kamsalamander Omschrijving

    Behoud van de populatie aanwezig in de Brand, Jagersborg en Stamprooierbroek.
    Uitbouw van de huidige populatie in het Stamprooierbroek, ’t Hasselt en in Plateaux/Hageven (Neerpelt) en Smeetshof (enkel SBZ-V) tot een populatie in goede staat van instandhouding (> 50 adulte dieren en > 50 larven of eieren).
    Uitbreiding van de aantallen Kamsalamander is mogelijk door kwaliteitsverbetering van het leefgebied. Er is geen extra oppervlakte leefgebied nodig. De oppervlaktedoelstellingen zijn gedekt door de doelstellingen van Boomkikker.

    Kwaliteitsdoelen nagenoeg volledig gedekt door de doelen van Boomkikker (Zie Landschap Bocagelandschap met graslandcomplexen: Boomkikker).
    In het Hageven-Les Plateaux dient naast kwaliteitsverbetering eveneens extra habitat in de vorm van waterpartijen gecreëerd te worden.

    Doel + +
    Poelkikker Omschrijving

    Creëren van verschillende duurzame populaties in goede staat van instandhouding in de Brand, in Bergerven en in het Hageven. Hierbij wordt gestreefd naar minstens 200 roepende mannetjes per populatie. Bij de populatie in het Hageven moet men streven naar een mogelijkheid tot uitwisseling met de populatie in Nederland.
    Er is geen extra oppervlakte nodig.

    Natuurlijke hydrologie optimaliseren. Deze doelstelling gaat samen met de kwaliteitsdoelstelling voor de oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren (3130) en vochtige heidehabitats (4010).
    Aandacht besteden aan de problemen van eutrofiëring en verzuring.
    Het verhinderen van hybridisatie van poelkikker met meerkikker.

    Doel + +
    Wespendief Omschrijving

    Minstens behoud van de actuele kernpopulatie (23-29 BP). De realisatie van de benodigde leefgebieden behoeft geen extra leefgebied ten opzichte van wat al nodig is om andere doelen te bereiken. De doelstelling vereist evenwel het behoud van een grote oppervlakte kwalitatief leefgebied, waarbij het het behoud van de grote kwaliteitsvolle bos- en natuurkernen maar vooral het minimaal behoud van de kwaliteitsvolle open ruimte met hoge basisnatuurkwaliteit essentieel zijn.

    Buiten de kwaliteitsdoelstellingen van het Boslandschap heeft de Wespendief ook nood aan insectenrijke foerageergebieden.

    Vogelrichtlijngebied buiten Habitatrichtlijngebied

    Er wordt gestreefd naar behoud van de actuele natuurwaarden zowel op vlak van Europese habitattypes, Europese soorten maar ook naar behoud van huidige oppervlakte RBB’s en andere natuurwaarden graslanden, houtkanten, poelen, … en Regionaal Belangrijke soorten zoals de weidevogels Wulp en Grutto. Wel wordt er naar een kwaliteitsverbetering gestreefd in deze habitattypes, RBB’s en leefgebieden (zie doelstellingen van habitats en soorten).

    Soorten - Vogelrichtlijngebied buiten Habitatrichtlijngebied

    Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
    Doel = +
    Blauwe kiekendief Omschrijving

    Behoud van het belang van het gebied als overwinteringsgebied. Deze aantallen kunnen natuurlijk jaarlijks schommelen.

    Garanderen van rust in de slaapplaatsen. Het bevorderen van voedselaanbod in agrarische gebieden (bv. onbewerkte randstroken langs akkers, braakliggende akkers, verruigd grasland, …). Behoud van de openheid van het landschap in belangrijke overwinteringsgebieden.

    Doel = +
    Boomkikker Omschrijving

    Buiten SBZ-H zijn geen populatiedoelstellingen opgesteld.

    Voor de doelstellingen binnen SBZ-H te kunnen halen zijn er verbindingen nodig tussen de geschikte leefgebieden deze zijn deels gelegen buiten SBZ-H binnen SBZ-V: Creatie of optimalisatie van functionele corridors voor de soort die bestaat uit kleine landschapselementen zoals hagen, houtkanten, struwelen, bloemrijke graslanden of poelen

    • van de Brand naar Stamprooierbroek en Sint-Maartensheide;
    • van de Brand, via Jagersborg naar den Tösch;
    • in het Smeetshof.

    Doel + +
    Bruine kiekendief Omschrijving

    Buiten SBZ-H zijn geen broedgebieden afgebakend.

    • Broedgebied: verbetering kwaliteit broedgebieden.
    • Foerageergebied: er is een herstel nodig van de kwaliteit van het foerageergebied (voldoende kwalitatieve open ruimte) rondom de broedgebieden, in het bijzonder in de volgende gebieden
      • gebied Veldhoven (omgeving Smeetshof en langsheen de Raambeek)
      • open ruimte ten oosten van het Hageven richting Achelse kluis
      In concreto komt dit neer op een behoud of herstel van vochtige weilanden (rbbhc, rbbhf, rbbmc, rbbms), bloemrijke graslanden en cultuurlanden met veel voedselaanbod (muizen, konijnen, ..) en kleine landschapselementen. Per koppel Bruine kiekendief is ongeveer 200 ha kwalitatief foerageergebied noodzakelijk.
    • Voldoende hoge waterstand tijdens de broedperiode om predatie tegen te gaan.
    • Minimale rustverstoring.

    Doel = +
    Grauwe klauwier Omschrijving

    Behoud van één broedpaar in de omgeving van de watering ‘De Holen’ en één broedpaar het Smeetshof

    Behoud huidige oppervlakte leefgebied m.a.w. behoud van huidige Europese habitattypes en RBB’s en kwaliteitsverbetering.

    Het leefgebied van Grauwe klauwier profiteert mee bij de doelstellingen van leefgebied Bruine kiekendief en de corridor voor Boomkikker.

    Doel + +
    Roerdomp Omschrijving

    in het SBZ-V wordt 1 broedpaar tot doel gesteld. Voor elk broedpaar dient 30-50 ha geschikt leefgebied aanwezig te zijn. Om de globale doelstellingen te realiseren is naast de kwaliteitsverbetering van het bestaand leefgebied, een toename nodig van 15 ha door omvorming en 15-30 ha (open water en moeras) door effectieve uitbreiding nodig binnen SBZ-V.

    Geschikt leefgebied, bestaande uit nat rietland, moerasvegetaties (>50%) en open water (>30%)

    • helder water met goede waterkwaliteit en een hoog voedselaanbod (jonge vis, ongewervelden, amfibieën)
    • voldoende geschikte randzones (waterriet/ondiep water/oeverplantenvegetaties
    • voldoende rust en waar mogelijk het creëren van predatievrije broedgelegenheden tijdens broedperiode
    • open vijverlandschap
    • gevarieerde leeftijdsstructuur van de rietvegetaties: per broedkoppel is er nood aan min. 0,5 tot 2 ha overjarig riet of lisdodde met voldoende dikke kniklaag (opstapeling van oude stengels)
    • aanwezigheid van verlandingsvegetaties (niet enkel riet/lisdodde, maar ook ondergedoken en drijvende watervegetaties)
    • hoog waterpeil in de leefgebieden tijdens het broedseizoen.

    Doel + +
    Wespendief Omschrijving

    Behoud actuele aantallen broedparen.

    Behoud huidige oppervlakte leefgebied m.a.w. behoud van huidige Europese habitattypes en RBB’s en kwaliteitsverbetering. Het leefgebied van Wespendief profiteert mee van doelstellingen Bruine kiekendief.

    2.2 Prioritaire inspanningen

    In samenhang met de hoger beschreven doelstellingen is in het S-IHD-besluit door de Vlaamse Regering een aantal prioritaire inspanningen vastgesteld. Dit is een globale omschrijving van de acties die noodzakelijk zijn voor de realisatie van deze doelstellingen. Voor de uitvoering van de prioritaire inspanningen zijn vaak meerdere acties nodig. Hoofdstuk 4 van dit voortgangsdocument (Inspanningsmatrix) geeft de concrete acties weer die uitvoering geven aan deze prioritaire inspanningen.

    3 Oppervlaktebalans

    Dit hoofdstuk geeft de stand van zaken weer van de realisatie van de taakstelling, met name van de oppervlaktedoelen, op basis van het passend beheer. Het passend beheer is wettelijk gedefinieerd in het Instandhoudingsbesluit van 20 juni 2014. Het is de oppervlakte waarvoor in een natuurbeheerplan of daarmee vergelijkbaar plannen of overeenkomsten, een of meer Europees te beschermen habitattype(s) of een leefgebied van een of meer Europees te beschermen soort(en) als natuurstreefbeeld is vastgesteld. 

    De oppervlaktebalans in dit voortgangsdocument is enkel opgemaakt voor de Europees te beschermen habitats, op basis van de inventarisatie van het terreinbeheer door het ANB, verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen (met name Natuurpunt vzw, vzw Durme en Limburgs Landschap vzw). Voor leefgebieden van Europees te beschermen soorten was dergelijke inventarisatie niet mogelijk met de bestaande gegevens, zodat een oppervlaktebalans per Europees te beschermen soort niet opgenomen is. 

    Onderstaande tabel geeft per Europees te beschermen habitat:

    • De habitat code: de code van het habitat waarvoor een doel is gesteld (zie §2.1 'Doelen', voor de benaming en beschrijving);
    • Het totaal doel: de tot doel gestelde oppervlakte per habitat;
    • Het passend beheer: de oppervlakte met passend beheer zoals vastgesteld in een goedgekeurd natuurbeheerplan of daarmee vergelijkbare plannen of overeenkomsten;
    • De openstaande taakstelling: de oppervlakte die wordt berekend als het verschil tussen het totaal doel en de oppervlakte met passend beheer.

    In de oppervlaktebalans worden alle oppervlakten weergegeven in hectare, tenzij anders aangegeven. De tabel geeft de situatie in februari 2017 weer.

    4 Inspanningsmatrix

    Dit hoofdstuk formuleert de acties die uitvoering geven aan de prioritaire inspanningen die vastgesteld werden in het S-IHD-besluit. Daarbij wordt op basis van het Vlaams Natura 2000-programma 2016-2020 aangegeven welke acties behoren tot het bindend deel van de taakstelling (zie hoofdstuk 1). De overige acties behoren tot het richtinggevend deel van de taakstelling. 

    Elke actie wordt in onderstaande tabel beschreven, met volgende rubrieken:

    • Nr. actie: het nummer van de actie is een samenstelling van het nummer van de prioritaire inspanning en het nummer van de actie zelf. 
    • Omschrijving actie: geeft beknopt aan wat er moet gebeuren, waarom, met welk resultaat en waar.
    • Prioritaire inspanning: de prioritaire inspanning waaraan deze actie invulling geeft. Vanaf prioritaire inspanning 100 worden acties weergegeven die niet onder de prioritaire inspanningen van hoofdstuk 2.2 vallen. Deze acties zijn toegevoegd aan het voortgangsdocument, aanvullend op de prioritaire inspanningen, omdat ze eveneens nodig zijn om tot de gunstige lokale staat van instandhouding te komen van de betreffende habitat(s) of soort(en).
    • Actie voor de verbetering van het natuurlijk milieu: indien in deze kolom een ‘ja’ staat, dan is deze actie ingeschreven voor de verbetering van het natuurlijk milieu als omschreven in hoofdstuk 5. 
    • Deelgebied(en): de deelgebieden waar deze actie uitgevoerd zal worden. Indien in de tabel geen nummer van een deelgebied is opgegeven, is de actie van toepassing op de volledige SBZ. 
    • Habitats/soort(en): de Europees te beschermen habitat(s) en/of soort(en) waarvoor de actie ondernomen wordt. Het gaat om habitats en soorten waarvoor doelen opgenomen zijn in het S-IHD-besluit en om (cursief aangegeven) habitattypische soorten. Habitattypische soorten zijn kenmerkend voor één of soms meerdere habitattypes. Een habitattype kan enkel in een regionaal gunstige staat van instandhouding verkeren als binnen Vlaanderen ook de habitattypische soorten gelinkt aan dit habitattype in een regionaal gunstige staat van instandhouding verkeren. Meer gedetailleerde informatie over habitattypische soorten is beschikbaar in referenties 1, 2 en 3 (zie hoofdstuk 8).
    • Trekker: de organisatie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de actie.
    • Andere betrokkenen: de organisaties of actoren die betrokken zijn bij de actie, als uitvoerder, omwille van mogelijke impact, het leveren van kennis,…
    • Timing: het moment waarop de uitvoering van de actie start. Kan pas ingevuld worden indien de status ‘gepland’ of ‘in uitvoering’ is.
    • Status: hierbij is onderscheid gemaakt tussen:
      • Op te starten: de actie is benoemd maar nog niet opgestart.
      • In onderzoek: het plan of project voor de uitvoering van de actie is in ontwikkeling. Een trekker is aangeduid en gestart met de voorbereiding van het plan of project .
      • Plan in opmaak: de opmaak van het uitvoeringsplan is gestart. 
      • Plan beschikbaar: het uitvoeringsplan is afgerond en door de betrokken partijen goedgekeurd. De uitvoering ervan moet nog opgestart worden. 
      • In uitvoering: de actie wordt momenteel uitgevoerd.
      • Uitgevoerd: de uitvoering van de actie is beëindigd.
      • Stopgezet: de uitvoering van de actie is stopgezet zonder dat ze helemaal is beëindigd; er is geen plan om ze terug op te starten.
    • Bindend: deze lijn verschijnt enkel als de actie deel uitmaakt van het bindend deel van de taakstelling (zie hoofdstuk 1). Hierbij is onderscheid gemaakt tussen:
      • Stand still: actie noodzakelijk voor de stand still of het tegengaan van achteruitgang.
      • 2020: actie noodzakelijk voor het bereiken van een gunstige of verbeterde staat van instandhouding voor 16 habitats tegen 2020.
      • Deelgebied(en): de deelgebied(en) waarvoor de actie bindend is (sommige acties zijn bindend voor een deelgebied maar richtinggevend voor een ander).
      • Habitats/soorten: de habitats en/of soorten waarvoor de actie bindend is (sommige acties zijn bindend voor een habitat en/of soort maar richtinggevend voor andere habitats en/of soorten).

    De tabel geeft de situatie weer in augustus 2017.

    5 Overzichtkaart

    De overzichtskaart biedt informatie voor en een stand van zaken over de realisatie van de doelen voor deze SBZ. De verschillende onderdelen zijn te consulteren via een geoloket.

     

     5.1 Synthesekaart

    De synthesekaart biedt een samengesteld, vereenvoudigd overzicht van de actuele Europees te beschermen habitats en de oppervlaktes Europees te beschermen habitats onder passend beheer (zie hoofdstuk 3).

    In het geoloket wordt de synthesekaart weergegeven met dit symbool 

    5.2 Situering van de actuele Europees te beschermen habitats

    De kaarten ‘Actueel habitat’ geven indicatief de ligging van de actuele Europees te beschermen habitats in deze SBZ weer, op basis van referentie 9 (zie hoofdstuk 6). De kaart ‘Actueel habitat overzicht’ geeft een overzicht alle actuele habitats. De kaarten ‘Actueel habitat per cluster’ en ‘Actueel habitat per habitat’ maken de actuele habitats respectievelijk in clusters van verwante habitats en voor elk habitat apart zichtbaar.

    In het geoloket wordt de kaart: 

    • actueel habitat overzicht weergegeven met dit symbool   
    • actueel habitat per cluster met dit symbool  
    • actueel habitat per habitat met dit symbool 

    5.3    Situering van de gebieden beheerd met het oog op de realisatie van de doelen

    De kaarten ‘Passend beheer’ (voor definitie, zie hoofdstuk 3) geven indicatief weer welke oppervlaktes Europees te beschermen habitats onder passend beheer zijn bij het ANB, verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen (zie hoofdstuk 3). De kaart ‘Passend beheer overzicht’ geeft het overzicht van alle oppervlaktes onder passend beheer voor habitats. De kaarten ‘Passend beheer per cluster’ en ‘Passend beheer per habitat’ maken de oppervlaktes onder passend beheer respectievelijk in clusters van verwante habitats en voor elk habitat apart zichtbaar.

    De huidige kaart geeft de situatie weer in februari 2017.

    In het geoloket wordt de kaart :

    • oppervlakte onder passend beheer overzicht weergegeven met dit symbool 
    • oppervlakte onder passend beheer per cluster weergegeven met dit symbool 
    • oppervlakte onder passend beheer per habitat weergegeven met dit symbool 

    5.4 Situering van de vegetaties relevant als leefgebied voor Europees te beschermen soorten

    Omdat voor de vegetaties relevant als leefgebied voor Europees te beschermen soorten geen terreininventarisatiegegevens bestaan, werd deze kaart opgemaakt door middel van een ruimtelijk model. Dit model werkt op basis van de ecologische karakteristieken van de soort, aangevuld met actuele verspreidingsgegevens en de verbreidingscapaciteit van de soort. De bekomen afbakening vormt op dit moment de best beschikbare benadering van de actuele leefgebieden van de betreffende soorten. Voor een gedetailleerde beschrijving van de methodiek wordt verwezen naar referenties 4, 5 en 6 (zie hoofdstuk 6).

    De opmaak ervan was niet voor alle Europees te beschermen soorten mogelijk omdat

    • een aantal mobiele soorten zeer ruime en weinig gedifferentieerde leefgebieden kent (bv. slechtvalk, kokmeeuw);
    • voor de leefgebiedkarakteristieken van bepaalde soorten geen (gebiedsdekkende) kaartlaag voorhanden is (bv. bittervoorn en kleine modderkruiper);
    • voor een aantal soorten de wetenschappelijke kennis en de beschikbare data ontoereikend zijn (bv. vleermuizen).

    In het geoloket worden de leefgebieden weergegeven met de symbolen symbool leefgebieden voor het overzicht,  Synthesekaart Groepen voor de groepen en symbool leefgebieden voor de soorten, en dit enkel voor soorten waarvoor de opmaak van de kaarten mogelijk was en waarvoor doelen zijn ingeschreven in het S-IHD-besluit.

    5.5 Situering van de aanwezigheid van habitattypische soorten

    Onderstaand overzicht geeft indicatief weer welke habitattypische soorten actueel voorkomen per deelgebied op basis van referenties 7 en 8 (zie hoofdstuk 6). Habitattypische soorten zijn soorten die kenmerkend zijn voor één of soms meerdere habitattypes. Voor het bereiken van de regionaal gunstige staat van instandhouding van het habitat, moeten de populaties van de habitattypische soorten, verbonden aan dat habitat, ook in een regionaal gunstige staat van instandhouding worden gebracht of gehouden. Meer gedetailleerde informatie over habitattypische soorten is beschikbaar in referenties 1, 2 en 3 (zie hoofdstuk 6).

     

    6 Referenties

    1.:  Geert De Knijf, Desiré Paelinckx (2012). Typische faunasoorten van de verschillende Natura 2000 habitattypes, in functie van de beoordeling van de staat van instandhouding op niveau Vlaanderen (ref. INBO.A.2013.139)

    2.: Adriaens, Dries; Adriaens, Tim; Ameeuw, Griet (2008). Ontwikkeling van criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de habitattypische soorten (ref. INBO.R.2008.35)

    3: Adriaens, P. & Ameeuw, G. (red) (2008). Ontwikkeling van criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de vogelrichtlijnsoorten.  D/2008/3241/287 (ref.INBO.R.2008.36)

    4.: Maes et al. (2015). Afbakenen van potentiële leefgebiedenkaarten voor Europese en Vlaamse prioritaire soorten in het kader van de voortoets. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2015. (versie 2.0). (ref. INBO.R.2015.10201559). 

    5: : Maes D., Anselin A., De Knijf G., Denys L., Devos K., Gouwy J., Leyssen A., Packet J., Pauwels I., Pollet M., Speybroeck J., Stienen E., Thomaes A., T’jollyn F., Van Den Berge K., Van Landuyt W., Van Thuyne G., Vermeersch G. & Verhaeghe F. (2017). Afbakenen van actueel relevant potentieel leefgebied voor een selectie van Europees prioritaire soorten. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2017 (30) (ref. INBO.R.12602606 . Brussel: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

    6.: Dirk Maes, Koen Devos, Anny Anselin, Eric Stienen, David Buysse, Ine Pauwels & Thierry Onkelinx (2016). Advies over de leefgebiedenkaarten van Natura 2000-soorten (ref. INBO.A.3415)

    7.: De Knijf, Geert; Vermeersch, Glenn (datum). Advies over de actuele verspreiding van de habitattypische soorten per SBZ-H deelgebied - deel fauna (ref. INBO.A.3233)

    8.: Van Landuyt, Wouter; De Knijf, Geert (2014). Advies over de verspreiding van de habitattypische soorten per SBZ-H deelgebied - deel flora (ref. INBO.A.3192)

    9. De Saeger, S., Guelinckx, R., Oosterlynck, P., De Bruyn, A., Debusschere, K., Dhaluin, P., ... Paelinckx, D. (2020). Biologische Waarderingskaart en Natura 2000 Habitatkaart, uitgave 2020. (Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek; Nr. 35). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. https://doi.org/10.21436/inbor.18840851