landschap met schapen © Veronique De Smedt

Vlaamse Ardennen

BE2300007 - Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuidvlaamse bossen

1 Inleiding

Het Natura 2000-netwerk is een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Deze zijn aangewezen op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen om Europees beschermde habitattypes en soorten de kans te geven duurzaam te overleven en zo de Europese biodiversiteit te bewaren. In Vlaanderen zijn 62 Natura 2000-gebieden aangeduid, ook speciale beschermingszones (hierna: SBZ) genoemd. Deze gebieden zijn essentieel voor het bereiken van de gunstige staat van instandhouding van Europees te beschermen habitats en soorten. Voor Vlaanderen gaat het om 47 habitattypes, 49 dier- en plantensoorten en 58 vogelsoorten. 

Alle lidstaten van de Europese Unie zijn verplicht om de nodige maatregelen te nemen om een ‘gunstige staat van instandhouding’ te realiseren voor Europees te beschermen habitats en soorten. Om deze maatregelen in te vullen heeft de Vlaamse Regering instandhoudingsdoelstellingen (hierna: doelen) op Vlaams niveau en per SBZ bepaald. Op Vlaams niveau zijn dit de zogenaamde gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen (hierna: G-IHD) en per SBZ zijn dit de zogenaamde specifieke instandhoudingsdoelstellingen (hierna: S-IHD). Deze S-IHD zijn, na een intensief overlegproces tussen 2010 en 2013, vastgesteld in aanwijzingsbesluiten (de S-IHD-besluiten) door de Vlaamse Regering op 23 april 2014. 

De realisatie van de doelen wordt gefaseerd en programmatisch aangepakt. Vlaanderen moet elke zes jaar aan Europa rapporteren, daarom is ook voor de realisatie gekozen voor cycli van maximaal zes jaar. Per cyclus of planperiode wordt een Vlaams Natura 2000-programma opgemaakt met een Vlaamse taakstelling en acties voor de komende periode. Het programma omschrijft ook welke organisaties betrokken zijn en geeft een raming van de uitgaven voor de uitvoering van het programma.  

Focus Vlaams Natura 2000 programma 2016–2020

Omdat Vlaanderen in 2020 aan Europa moet rapporteren, loopt de eerste cyclus van het Vlaams Natura 2000-programma van 2016 tot 2020. Op het moment van publicatie van dit voortgangsdocument bestaat er nog geen nieuw Vlaams Natura 2000-programma voor de volgende planperiode (2021-2026), zodat het bestaande programma volgens de regelgeving geldig blijft.  

Voor deze eerste cyclus is vertrokken van de Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 en van het Pact 2020. In het Vlaams Natura 2000-programma zijn een bindende en een richtinggevende taakstelling geformuleerd als een gefaseerd kader voor de realisatie van de doelen.

Het bindend deel van de taakstelling in het Vlaams Natura 2000-programma omvat:

  • het stoppen of vermijden van de verdere achteruitgang van Europees te beschermen habitattypes of soorten (stand still);
  • dat 16 van de 47 Europees te beschermen habitattypes in een gunstige staat verkeren of zijn verbeterd ten opzichte van 2007 (zie bijlage 5 van het Vlaams Natura 2000-programma).

Het bindend deel van de taakstelling moet tegen 2020 worden gerealiseerd.

Het richtinggevende deel van deze taakstelling omvat:

  • dat tegen 2020 voor alle Europees te beschermen habitattypes en soorten samen 70% van de inspanningen operationeel zijn, zodat alle habitats en soorten in een gunstige staat van instandhouding kunnen worden gebracht tegen 2050. Voor soorten die extra oppervlakte leefgebied nodig hebben, moet een derde van de extra oppervlakte gerealiseerd zijn door inrichting en beheer.

De maatregelen nodig om het richtinggevende deel van de taakstelling te realiseren, kunnen al in deze planperiode opgestart worden of, indien al in planning of uitvoering, verder lopen. Deze maatregelen moeten niet noodzakelijk afgerond zijn tijdens de looptijd. In de inspanningsmatrix (hoofdstuk 4 van het voortgangsdocument) is voor elke actie aangegeven of deze behoort tot het bindend of het richtinggevend deel van taakstelling van het Vlaams Natura 2000-programma.

Doelstelling van het voortgangsdocument

Het voortgangsdocument wordt opgemaakt met het oog op:

  • het gradueel realiseren van de S-IHD;
  • het vermijden of stoppen van de verslechtering van de Europees te beschermen habitats en de leefgebieden van Europees te beschermen soorten;
  • het vermijden of het stoppen van de betekenisvolle verstoring van de Europees te beschermen soorten.

Het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna: het ANB) maakt het voortgangsdocument op en beheert het. Dit voortgangsdocument beschrijft de inspanningen die volgens de inventaris hiervan in 2017 geleverd worden door de organisaties voor wie het beheren en ontwikkelen van natuur een maatschappelijke opdracht is. Dit zijn het ANB, de verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen. Tevens biedt het een overzicht van de openstaande taakstelling en van de acties die, volgens de huidige plannen en inzichten, nodig zijn voor de realisatie ervan. Zo vormt het voortgangsdocument het vertrekpunt en de inspiratiebron voor het bereiken van de doelen voor iedereen die daaraan kan bijdragen.

Situering van het SBZ

2 Taakstelling

Voor elke SBZ werden door de Vlaamse Regering de specifieke doelen voor Europees te beschermen habitats en soorten en de prioritaire inspanningen vastgesteld in een S-IHD-besluit. Deze doelen worden in dit voortgangsdocument weergegeven in hoofdstuk 2.1. Deze zijn daarbij geclusterd in landschapstypes. Per Europees te beschermen soort en habitat zijn het gebiedsgericht kwantiteitsdoel (populaties of oppervlakten) en kwaliteitsdoel beschreven. Hoofdstuk 2.2 geeft prioritaire inspanningen weer, die in het S-IHD-besluit vastgesteld zijn voor het realiseren van de doelen. 

2.1 Doelen

Legende bij de oppervlakte-, populatie- en kwaliteitsdoelen

Symbool

Omschrijving

+

Het doel is een stijging van de oppervlakte of populatiegrootte / een verbetering van de kwaliteit.

=

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit.

=/+

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit met lokale uitbreidingsmogelijkheid.

=/-

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit met lokale inkrimpingsmogelijkheid.

In onderstaande tabel met de doelen voor het SBZ worden doelstellingen voor enerzijds het gedeelte dat habitatrichtlijngebied is en anderzijds het gedeelte dat 'zuiver vogelrichtlijngebied' (lees: enkel vogelrichtlijngebied en geen habitatrichtlijngebied) is, niet onderscheiden, maar geïntegreerd. Aan de drie criteria die tegelijk vervuld dienen te zijn om deze doelen voor beide ruimtelijk afgebakende gebieden van elkaar te onderscheiden, werd immers niet voldaan. De drie criteria zijn: 

  • het zuiver vogelrichtlijngebied handelt over een relevante oppervlakte; 

  • het betreft in dit gebied relevante doelstellingen doelen en; 

  • de doelen die in het gedeelte dat zuiver vogelrichtlijngebied is, gerealiseerd dienen te worden, zijn (reeds in dit stadium) bekend.] 

Boslandschap met zeer plaatselijke heidekernen

Het boslandschap wordt in deze SBZ beschouwd als bestaande uit de habitattypes 9120, 9130, 91E0 en 6430_boszomen. Deze komen voor in samenhangende complexen met diverse overgangen tussen de diverse types.

Voor de habitattypes 9130, 91E0 en 6430 wordt de SBZ als essentieel beschouwd, voor het habitattype 9120 als zeer belangrijk. Er wordt gestreefd naar de realisatie van een robuust netwerk van enkele grote boskernen die op lange termijn garanties bieden voor de instandhouding van leefbare populaties van de typische soorten van deze kernen en hun boshabitats. Hierdoor kunnen knelpunten als sterke versnippering en slecht gebufferde bossen die onderhevig zijn aan eutrofiëring / nutriëntenaanrijking gemilderd worden.

Concreet kunnen enkele grote categorieën op vlak van doelstellingen onderscheiden worden voor de bossen:

1. Kwaliteitsverbetering op vlak van structuur
De boshabitats binnen deze SBZ hebben op dit ogenblik in heel veel deelgebieden een onvoldoende gevarieerde structuur. Door het toepassen van een natuurgericht bosbeheer in bossen zal het aandeel aan dikke bomen, dood hout, gevarieerde randen en open plekken op termijn toenemen. Dit zijn maatregelen die veel van de habitattypische soorten en bijlagesoorten ten goede zullen komen. Een dergelijk natuurgericht beheer wordt voorzien in veel beheerplannen, voor bossen in eigendom van/beheerd door het ANB of de erkende terreinbeherende verenigingen. Bij andere openbare besturen en privé-bossen gelegen in VEN zal door toepassen van de CDB (Criteria Duurzaam Bosbeheer), ook de structuurdiversiteit op termijn nog toenemen.
Ook de ontwikkeling van gevarieerde bosranden en –zomen zijn voor de SBZ van belang. Op de droge tot natte gronden is het van belang om gevarieerde bosranden en -zomen (o.a. habitattype 6430_subtype boszoom) te voorzien om kleine populaties van habitattypische soorten als Sleedoornpage, Boswitje, Levendbare hagedis, Hazelworm, Eikelmuis, Goudvink, Zomertortel, Geelgors, etc… te kunnen realiseren. Meest geschikte zones op droge gronden zijn de steilere, zuidelijk gerichte hellingen, met mogelijke overgangen naar habitattype 6510 (zie verder). Op de rijkere natte bodemtypes zijn dergelijke randen en zomen van belang om optimale condities te creëren voor leefbare populaties van habitattypische soorten van natte ruigtes en graslanden (Rietgors, …) – evenals meer habitattypische soorten van lichtrijke natte bossen (Goudvink, Nachtegaal, Kleine IJsvogelvlinder).

2. De realisatie van kwalitatief degelijke grote boshabitatkernen
De realisatie van een aantal grote boskernen, die een leefbare populatie bevatten van de grotere oppervlaktebehoevende faunasoorten, is een belangrijk streefdoel om een goede staat van instandhouding te bereiken binnen dit SBZ voor de boshabitats. Er wordt één groot aaneengesloten boscomplex met een richtwaarde van 717 ha ha beoogd, met name bossengordel Kluisbos-Hotond-Koppenberg, bestaande uit deelgebieden 16 Kalkoven, 33 Feelbos, 34 Beiaardbos, 35 Heynsdaele, 36 bossengordel Hotond-Koppenberg en 38 Kluisbos. Binnen de SBZ is deze zone de enige geschikte locatie waar één groot min of meer ononderbroken bosmassief hersteld kan worden dat ook herstelkansen biedt voor fauna met (voornamelijk naar oppervlakte) veeleisende biotoopeisen.
Daarnaast worden boskernen in een aantal deelgebieden beoogd, waarbij eveneens grotere aaneengesloten bosmassieven tot doel worden gesteld. Hierdoor kunnen ook hier lange termijngaranties gegarandeerd worden voor een stabiele populatie van onder meer de bijlagesoorten Zwarte Specht, Middelste Bonte Specht en Wespendief, maar evenzeer voor tal van andere habitattypische bossoorten zoals Bosuil, Boomklever, Havik, Zomertortel, Wielewaal, Matkop, …). De volgende deelgebieden werden hiervoor geselecteerd: 1 bos t’Ename (richtwaarde 248 ha boshabitats), 4 bos Terrijst / 6 Brakelbos ( richtwaarde 138 ha) [1], 7 Hayesbos-Steenberg (richtwaarde 132 ha) [2], 12 Raspaillebos (maximum 273 ha), 14 Muziekbos (richtwaarde 266 ha), 23 Cottembos (richtwaarde 103 ha), 25 Kravaalbos (richtwaarde 131 ha), 29 Liedekerkebos ( richtwaarde 106 ha) en 30 middenloop Zwalm ( richtwaarde 128 ha) [3] .

Volgende methoden kunnen de realisatie van deze boskernen bewerkstelligen:

  • A. Omvorming van bestaande ‘niet habitatwaardige’ bossen. In de door de Vlaamse overheid beheerde bossen en bossen in beheer van de erkende terreinbeherende verenigingen en in het kader van herstelprojecten worden maatregelen voorzien welke tot bijkomend habitat zullen leiden. 20-80% van de niet inheemse bestanden zal hier op termijn tot bijkomend habitat leiden. Via stimulerende maatregelen, kunnen ook privé-eigenaars ingezet worden om bijkomend habitat te realiseren. Zij kunnen een uitgebreid bosbeheerplan opstellen, waarbij ook de CDB dienen gevolgd te worden.
  • B. Bosuitbreiding. Het grootste aandeel voor realisatie van bijkomend habitat zal voor dit SBZ dienen te gebeuren via bosuitbreiding (het overgrote aandeel (circa 85%) van de huidige bossen binnen de SBZ is immers reeds habitat).

3. Het degelijk bufferen van kleinere boskernen en/of verbinden van kleinere boskernen
Dit is een algemene doelstelling die voor de kleinere boskernen binnen de verschillende deelgebieden van de afgebakende SBZ voorgesteld wordt. Veel kleine boskernen in de deelgebieden voldoen niet aan het MSA en zijn bovendien vaak in een intensief agrarisch gebied gelegen, waardoor ze slecht gebufferd zijn. Hierdoor is het verdwijnen van habitattypische bossoorten in deze kernen een reëel gevaar. Door deze kernen, die vaak kleine en kwetsbare satellietpopulaties van typische soorten bevatten, te bufferen en uit te breiden of ze te verbinden met de grotere bossen, kan de kans op het lokaal uitsterven sterk worden gereduceerd. Dit gaat om verbindingen via kleinschalige bosuitbreiding tot kleinschalige landschappelijke elementen zoals hagen en houtkanten. Kleinschalige bosuitbreidingen worden voorgesteld in de deelgebieden 5 Burreken, 9 Trimpont, 10 Steenbergse bossen, 11 Hasselt- & Parkbos, 13 Neigembos, 15 Patersbos, 17 Markvallei west, 19 Bouvelbos, 20 Hemsrode, 22 Moenebroek, 24 Wellemeersen, 26 Osbroek, 28 Steenvoorde, 31 vaarttalud Moen, 32 Geitebos en 37 Kezelfort.
In de SBZ zijn heischrale graslanden en heidevegetaties slechts beperkt aanwezig als effectief habitat. Nochtans komen in verschillende deelgebieden relictsoorten voor in de ondergroei van een aantal bossen (zowel loof- als naaldhout), in bosdreven, bosranden en bermen.
Binnen de deelgebieden dient in eerste instantie zorg besteed te worden aan het behoud van de aanwezige heischrale graslanden en heidevegetaties, alsook de relicten. Voor wat de relictsoorten betreft, kan dit gebeuren door het toepassen van de Criteria voor Duurzaam Bosbeheer in de bossen (o.a. open plekken beheer, ontwikkeling van bosranden,…). Voor het behoud van het heidelandschap zal een specifiek en gericht beheer noodzakelijk zijn.Daarnaast wordt de realisatie van vier kernen van heischrale graslanden en heidevegetaties tot doel gesteld, om een voldoende staat van instandhouding te bereiken binnen de SBZ voor deze habitats. De realisatie van één kern wordt nagestreefd in de deelgebieden 12 Raspaillebos, 14 Muziekbos, 29 Liedekerkebos en 38 Kluisbos.

[1] De bosverbinding tussen de deelgebieden wordt gerealiseerd in Wallonië. Deze bossen zijn in hoofdzaak eveneens als SBZ aangeduid.
[2] Hierbij dient bijkomend rekening gehouden te worden met bos in Wallonië (Bos de la Louvière) van circa 140 ha.
[3] Het boscomplex wordt bijkomend vergroot door reeds gerealiseerde bebossingen door het ANB buiten SBZ.

Habitats - Boslandschap met zeer plaatselijke heidekernen

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
4030 - Droge Europese heide Omschrijving

Actueel: 2 ha
Doel: toename naar 12 ha in deelgebieden 14 Muziekbos en 38 Kluisbos.

Voldoende staat van instandhouding. De vergrassing / verruiging bedraagt maximum 50%. De verbossing maximum 30%.

Doel + +
6230 - Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa) Omschrijving

Actueel: 0,4 ha
Doel: – toename naar 3 ha in deelgebied 12 Raspaillebos & 29 Liedekerkebos.

Voldoende staat van instandhouding. De verruiging / verbossing / verstruweling bedraagt maximum 10%.

Doel + +
6430 subtype boszoom Omschrijving

Doel: 1/4 van bosranden ontwikkelen als goed ontwikkelde boszomen, voornamelijk van de vochtige bossen (habitats 9130 en 91E0)

[Voor het habitattype wordt geen oppervlaktedoel geformuleerd, aangezien deze bij de oppervlaktedoelen van de andere boshabitats gerekend wordt.]

Voldoende tot goede staat van instandhouding, met mantelzoomvegetaties van meer dan 5 meter breedte. De vegetatie heeft geleidelijke overgangen van kruidige delen (zoom) via struwelen (mantel) naar aangrenzend bos met de aanwezigheid van habitattypische planten- en diersoorten.

Doel + +
9120 - Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei (Quercion robori-petraeae of Ilici-Fagenion) Omschrijving

Actueel: 418 ha
Doel: + 212 ha met een richtwaarde van 178 ha door bosuitbreiding tot een totale oppervlakte van 630 ha.

Goede staat van instandhouding in “grote boshabitatkernen” (voor selectie deelgebieden, zie inleidende tekst Landschap: Boslandschap met zeer plaatselijke heidekernen).
Voldoende tot goede staat van instandhouding in kleinere boskernen, met een goede staat met betrekking tot habitatstructuur en verstoring.
Streven naar een mozaïekstructuur door structuurbepalende processen kansen en ruimte te bieden.

Doel + +
9130 - Beukenbossen van het type Asperulo-Fagetum Omschrijving

Actueel: 1.081 ha
Doel: + 735 ha met een richtwaarde van 645 ha door bosuitbreiding tot een totale oppervlakte van 1816 ha.

Doel: zie doelen habitattype 9120.

Doel + +
91E0 - Alluviale bossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) - alle subtypes Omschrijving

Actueel : 450 ha
Doel: (alle subtypes) + 245 ha met een richtwaarde van 190 ha door bosuitbreiding tot een totale oppervlakte van 695 ha.

Zie specifieke subtypes 91E0_veb, 91E0_vm en 91E0_vn

Doel + +
91E0_bron: subtype bronbossen (Goudveil-essenbossen) & 91E0_veb: subtype Vogelkers-essenbos Omschrijving

Actueel: 356 ha
Doel: zie bij 91E0

Goede staat van instandhouding in “grote boshabitatkernen” (voor selectie deelgebieden, zie bovenstaande tekst ‘boslandschap’). Voldoende tot goede staat van instandhouding in kleinere boskernen, met een goede staat met betrekking tot habitatstructuur en verstoring. Streven naar een mozaïekstructuur door structuurbepalende processen kansen en ruimte te bieden.

Doel = +
91E0_vm : subtype mesotroof elzenbroek Omschrijving

Actueel: 9 ha
Doel: Behoud huidige oppervlakte.

Voldoende staat van instandhouding.

Doel + +
91E0_vn: subtype eutroof elzenbos Omschrijving

Actueel: 85 ha
Doel : zie bij 91E0

Voldoende staat van instandhouding.

Soorten - Boslandschap met zeer plaatselijke heidekernen

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
Bosvleermuis, Franjestaart, Meervleermuis, Rosse vleermuis, Ruige dwergvleermuis, Watervleermuis Omschrijving

Aanwezigheid van zomerkolonies van de soorten, met jaarlijks zwangere wijfjes en/of juvenielen. De aanwezigheid van duurzame populaties van elk van deze soorten wordt nagestreefd.

Doel zomer:

  • Verhoging van habitatkwaliteit in de bossen en insectenrijke graslanden en ruigtes in een omliggend landschap met KLE’s.
  • Creatie geleidelijke bosranden, in het bijzonder nabij open waterpartijen.
  • Behoud en verbetering kwaliteit waterpartijen. De doelen worden gerealiseerd in het kader van doelen habitats 6430, 9120, 9130 en 91E0. Bijkomend aandacht voor behoud van bestaande verbindingen, en waar nodig uitbreiding van en verbinding tussen bossen en foerageergebieden.

Doel winter:

  • Behoud, inrichten en verbeteren van winterverblijven, vnl. in deelgebied 37 Kezelfort.

Doel + +
Brandts vleermuis/Gewone baardvleermuis, Gewone/Grijze grootoorvleermuis Omschrijving

Aanwezigheid van zomerkolonies van de soorten met jaarlijks zwangere wijfjes en/of juvenielen (met uitzondering van Grijze grootoorvleermuis). De aanwezigheid van duurzame populaties van elk van deze soorten (uitgezonderd Grijze grootoorvleermuis) wordt nagestreefd.

Doel zomer:

  • Verhoging van habitatkwaliteit in de bossen en insectenrijke graslanden en ruigtes in een omliggend landschap met KLE’s.
  • Creatie geleidelijke bosranden, in het bijzonder nabij open waterpartijen.
  • Behoud en verbetering kwaliteit waterpartijen. De doelen worden gerealiseerd in het kader van doelen habitats 6430, 9120, 9130 en 91E0. Bijkomend aandacht voor behoud van bestaande verbindingen, en waar nodig uitbreiding van en verbinding tussen bossen en foerageergebieden.

Doel winter:

  • Behoud, inrichten en verbeteren van winterverblijven, vnl. in deelgebied 37 Kezelfort.

Doel =/+ =/+
Gewone dwergvleermuis, Kleine dwergvleermuis, Laatvlieger Omschrijving

Behoud en uitbreiding van de bestaande populatie

Behoud van de bestaande kwaliteit, behoud en uitbreiding van connectiviteit tussen de gebieden.

Doel + +
Ingekorven vleermuis Omschrijving

Aanwezigheid van zomerkolonies van de soorten met jaarlijks zwangere wijfjes en/of juvenielen. De aanwezigheid van een duurzame populatie wordt nagestreefd.

Doel zomer:

  • Verhoging van habitatkwaliteit in de bossen en insectenrijke graslanden en ruigtes in een omliggend landschap met KLE’s.
  • Creatie geleidelijke bosranden, in het bijzonder nabij open waterpartijen.
  • Behoud en verbetering kwaliteit waterpartijen. De doelen worden gerealiseerd in het kader van doelen habitats 6430, 9120, 9130 en 91E0. Bijkomend aandacht voor behoud van bestaande verbindingen, en waar nodig uitbreiding van en verbinding tussen bossen en foerageergebieden.

Doel winter:

  • Behoud, inrichten en verbeteren van winterverblijven, vnl. in deelgebied 37 Kezelfort.

Doel + +
Kamsalamander Omschrijving

Uitbouw van populatie in voldoende staat van instandhouding in deelgebieden 1 bos t’Ename en 29 Liedekerkebos (waarbij hoogstwaarschijnlijk restocking noodzakelijk zal zijn).

Goede staat van instandhouding met betrekking tot water- en landhabitat: uitbouw van minimum 2 complexen van telkens meer dan 5 permanente poelen, ingebed in een kleinschalig graslandschap met o.a. bos, ruigte en houtwallen binnen 300 m rond geschikte waterbiotopen.

Doel =/+ +
Zeggekorfslak Omschrijving

Voldoende tot goede staat van instandhouding met betrekking tot de populaties in deelgebieden 24 Wellemeersen en 26 Osbroek. Uitbreiding van areaal naar deelgebieden 17 Markvallei west, 22 Moenebroek en 30 middenloop Zwalm.

Goede staat van instandhouding met betrekking tot habitatkwaliteit.

Bocagelandschap met grasland- en moerasvegetaties

Het grasland- en moeraslandschap wordt beschouwd als een samenhangend complex van bloemrijke hooilanden (6510), schralere graslandtypes (6410) en natte ruigtes (6430). Tevens worden eutrofe plassen (3150) toegevoegd. Deze SBZ is in de G-IHD als essentieel voor het habitattype 6430, zeer belangrijk voor het habitattype 6510 en belangrijk voor het habitattype 6410 aangeduid. Er is een kennislacune voor wat het habitattype 3150 betreft. Momenteel komen deze habitattypes sterk versnipperd voor. De aanwezigheid van minstens een aantal grote complexen is noodzakelijk voor de instandhouding van habitattypische soorten gebonden aan deze bloemenrijke graslanden en moerassen, waarbij voor zowel insectenfauna als vogelsoorten een belangrijk leefgebied gecreëerd wordt. Binnen de deelgebieden dient in eerste instantie zorg besteed te worden aan de kwaliteitsverbetering van de aanwezige grasland- en moerashabitats.

De realisatie van een aantal grote grasland- en moeraskernen, die een leefbare populatie bevatten van de grotere oppervlaktebehoevende faunasoorten (o.a. Sprinkhaanzanger, Blauwborst, Rietgors,…), is een belangrijk streefdoel om een goede staat van instandhouding te bereiken binnen dit SBZ voor deze habitats. Hierbij wordt de realisatie van deze kernen tot 30 ha of meer [*] tot doel gesteld in de deelgebieden 17 Markvallei west (realisatie van 2 kernen), 22 Moenebroek, 24 Wellemeersen, 30 middenloop Zwalm (realisatie van 4-tal kleinere kernen, verspreid over deelgebied) en 31 vaarttalud Moen (richtwaarde 51 ha enkel habitattype 6510).

In een aantal deelgebieden worden beperktere oppervlaktetoenames voorzien van de grasland- en moerashabitats. Hierbij wordt enerzijds gestreefd om de aanwezige grasland- en moerashabitats beter te bufferen en/of te verbinden (door beperktere uitbreidingen van habitattypes en/of behoud/ontwikkeling van RBB’s) en anderzijds overgangen naar bosranden en –zomen verder te ontwikkelen. Door deze kleinere ‘snippers’, die vaak kleine en kwetsbare satellietpopulaties van typische soorten bevatten, te behouden en verder te ontwikkelen (met beperktere uitbreidingen), kan de kans op het lokaal uitsterven sterk worden gereduceerd. Kleinschalige oppervlaktetoenames worden voorgesteld in de deelgebieden 1 bos t’Ename, 4 bos Terrijst, 5 Burreken, 6 Brakelbos, 7 Hayesbos-Steenberg, 9 Trimpont, 10 Steenbergse bossen, 11 Hasselt- & Parkbos, 12 Raspaillebos, 13 Neigembos en 15 Patersbos. Daarnaast zijn in de SBZ plaatselijk potenties aanwezig voor ontwikkeling van het habitattype 3150 (eutrofe plassen).

[*] De totale oppervlakte is de som van de habitattypes 6410, 6430, 6510 en RBB’s (vnl. dotterbloemhooilanden, rietlanden en grote zeggenvegetaties).

Habitats - Bocagelandschap met grasland- en moerasvegetaties

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
3150 - Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition Omschrijving

Actueel: kennishiaat
Doel: toename naar 5 ha.

Behoud begeleidende soorten / streven naar sleutelsoorten van habitattype, zodat habitattype terug voorkomt in SBZ.

Doel + +
6410- Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Eu-Molinion)_veldrustype Omschrijving

Actueel: 0,2 ha
Doel: behoud.

Doel: behoud huidige staat

Doel + +
6430 Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones subtype natte ruigte Omschrijving

Actueel: 108 ha
Doel: + 32 ha. Plaatselijk herstel van samenhangende hooiland- en moerascomplexen met hoge faunawaarde.

Goede staat van instandhouding in “grote grasland- en moeraskernen” (voor selectie deelgebieden, zie inleidende tekst Landschap: Bocagelandschap met grasland- en moerasvegetaties).
Voldoende tot goede staat van instandhouding in kleinere kernen, met een goede staat met betrekking tot vergrassing.

Doel + +
6510 - Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis), subtype Glanshavergraslanden (Arrhenaterion) Omschrijving

Actueel: 24 ha
Doel: + 96 ha. Plaatselijk herstel van samenhangende hooiland- en moerascomplexen met hoge faunawaarde.

Zie doelen habitattype 6430, met een goede staat met betrekking tot aantal en bedekking van sleutelsoorten.

Soorten - Bocagelandschap met grasland- en moerasvegetaties

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
Brandts vleermuis/Gewone baardvleermuis, Gewone/Grijze grootoorvleermuis Omschrijving

Aanwezigheid van zomerkolonies van de soorten met jaarlijks zwangere wijfjes en/of juvenielen (met uitzondering van Grijze grootoorvleermuis). De aanwezigheid van duurzame populaties van elk van deze soorten (uitgezonderd Grijze grootoorvleermuis) wordt nagestreefd.

Doel zomer:

  • Verhoging van habitatkwaliteit in de bossen en insectenrijke graslanden en ruigtes in een omliggend landschap met KLE’s.
  • Creatie geleidelijke bosranden, in het bijzonder nabij open waterpartijen.
  • Behoud en verbetering kwaliteit waterpartijen. De doelen worden gerealiseerd in het kader van doelen habitats 6430, 9120, 9130 en 91E0. Bijkomend aandacht voor behoud van bestaande verbindingen, en waar nodig uitbreiding van en verbinding tussen bossen en foerageergebieden.

Doel winter:

  • Behoud, inrichten en verbeteren van winterverblijven, vnl. in deelgebied 37 Kezelfort.

Doel =/+ =/+
Gewone dwergvleermuis, Kleine dwergvleermuis, Laatvlieger Omschrijving

Behoud en uitbreiding van de bestaande populatie

Behoud van de bestaande kwaliteit, behoud en uitbreiding van connectiviteit tussen de gebieden.

Doel + +
Ingekorven vleermuis Omschrijving

Aanwezigheid van zomerkolonies van de soorten met jaarlijks zwangere wijfjes en/of juvenielen. De aanwezigheid van een duurzame populatie wordt nagestreefd.

Doel zomer:

  • Verhoging van habitatkwaliteit in de bossen en insectenrijke graslanden en ruigtes in een omliggend landschap met KLE’s.
  • Creatie geleidelijke bosranden, in het bijzonder nabij open waterpartijen.
  • Behoud en verbetering kwaliteit waterpartijen. De doelen worden gerealiseerd in het kader van doelen habitats 6430, 9120, 9130 en 91E0. Bijkomend aandacht voor behoud van bestaande verbindingen, en waar nodig uitbreiding van en verbinding tussen bossen en foerageergebieden.

Doel winter:

  • Behoud, inrichten en verbeteren van winterverblijven, vnl. in deelgebied 37 Kezelfort.

Waterlopen

Waterlopen bestaan uit het habitattype 3260. De middenloop van waterlopen zoals de Mark (deelgebied 17 Markvallei west), de Zwalm (deelgebied 30 middenloop Zwalm) en mogelijk beektrajecten van de Maarkebeek (deelgebied 4 Bos Terrijst) en een deel van de Pachtbosbeek (deelgebied 22 Moenebroek), kunnen beschouwd worden als kenmerkend voor de abiotische karakteristieken van dit habitattype. Aangezien het habitattype 3260 typisch is voor een aantal middenlopen in de SBZ, wordt de ontwikkeling van het habitattype tot doel gesteld voor deelgebieden 17 Markvallei west, 22 Moenebroek en 30 middenloop Zwalm. Hierdoor kunnen ook hier lange termijngaranties gegarandeerd worden voor een stabiele populatie van onder meer de bijlage- en habitattypische soorten als Bittervoorn, Bermpje, Rivierprik en als eerder (tijdelijke) verblijfplaats voor Rivierdonderpad en Beekforel.

Habitats - Waterlopen

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
3260 - Submontane en laaglandrivieren met vegetaties behorend tot het Ranunculion fluitans en het Callitricho-Batrachion Omschrijving

Actueel: kennishiaat
Doel: Niet bepaald, voorkomend in deelgebieden 17 Markvallei west, 22 Moenebroek en 30 middenloop Zwalm

Voldoende tot goede staat van instandhouding. Streven naar aanwezigheid van sleutelsoorten van habitattype, zodat habitattype voorkomt in vermelde deelgebieden.

Soorten - Waterlopen

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
Beekprik, Rivierdonderpad Omschrijving

Uitbreiding van huidige populatie, voornamelijk door uitbreiding van het areaal (soort aanwezig in alle beken met potentie).

Voldoende tot goede staat van instandhouding. Streven naar een voldoende tot goede habitatkwaliteit in alle beken met potentie, met het verwijderen van barrières en vismigratieknelpunten.

Doel =/+ +
Bittervoorn Omschrijving

Behoud van de huidige populatie, met een toename in deelgebied 30 middenloop Zwalm (gekoppeld aan ontwikkeling habitattype 3260).

Voldoende tot goede staat van instandhouding. Streven naar een voldoende tot goede habitatkwaliteit.

Doel + +
Bosvleermuis, Franjestaart, Meervleermuis, Rosse vleermuis, Ruige dwergvleermuis, Watervleermuis Omschrijving

Aanwezigheid van zomerkolonies van de soorten, met jaarlijks zwangere wijfjes en/of juvenielen. De aanwezigheid van duurzame populaties van elk van deze soorten wordt nagestreefd.

Doel zomer:

  • Verhoging van habitatkwaliteit in de bossen en insectenrijke graslanden en ruigtes in een omliggend landschap met KLE’s.
  • Creatie geleidelijke bosranden, in het bijzonder nabij open waterpartijen.
  • Behoud en verbetering kwaliteit waterpartijen. De doelen worden gerealiseerd in het kader van doelen habitats 6430, 9120, 9130 en 91E0. Bijkomend aandacht voor behoud van bestaande verbindingen, en waar nodig uitbreiding van en verbinding tussen bossen en foerageergebieden.

Doel winter:

  • Behoud, inrichten en verbeteren van winterverblijven, vnl. in deelgebied 37 Kezelfort.

Doel =/+ =/+
Gewone dwergvleermuis, Kleine dwergvleermuis, Laatvlieger Omschrijving

Behoud en uitbreiding van de bestaande populatie

Behoud van de bestaande kwaliteit, behoud en uitbreiding van connectiviteit tussen de gebieden.

2.2 Prioritaire inspanningen

In samenhang met de hoger beschreven doelstellingen is in het S-IHD-besluit door de Vlaamse Regering een aantal prioritaire inspanningen vastgesteld. Dit is een globale omschrijving van de acties die noodzakelijk zijn voor de realisatie van deze doelstellingen. Voor de uitvoering van de prioritaire inspanningen zijn vaak meerdere acties nodig. Hoofdstuk 4 van dit voortgangsdocument (Inspanningsmatrix) geeft de concrete acties weer die uitvoering geven aan deze prioritaire inspanningen.

3 Oppervlaktebalans

Dit hoofdstuk geeft de stand van zaken weer van de realisatie van de taakstelling, met name van de oppervlaktedoelen, op basis van het passend beheer. Het passend beheer is wettelijk gedefinieerd in het Instandhoudingsbesluit van 20 juni 2014. Het is de oppervlakte waarvoor in een natuurbeheerplan of daarmee vergelijkbaar plannen of overeenkomsten, een of meer Europees te beschermen habitattype(s) of een leefgebied van een of meer Europees te beschermen soort(en) als natuurstreefbeeld is vastgesteld. 

De oppervlaktebalans in dit voortgangsdocument is enkel opgemaakt voor de Europees te beschermen habitats, op basis van de inventarisatie van het terreinbeheer door het ANB, verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen (met name Natuurpunt vzw, vzw Durme en Limburgs Landschap vzw). Voor leefgebieden van Europees te beschermen soorten was dergelijke inventarisatie niet mogelijk met de bestaande gegevens, zodat een oppervlaktebalans per Europees te beschermen soort niet opgenomen is. 

Onderstaande tabel geeft per Europees te beschermen habitat:

  • De habitat code: de code van het habitat waarvoor een doel is gesteld (zie §2.1 'Doelen', voor de benaming en beschrijving);
  • Het totaal doel: de tot doel gestelde oppervlakte per habitat;
  • Het passend beheer: de oppervlakte met passend beheer zoals vastgesteld in een goedgekeurd natuurbeheerplan of daarmee vergelijkbare plannen of overeenkomsten;
  • De openstaande taakstelling: de oppervlakte die wordt berekend als het verschil tussen het totaal doel en de oppervlakte met passend beheer.

In de oppervlaktebalans worden alle oppervlakten weergegeven in hectare, tenzij anders aangegeven. De tabel geeft de situatie in februari 2017 weer.

4 Inspanningsmatrix

Dit hoofdstuk formuleert de acties die uitvoering geven aan de prioritaire inspanningen die vastgesteld werden in het S-IHD-besluit. Daarbij wordt op basis van het Vlaams Natura 2000-programma 2016-2020 aangegeven welke acties behoren tot het bindend deel van de taakstelling (zie hoofdstuk 1). De overige acties behoren tot het richtinggevend deel van de taakstelling. 

Elke actie wordt in onderstaande tabel beschreven, met volgende rubrieken:

  • Nr. actie: het nummer van de actie is een samenstelling van het nummer van de prioritaire inspanning en het nummer van de actie zelf. 
  • Omschrijving actie: geeft beknopt aan wat er moet gebeuren, waarom, met welk resultaat en waar.
  • Prioritaire inspanning: de prioritaire inspanning waaraan deze actie invulling geeft. Vanaf prioritaire inspanning 100 worden acties weergegeven die niet onder de prioritaire inspanningen van hoofdstuk 2.2 vallen. Deze acties zijn toegevoegd aan het voortgangsdocument, aanvullend op de prioritaire inspanningen, omdat ze eveneens nodig zijn om tot de gunstige lokale staat van instandhouding te komen van de betreffende habitat(s) of soort(en).
  • Actie voor de verbetering van het natuurlijk milieu: indien in deze kolom een ‘ja’ staat, dan is deze actie ingeschreven voor de verbetering van het natuurlijk milieu als omschreven in hoofdstuk 5. 
  • Deelgebied(en): de deelgebieden waar deze actie uitgevoerd zal worden. Indien in de tabel geen nummer van een deelgebied is opgegeven, is de actie van toepassing op de volledige SBZ. 
  • Habitats/soort(en): de Europees te beschermen habitat(s) en/of soort(en) waarvoor de actie ondernomen wordt. Het gaat om habitats en soorten waarvoor doelen opgenomen zijn in het S-IHD-besluit en om (cursief aangegeven) habitattypische soorten. Habitattypische soorten zijn kenmerkend voor één of soms meerdere habitattypes. Een habitattype kan enkel in een regionaal gunstige staat van instandhouding verkeren als binnen Vlaanderen ook de habitattypische soorten gelinkt aan dit habitattype in een regionaal gunstige staat van instandhouding verkeren. Meer gedetailleerde informatie over habitattypische soorten is beschikbaar in referenties 1, 2 en 3 (zie hoofdstuk 8).
  • Trekker: de organisatie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de actie.
  • Andere betrokkenen: de organisaties of actoren die betrokken zijn bij de actie, als uitvoerder, omwille van mogelijke impact, het leveren van kennis,…
  • Timing: het moment waarop de uitvoering van de actie start. Kan pas ingevuld worden indien de status ‘gepland’ of ‘in uitvoering’ is.
  • Status: hierbij is onderscheid gemaakt tussen:
    • Op te starten: de actie is benoemd maar nog niet opgestart.
    • In onderzoek: het plan of project voor de uitvoering van de actie is in ontwikkeling. Een trekker is aangeduid en gestart met de voorbereiding van het plan of project .
    • Plan in opmaak: de opmaak van het uitvoeringsplan is gestart. 
    • Plan beschikbaar: het uitvoeringsplan is afgerond en door de betrokken partijen goedgekeurd. De uitvoering ervan moet nog opgestart worden. 
    • In uitvoering: de actie wordt momenteel uitgevoerd.
    • Uitgevoerd: de uitvoering van de actie is beëindigd.
    • Stopgezet: de uitvoering van de actie is stopgezet zonder dat ze helemaal is beëindigd; er is geen plan om ze terug op te starten.
  • Bindend: deze lijn verschijnt enkel als de actie deel uitmaakt van het bindend deel van de taakstelling (zie hoofdstuk 1). Hierbij is onderscheid gemaakt tussen:
    • Stand still: actie noodzakelijk voor de stand still of het tegengaan van achteruitgang.
    • 2020: actie noodzakelijk voor het bereiken van een gunstige of verbeterde staat van instandhouding voor 16 habitats tegen 2020.
    • Deelgebied(en): de deelgebied(en) waarvoor de actie bindend is (sommige acties zijn bindend voor een deelgebied maar richtinggevend voor een ander).
    • Habitats/soorten: de habitats en/of soorten waarvoor de actie bindend is (sommige acties zijn bindend voor een habitat en/of soort maar richtinggevend voor andere habitats en/of soorten).

De tabel geeft de situatie weer in augustus 2017.

5 Overzichtkaart

De overzichtskaart biedt informatie voor en een stand van zaken over de realisatie van de doelen voor deze SBZ. De verschillende onderdelen zijn te consulteren via een geoloket.

 

 5.1 Synthesekaart

De synthesekaart biedt een samengesteld, vereenvoudigd overzicht van de actuele Europees te beschermen habitats en de oppervlaktes Europees te beschermen habitats onder passend beheer (zie hoofdstuk 3).

In het geoloket wordt de synthesekaart weergegeven met dit symbool 

5.2 Situering van de actuele Europees te beschermen habitats

De kaarten ‘Actueel habitat’ geven indicatief de ligging van de actuele Europees te beschermen habitats in deze SBZ weer, op basis van referentie 9 (zie hoofdstuk 6). De kaart ‘Actueel habitat overzicht’ geeft een overzicht alle actuele habitats. De kaarten ‘Actueel habitat per cluster’ en ‘Actueel habitat per habitat’ maken de actuele habitats respectievelijk in clusters van verwante habitats en voor elk habitat apart zichtbaar.

In het geoloket wordt de kaart: 

  • actueel habitat overzicht weergegeven met dit symbool   
  • actueel habitat per cluster met dit symbool  
  • actueel habitat per habitat met dit symbool 

5.3    Situering van de gebieden beheerd met het oog op de realisatie van de doelen

De kaarten ‘Passend beheer’ (voor definitie, zie hoofdstuk 3) geven indicatief weer welke oppervlaktes Europees te beschermen habitats onder passend beheer zijn bij het ANB, verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen (zie hoofdstuk 3). De kaart ‘Passend beheer overzicht’ geeft het overzicht van alle oppervlaktes onder passend beheer voor habitats. De kaarten ‘Passend beheer per cluster’ en ‘Passend beheer per habitat’ maken de oppervlaktes onder passend beheer respectievelijk in clusters van verwante habitats en voor elk habitat apart zichtbaar.

De huidige kaart geeft de situatie weer in februari 2017.

In het geoloket wordt de kaart :

  • oppervlakte onder passend beheer overzicht weergegeven met dit symbool 
  • oppervlakte onder passend beheer per cluster weergegeven met dit symbool 
  • oppervlakte onder passend beheer per habitat weergegeven met dit symbool 

5.4 Situering van de vegetaties relevant als leefgebied voor Europees te beschermen soorten

Omdat voor de vegetaties relevant als leefgebied voor Europees te beschermen soorten geen terreininventarisatiegegevens bestaan, werd deze kaart opgemaakt door middel van een ruimtelijk model. Dit model werkt op basis van de ecologische karakteristieken van de soort, aangevuld met actuele verspreidingsgegevens en de verbreidingscapaciteit van de soort. De bekomen afbakening vormt op dit moment de best beschikbare benadering van de actuele leefgebieden van de betreffende soorten. Voor een gedetailleerde beschrijving van de methodiek wordt verwezen naar referenties 4, 5 en 6 (zie hoofdstuk 6).

De opmaak ervan was niet voor alle Europees te beschermen soorten mogelijk omdat

  • een aantal mobiele soorten zeer ruime en weinig gedifferentieerde leefgebieden kent (bv. slechtvalk, kokmeeuw);
  • voor de leefgebiedkarakteristieken van bepaalde soorten geen (gebiedsdekkende) kaartlaag voorhanden is (bv. bittervoorn en kleine modderkruiper);
  • voor een aantal soorten de wetenschappelijke kennis en de beschikbare data ontoereikend zijn (bv. vleermuizen).

In het geoloket worden de leefgebieden weergegeven met de symbolen symbool leefgebieden voor het overzicht,  Synthesekaart Groepen voor de groepen en symbool leefgebieden voor de soorten, en dit enkel voor soorten waarvoor de opmaak van de kaarten mogelijk was en waarvoor doelen zijn ingeschreven in het S-IHD-besluit.

5.5 Situering van de aanwezigheid van habitattypische soorten

Onderstaand overzicht geeft indicatief weer welke habitattypische soorten actueel voorkomen per deelgebied op basis van referenties 7 en 8 (zie hoofdstuk 6). Habitattypische soorten zijn soorten die kenmerkend zijn voor één of soms meerdere habitattypes. Voor het bereiken van de regionaal gunstige staat van instandhouding van het habitat, moeten de populaties van de habitattypische soorten, verbonden aan dat habitat, ook in een regionaal gunstige staat van instandhouding worden gebracht of gehouden. Meer gedetailleerde informatie over habitattypische soorten is beschikbaar in referenties 1, 2 en 3 (zie hoofdstuk 6).

 

6 Referenties

1.:  Geert De Knijf, Desiré Paelinckx (2012). Typische faunasoorten van de verschillende Natura 2000 habitattypes, in functie van de beoordeling van de staat van instandhouding op niveau Vlaanderen (ref. INBO.A.2013.139)

2.: Adriaens, Dries; Adriaens, Tim; Ameeuw, Griet (2008). Ontwikkeling van criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de habitattypische soorten (ref. INBO.R.2008.35)

3: Adriaens, P. & Ameeuw, G. (red) (2008). Ontwikkeling van criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de vogelrichtlijnsoorten.  D/2008/3241/287 (ref.INBO.R.2008.36)

4.: Maes et al. (2015). Afbakenen van potentiële leefgebiedenkaarten voor Europese en Vlaamse prioritaire soorten in het kader van de voortoets. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2015. (versie 2.0). (ref. INBO.R.2015.10201559). 

5: : Maes D., Anselin A., De Knijf G., Denys L., Devos K., Gouwy J., Leyssen A., Packet J., Pauwels I., Pollet M., Speybroeck J., Stienen E., Thomaes A., T’jollyn F., Van Den Berge K., Van Landuyt W., Van Thuyne G., Vermeersch G. & Verhaeghe F. (2017). Afbakenen van actueel relevant potentieel leefgebied voor een selectie van Europees prioritaire soorten. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2017 (30) (ref. INBO.R.12602606 . Brussel: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

6.: Dirk Maes, Koen Devos, Anny Anselin, Eric Stienen, David Buysse, Ine Pauwels & Thierry Onkelinx (2016). Advies over de leefgebiedenkaarten van Natura 2000-soorten (ref. INBO.A.3415)

7.: De Knijf, Geert; Vermeersch, Glenn (datum). Advies over de actuele verspreiding van de habitattypische soorten per SBZ-H deelgebied - deel fauna (ref. INBO.A.3233)

8.: Van Landuyt, Wouter; De Knijf, Geert (2014). Advies over de verspreiding van de habitattypische soorten per SBZ-H deelgebied - deel flora (ref. INBO.A.3192)

9. De Saeger, S., Guelinckx, R., Oosterlynck, P., De Bruyn, A., Debusschere, K., Dhaluin, P., ... Paelinckx, D. (2020). Biologische Waarderingskaart en Natura 2000 Habitatkaart, uitgave 2020. (Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek; Nr. 35). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. https://doi.org/10.21436/inbor.18840851