landschap met schapen © Veronique De Smedt

Wingevallei

BE2400012 - Valleien van de Winge en de Motte met valleihellingen

1 Inleiding

Het Natura 2000-netwerk is een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Deze zijn aangewezen op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen om Europees beschermde habitattypes en soorten de kans te geven duurzaam te overleven en zo de Europese biodiversiteit te bewaren. In Vlaanderen zijn 62 Natura 2000-gebieden aangeduid, ook speciale beschermingszones (hierna: SBZ) genoemd. Deze gebieden zijn essentieel voor het bereiken van de gunstige staat van instandhouding van Europees te beschermen habitats en soorten. Voor Vlaanderen gaat het om 47 habitattypes, 49 dier- en plantensoorten en 58 vogelsoorten. 

Alle lidstaten van de Europese Unie zijn verplicht om de nodige maatregelen te nemen om een ‘gunstige staat van instandhouding’ te realiseren voor Europees te beschermen habitats en soorten. Om deze maatregelen in te vullen heeft de Vlaamse Regering instandhoudingsdoelstellingen (hierna: doelen) op Vlaams niveau en per SBZ bepaald. Op Vlaams niveau zijn dit de zogenaamde gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen (hierna: G-IHD) en per SBZ zijn dit de zogenaamde specifieke instandhoudingsdoelstellingen (hierna: S-IHD). Deze S-IHD zijn, na een intensief overlegproces tussen 2010 en 2013, vastgesteld in aanwijzingsbesluiten (de S-IHD-besluiten) door de Vlaamse Regering op 23 april 2014. 

De realisatie van de doelen wordt gefaseerd en programmatisch aangepakt. Vlaanderen moet elke zes jaar aan Europa rapporteren, daarom is ook voor de realisatie gekozen voor cycli van maximaal zes jaar. Per cyclus of planperiode wordt een Vlaams Natura 2000-programma opgemaakt met een Vlaamse taakstelling en acties voor de komende periode. Het programma omschrijft ook welke organisaties betrokken zijn en geeft een raming van de uitgaven voor de uitvoering van het programma.  

Focus Vlaams Natura 2000 programma 2016–2020

Omdat Vlaanderen in 2020 aan Europa moet rapporteren, loopt de eerste cyclus van het Vlaams Natura 2000-programma van 2016 tot 2020. Op het moment van publicatie van dit voortgangsdocument bestaat er nog geen nieuw Vlaams Natura 2000-programma voor de volgende planperiode (2021-2026), zodat het bestaande programma volgens de regelgeving geldig blijft.  

Voor deze eerste cyclus is vertrokken van de Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 en van het Pact 2020. In het Vlaams Natura 2000-programma zijn een bindende en een richtinggevende taakstelling geformuleerd als een gefaseerd kader voor de realisatie van de doelen.

Het bindend deel van de taakstelling in het Vlaams Natura 2000-programma omvat:

  • het stoppen of vermijden van de verdere achteruitgang van Europees te beschermen habitattypes of soorten (stand still);
  • dat 16 van de 47 Europees te beschermen habitattypes in een gunstige staat verkeren of zijn verbeterd ten opzichte van 2007 (zie bijlage 5 van het Vlaams Natura 2000-programma).

Het bindend deel van de taakstelling moet tegen 2020 worden gerealiseerd.

Het richtinggevende deel van deze taakstelling omvat:

  • dat tegen 2020 voor alle Europees te beschermen habitattypes en soorten samen 70% van de inspanningen operationeel zijn, zodat alle habitats en soorten in een gunstige staat van instandhouding kunnen worden gebracht tegen 2050. Voor soorten die extra oppervlakte leefgebied nodig hebben, moet een derde van de extra oppervlakte gerealiseerd zijn door inrichting en beheer.

De maatregelen nodig om het richtinggevende deel van de taakstelling te realiseren, kunnen al in deze planperiode opgestart worden of, indien al in planning of uitvoering, verder lopen. Deze maatregelen moeten niet noodzakelijk afgerond zijn tijdens de looptijd. In de inspanningsmatrix (hoofdstuk 4 van het voortgangsdocument) is voor elke actie aangegeven of deze behoort tot het bindend of het richtinggevend deel van taakstelling van het Vlaams Natura 2000-programma.

Doelstelling van het voortgangsdocument

Het voortgangsdocument wordt opgemaakt met het oog op:

  • het gradueel realiseren van de S-IHD;
  • het vermijden of stoppen van de verslechtering van de Europees te beschermen habitats en de leefgebieden van Europees te beschermen soorten;
  • het vermijden of het stoppen van de betekenisvolle verstoring van de Europees te beschermen soorten.

Het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna: het ANB) maakt het voortgangsdocument op en beheert het. Dit voortgangsdocument beschrijft de inspanningen die volgens de inventaris hiervan in 2017 geleverd worden door de organisaties voor wie het beheren en ontwikkelen van natuur een maatschappelijke opdracht is. Dit zijn het ANB, de verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen. Tevens biedt het een overzicht van de openstaande taakstelling en van de acties die, volgens de huidige plannen en inzichten, nodig zijn voor de realisatie ervan. Zo vormt het voortgangsdocument het vertrekpunt en de inspiratiebron voor het bereiken van de doelen voor iedereen die daaraan kan bijdragen.

Situering van het SBZ

2 Taakstelling

Voor elke SBZ werden door de Vlaamse Regering de specifieke doelen voor Europees te beschermen habitats en soorten en de prioritaire inspanningen vastgesteld in een S-IHD-besluit. Deze doelen worden in dit voortgangsdocument weergegeven in hoofdstuk 2.1. Deze zijn daarbij geclusterd in landschapstypes. Per Europees te beschermen soort en habitat zijn het gebiedsgericht kwantiteitsdoel (populaties of oppervlakten) en kwaliteitsdoel beschreven. Hoofdstuk 2.2 geeft prioritaire inspanningen weer, die in het S-IHD-besluit vastgesteld zijn voor het realiseren van de doelen. 

2.1 Doelen

Legende bij de oppervlakte-, populatie- en kwaliteitsdoelen

Symbool

Omschrijving

+

Het doel is een stijging van de oppervlakte of populatiegrootte / een verbetering van de kwaliteit.

=

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit.

=/+

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit met lokale uitbreidingsmogelijkheid.

=/-

Het minimale doel is het behoud van de oppervlakte of populatiegrootte / het behoud van de kwaliteit met lokale inkrimpingsmogelijkheid.

In onderstaande tabel met de doelen voor het SBZ worden doelstellingen voor enerzijds het gedeelte dat habitatrichtlijngebied is en anderzijds het gedeelte dat 'zuiver vogelrichtlijngebied' (lees: enkel vogelrichtlijngebied en geen habitatrichtlijngebied) is, niet onderscheiden, maar geïntegreerd. Aan de drie criteria die tegelijk vervuld dienen te zijn om deze doelen voor beide ruimtelijk afgebakende gebieden van elkaar te onderscheiden, werd immers niet voldaan. De drie criteria zijn: 

  • het zuiver vogelrichtlijngebied handelt over een relevante oppervlakte; 

  • het betreft in dit gebied relevante doelstellingen doelen en; 

  • de doelen die in het gedeelte dat zuiver vogelrichtlijngebied is, gerealiseerd dienen te worden, zijn (reeds in dit stadium) bekend.] 

Water- en moerasvegetaties

Deze SBZ is belangrijk voor de ontwikkeling van verscheidene Europese beschermde water- en moerasvegetaties in Vlaanderen. De historische versnippering van het gebied heeft ervoor gezorgd dat er momenteel weinig speelruimte is voor toename van deze habitattypen, die momenteel allemaal slechts zeer beperkt voorkomen in deze SBZ. Bovendien zijn deze vegetaties momenteel vaak gedeeltelijk aangetast (o.m. verontreiniging). Wegens beperkte abiotische potenties wordt er slechts beperkt ingezet op toename en maximaal op kwaliteitsverbetering. Enkele Europese soorten die gebonden zijn aan deze habitats zijn bittervoorn en drijvende waterweegbree. Voor deze soorten wordt ook voornamelijk ingezet op kwaliteitsverbetering.

Habitats - Water- en moerasvegetaties

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel =/+ +
3140 - Kalkhoudende oligo-mesotrofe wateren met benthische Chara spp. vegetaties Omschrijving

Behoud van de huidige relicten in Walenbos en aan de voet van Troostembergbos (deelgebieden 1c en 1d) met mogelijk kleine, pleksgewijze toename door omvorming daar of mogelijk ook in de Bierbeekse valleien en Meldertbos (deelgebieden 7, 13-16).

De kwaliteitsdoelstelling voor dit habitattype is een aangepaste grondwaterstand, een goede waterkwaliteit en minder (eutrofiërende) atmosferische deposities (volgens LSVI-normen).

Doel = +
3150 - Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharition Omschrijving

Behoud van de huidige 0,001 ha in Walenbos (deelgebied1c).

De kwaliteitsdoelstelling voor dit habitattype is een aangepaste grondwaterstand, een goede waterkwaliteit en minder (eutrofiërende) atmosferische deposities (volgens LSVI-normen).

Doel + +
7140 - Overgangs- en trilveen Omschrijving

Behoud met toename door omvorming van de huidige 0,01 ha in Walenbos (deelgebied 1c) naar 2 à 3 ha.

De kwaliteitsdoelstelling voor dit habitattype is een aangepaste grondwaterstand, een goede waterkwaliteit en minder (eutrofiërende) atmosferische deposities (volgens LSVI-normen).

Bijkomend moeten de omstandigheden beheersmatig optimaal zijn ten voordele van veenontwikkeling.

Doel = +
7220 - Kalktufbronnen met tufsteenformatie (Cratoneurion) Omschrijving

De voorkomende relicten van kalktufbronnen behouden en beschermen in de Molendaalbeekvallei (deelgebied 14) en Meldertbos (deelgebied 16) en mogelijk ook in Zwarte en Koebos (deelgebieden 7 en 13), als daar aanwezig.

De kwaliteitsdoelstelling voor dit habitattype is een aangepaste grondwaterstand, een goede waterkwaliteit en minder (eutrofiërende) atmosferische deposities (volgens LSVI-normen).

Doel + +
7230 - Alkalisch laagveen Omschrijving

Behoud met toename door omvorming van de huidige 0,1 ha naar 2 ha. Dit is mogelijk in Koebos, Walenbos, Zwarte bos en de Molen(daal)beekvallei (deelgebieden 1c, 7 en 13-15).

De kwaliteitsdoelstelling voor dit habitattype is een aangepaste grondwaterstand, een goede waterkwaliteit en minder (eutrofiërende) atmosferische deposities (volgens LSVI-normen).

Bijkomend moeten de omstandigheden beheersmatig optimaal zijn ten voordele van veenontwikkeling.

Soorten - Water- en moerasvegetaties

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel =/+ +
Bittervoorn Omschrijving

Minstens behoud van de huidige bittervoornpopulatie en mogelijk uitbreiding.

De reeds voorziene waterkwaliteitsverbetering verbetert ook het leefgebied van de bittervoorn. Een bijkomende doelstelling voor deze soort is het opheffen van vismigratieknelpunten.

Doel + +
Drijvende waterweegbree Omschrijving

De soort komt niet meer voor binnen deze SBZ. Doel is herstel van de soort vanuit bestaande zaadbanken in Walenbos (deelgebied 1c).

Een bijkomende verbetering van de habitatkwaliteit van deze soort omhelst het periodiek en pleksgewijs creëren van meer pionierssituaties op plaatsen met mogelijke zaadbanken zoals in Walenbos (deelgebied 1c).

Doel + +
Kamsalamander Omschrijving

Herstel van de kamsalamander-populatie van deze SBZ indien de soort nog voorkomt en duurzame herkolonisatie uit o.a. de Getevallei en van nabij deelgebied 1, gekaderd binnen een ruimer soortenbeschermingsplan.

Deze soort heeft bijkomend nood aan een verbetering van zijn habitat-kwaliteit. Dit omhelst de aanleg van meer, grotere, fragmentair of slechts deels waterhoudende, niet zure poelen. Binnen SBZ moet dit waterhabitat samenhangen met een geschikt landhabitat van graslanden met bossen, ruigtes en KLE’s.

Doel =/+ +
Zeggekorfslak Omschrijving

Voldoende tot goede staat van instandhouding (deelgebied 1e).

Kwaliteitsverbetering van de geschikte leefgebieden; waar de soort aanwezig is, grote zeggenrijke vegetaties en dergelijke (natte ruige overgangen, ook rond rbb dottergrasland) in een goede kwaliteit brengen/houden.

Heides en droge graslanden

Deze SBZ is belangrijk (2330 en 4010), zeer belangrijk (4030) en zelfs essentieel (6230_ha en hn) voor de ontwikkeling van verscheidene Europese beschermde heischrale en heidevegetaties. De habitattypes waarvoor deze SBZ belangrijk is, komen slechts beperkt voor (± 1 ha), maar van de droge heide en droge heischrale graslanden komen telkens 10 à 15 ha voor, weliswaar versnipperd en verspreid over verschillende deelgebieden. Ze leveren samen een bijzonder diverse en wat rijkere heidegemeenschap op in deze SBZ. Al deze habitattypes bevinden zich momenteel echter in een gedeeltelijk aangetaste actuele staat van instandhouding. Deze natuurgericht beheerde habitattypes in de heidesfeer mogen geen geïsoleerde eilanden zijn te midden van grote bos- of landbouwcomplexen. Daarom dienen deze types, en dan vooral die waarvoor deze SBZ zeer belangrijk en essentieel is (4030 en 6230), versterkt te worden voor het bereiken van een blijvende goede staat van instandhouding. Deze versterking betekent zowel vergroten (uitbreiden), verbeteren (aangepast beheren) als verbinden (landschapsecologisch optimaliseren) van deze habitattypes. Dit komt ook habitattypische soorten als levendbarende hagedis, sikkelsprinkhaan, mierenleeuw, hazelworm, boompieper en nachtzwaluw ten goede.

Habitats - Heides en droge graslanden

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel = +
2330 - Open grasland met Corynephorus- en Agrostissoorten (Dwerghaververbond) Omschrijving

Behoud van de huidige 0,5 ha op de Beninks-, Wijngaard- en Houwaartse berg (deelgebieden 2-5). Enkel op Beninksberg (deelgebied 2) is een netwerk van > 15 ha in de heidesfeer (4030 incl. 2330 en 6230) tot doel gesteld (via omvorming naar vnl. grasland in de heidesfeer, maar ook dus naar een paar ha heide).

Via herstel/beheer de kwaliteit van dit habitattype verbeteren en minder verzurende of eutrofiërende atmosferische deposities (volgens LSVI-normen). Tien à vijftien procent open plekken heide en/of (hei)schraal grasland worden duidelijk als doel vooropgesteld in de verschillende boshabitattypes en dit in een netwerk waarbij grotere open plekken via zomen met elkaar in verbinding staan (zie algemeen kwaliteitsdoel bossen).

Doel + +
4010 - Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix Omschrijving

Behoud met toename door omvorming van de huidige 0,5 ha naar 5 ha. Dit is mogelijk ter hoogte van De Roost/Horst en Bleuken (deelgebieden 1a en 6).

Via herstel/beheer de kwaliteit van dit habitattype verbeteren en minder verzurende of eutrofiërende atmosferische deposities (volgens LSVI-normen). Tien à vijftien procent open plekken heide en/of (hei)schraal grasland worden duidelijk als doel vooropgesteld in de verschillende boshabitattypes en dit in een netwerk waarbij grotere open plekken via zomen met elkaar in verbinding staan (zie algemeen kwaliteitsdoel bossen).

Doel + +
4030 - Droge Europese heide Omschrijving

Behoud van de huidige 13 ha met toename van 3 ha. De heidevegetaties die zich nu ter hoogte van de verschillende Diestiaanheuvels bevinden (Chartreuzen & Walenbos, Wijngaard-, Beninks- & Osseberg en ook relicten op Houwaartseberg-oost en Troostemberg, deelgebieden 1-6) blijven behouden. Enkel op Beninksberg (deelgebied 2) is een netwerk van meer dan 15 ha in de heidesfeer (4030 incl. 2330 en 6230) tot doel gesteld (via omvorming naar vnl. grasland in de heidesfeer, maar ook dus naar een paar ha heide). In alle vermelde deelgebieden is heide echter ook als open plek in 9120-bos tot doel gesteld.

Via herstel/beheer de kwaliteit van dit habitattype verbeteren en minder verzurende of eutrofiërende atmosferische deposities (volgens LSVI-normen). Tien à vijftien procent open plekken heide en/of (hei)schraal grasland worden duidelijk als doel vooropgesteld in de verschillende boshabitattypes en dit in een netwerk waarbij grotere open plekken via zomen met elkaar in verbinding staan (zie algemeen kwaliteitsdoel bossen).

Doel + +
6230 - Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa) Omschrijving

Toename van de huidige 10 ha droge heischrale graslanden en de 0.9 ha borstelgraslanden naar 20 ha. De heischrale vegetaties die er nu zijn ter hoogte van de verschillende Diestiaanheuvels (in de deelgebieden 1, 2, 5 en 6) blijven behouden . Op Beninksberg (deelgebied 2) wordt een netwerk van > 15 ha in de heidesfeer (6230 incl. 2330 en 4030) tot doel gesteld en in de Wingevallei en Walenbos (deelgebieden 1a en 1c) is dat eerder een schraal graslandnetwerk (6230 incl. 6510 en 6410) van telkens meer dan 30 ha in Walenbos, in Dunbergbroek en in de Wingevallei. In alle vermelde deelgebieden is heischraal grasland echter ook als open plek in 9120-bos tot doel gesteld

Via herstel/beheer de kwaliteit van dit habitattype verbeteren en minder verzurende of eutrofiërende atmosferische deposities (volgens LSVI-normen). Tien à vijftien procent open plekken heide en/of (hei)schraal grasland worden duidelijk als doel vooropgesteld in de verschillende boshabitattypes en dit in een netwerk waarbij grotere open plekken via zomen met elkaar in verbinding staan (zie algemeen kwaliteitsdoel bossen).

Ruigtes en graslanden

Deze SBZ is zeer belangrijk (6510) en zelfs essentieel (6410 en 6230_hmo) voor de ontwikkeling van verscheidene Europese beschermde graslandvegetaties, alsook voor Europees beschermde ruigtes (6430).

De blauw- en veldrusgraslanden, 2 subtypes van 6410 waarvoor deze SBZ essentieel is, komen momenteel echter beperkt voor in deze SBZ (4 ha) en vaak in een gedeeltelijk aangetaste actuele staat van instandhouding. Vochtige heischrale graslanden, waarvoor deze SBZ ook essentieel is, komen wat meer voor (10 ha), maar ook met weinig sleutelsoorten. Ook de meer (op 40 ha) voorkomende schrale hooilanden (type 6510) zijn aangetast. Een onaangepast beheer, overstroming met vuil water, verbossing, versnippering en verdroging vormen de voornaamste knelpunten bij deze Europees beschermde graslanden en ruigtes.

Voor een blijvende goede staat van instandhouding is versterking van vooral de graslandtypes nodig, zowel landschapsecologisch als kwalitatief. De natuurgericht beheerde hooilanden mogen geen geïsoleerde eilanden zijn te midden van grote bos- of landbouwcomplexen. Er moet een voldoende afwisselend landschap beoogd worden, dat naast boshabitattypes en naast rbb’s (zoals bv. dotter-, kamgras- en zilverschoongraslanden) en naast heide- en watergebonden habitats ook bestaat uit minstens 121 ha van dit type hooilanden (6230_hmo, 6410 én 6510). Dit komt ook de beperkt aanwezige habitattypische soorten als greppel-, moeras- en zompsprinkhaan en kwartelkoning ten goede.

De realisatie van dat 121 ha grote hooilandnetwerk behelst op ca. 67 ha ‘hooilandherstel’. Dit gebeurt bij voorkeur vanuit momenteel verlaten of met populieren beplante graslanden waar nog relictsoorten van de beoogde graslandhabitattypes voorkomen (± 35 ha). Daarnaast dienen bestaande, vaak verrijkte graslanden te worden omgevormd naar meer extensief beheerde hooilanden.

Een deel van de huidige ruigtes zal ook hersteld worden naar hooiland (d.i. in de 35 ha ‘hooilandherstel via omvorming’ vervat), terwijl een ander deel naar boshabitat zal evolueren (zie verder). Zo’n 78 ha kwaliteitsvolle ruigtes (6430) dienen in stand gehouden te worden. Hiervoor is echter vaak ook omvorming nodig vanuit populierenbossen. Dit komt ook de beperkt aanwezige Europese soort Spaanse vlag ten goede als ook de habitattypische purperstreepparelmoervlinder.

De verschillende deelgebieden hebben zowel voor deze ruigtes als voor het hooilandcomplex de grootste potenties, met een belangrijk aandeel in de Wingevallei. Bij al de omvormingen dient er oog te zijn voor een goede ruimtelijke afwisseling en verbinding van de verschillende habitattypes.

Habitats - Ruigtes en graslanden

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
6230_hmo - Vochtige heischrale graslanden op arme bodems Omschrijving

Behoud met toename van de huidige 10 ha vochtige heischrale graslanden naar 15 ha met als richtwaarde voor uitbreiding 1 ha. Deze toename is grotendeels mogelijk via omvorming van gedegradeerde graslanden en exotenbossen, voornamelijk in de valleien van de Winge en Tieltse Motte (deelgebieden 1 en 6). In de Wingevallei, in Dunbergbroek en Walenbos (deelgebieden 1a en 1c), worden schraalgraslandkernen tot doel gesteld van telkens meer dan 30 ha.

De kwaliteit van dit versnipperde habitattype, waarvan momenteel te weinig sleutelsoorten voorkomen, verbeteren (volgens LSVI-normen) en minder verzurende of eutrofiërende (atmosferische) deposities.

Doel + +
6410 - Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Eu-Molinion) Omschrijving

Behoud met toename van de huidige 2 ha veldrusgrasland én de huidige 2 ha blauwgrasland in de valleien van de Winge en de Tieltse Motte en in Zwartebos en Koebos/Bruulbos (deelgebieden 1 en 6-7 en 13) naar 18 ha in totaal (zowel subtype veldrusgrasland als subtype blauwgrasland), voornamelijk via herstel vanuit voormalige hooilanden (bv. beplant met populier). In de Wingevallei, in Dunbergbroek en Walenbos (deelgebieden 1a en 1c), worden schraalgraslandkernen tot doel gesteld van telkens meer dan 30 ha.

De kwaliteit van dit versnipperde habitattype, waarvan momenteel te weinig sleutelsoorten voorkomen, verbeteren (volgens LSVI-normen) en minder verzurende of eutrofiërende (atmosferische) deposities.

Extra aandachtspunt: een aangepaste waterhuishouding zowel kwalitatief als kwantitatief (incl. grondwater).

Doel =/- +
6430 - Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van montane en alpiene zones Omschrijving

Behoud van 78 ha van dit type, voornamelijk in de Wingevallei (in deelgebied 1, soms beplant). Een klein deel van de huidige 127 ha zal omgevormd worden naar graslandhabitattypes en een groter deel zal evolueren naar het prioritair boshabitattype 91E0. In totaal zal 49 ha 6430 worden omgevormd naar andere habitattypes.

De kwaliteit van dit versnipperde habitattype, waarvan momenteel te weinig sleutelsoorten voorkomen, verbeteren (volgens LSVI-normen) en minder verzurende of eutrofiërende (atmosferische) deposities.

Extra aandachtspunt: een aangepaste waterhuishouding zowel kwalitatief als kwantitatief (incl. grondwater).

Doel + +
6510 - Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba officinalis) Omschrijving

Behoud met toename van de huidige 40 ha naar 88 ha met als richtwaarde voor uitbreiding 28 ha. Dit gebeurt vanuit voormalige (eventueel beplante) hooilanden, gelegen in Wingevallei en Walenbos (deelgebieden 1a en 1c) . In de Wingevallei, in Dunbergbroek en Walenbos (deelgebieden 1a en 1c), worden schraalgraslandkernen tot doel gesteld van telkens meer dan 30 ha.

De kwaliteit van dit versnipperde habitattype, waarvan momenteel te weinig sleutelsoorten voorkomen, verbeteren (volgens LSVI-normen) en minder verzurende of eutrofiërende (atmosferische) deposities.

Extra aandachtspunt: een aangepaste waterhuishouding zowel kwalitatief als kwantitatief (incl. grondwater).

Soorten - Ruigtes en graslanden

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel =/+ =
Spaanse vlag Omschrijving

Minstens behoud van de huidige populatie met eventuele uitbreiding.

Aan het kwaliteitsdoel van deze soort wordt beantwoord door de voorziene kwaliteitsverbetering van thermofiele habitats als 6430 en van 9120 met zomen en dit voornamelijk op diestiaanheuvels in overgangen naar valleien.

Boslandschap

Deze SBZ is essentieel voor de ontwikkeling van 9160- en 91E0-bossen en zeer belangrijk voor drogere bossen (9120). Deze habitattypes komen momenteel vaak in een gedeeltelijke aangetaste staat van instandhouding voor. Voor een blijvende goede staat van instandhouding is versterking van deze types nodig, zowel landschapsecologisch als kwalitatief. Het toepassen van de Criteria Duurzaam Bosbeheer (CDB) zijn een goede opstap om deze doelen te bereiken. Ook de beheervisie van openbare bossen werkt in de richting van de gestelde kwaliteitsdoelen [*] met zijn < 10 % exoten, meer oude bomen (>1/ha), meer dood hout (4-10 %), meer open plekken (tot 15 %). Deze doelen en doelen als meer mantel-zoomvegetaties (geleidelijke bloem/doorn/insectrijke gradiënten van ten minste 5m breed) en meer rustzones zijn nodig voor een aantal beperkt aanwezige habitattypische soorten van bossen zoals vleermuizen, vuursalamander, ringslang en zwarte specht.

Voor een blijvende goede staat van instandhouding moeten de verschillende boshabitattypes ook landschapsecologisch versterkt worden via bosuitbreiding. Dit omvat zowel bosomvorming, voornamelijk in de Wingevallei en de vallei van de Tieltse Motte, als effectieve bosuitbreiding (richtwaarde 105 ha). Enkel in Walenbos en Wingevallei worden grote boskernen van 100-tallen ha tot doel gesteld; in andere deelgebieden worden de versnipperde bossen landschapsecologisch versterkt via kleinere bosuitbreidingen (2-15 ha). Het minimumdoel van de oppervlaktetoenames door omvorming kan door het toepassen van de Criteria Duurzaam Bosbeheer gerealiseerd worden. De andere doelen (zoals meer en effectieve bosuitbreidingen, …) vragen een extra inspanning. Bij die bosuitbreidingen en omvormingen dient er oog te zijn voor een goede ruimtelijke afwisseling en verbinding van de verschillende (ook open) habitattypes. Tien à vijftien procent open plekken heide en/of (hei)schraal grasland worden duidelijk als doel vooropgesteld in de verschillende boshabitattypes en dit in een netwerk waarbij grotere open plekken via zomen met elkaar in verbinding staan: ter hoogte van de valleien (van de Winge en T. Motte) zijn hier potenties voor types als 4010, 6410, 6510, 6430, 7230 en 7140 en op de Diestiaanheuvels voor types als 6230, 4030 en 2330 alsook voor mantel- en zoomvegetaties. Veel Europese beschermde vleermuizen zijn gebonden aan bossen, boomgroepen en bosranden op overgangen naar open biotopen en waterpartijen. Dit is ook een ideaal biotoop voor de ringslang, die voor het afzetten van de eieren ook drogere bossen met open plekken en strooisel opzoekt.

[*] De kwaliteitsdoelen voor een goede staat van instandhouding zijn in feite op een aantal indicatoren nog strenger en op korte termijn niet haalbaar.

Habitats - Boslandschap

Habitat Oppervlaktedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel + +
9120 - Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei 9190 - Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur Omschrijving

Toename van de huidige 460 ha naar 512 ha, met als richtwaarde voor bosuitbreiding30 ha, in voornamelijk Chartreuzenbos en op de Wijngaardberg (deelgebieden 1b en 4). Verder vooral via omvormingen van exotenrijke bossen in deze gebieden en ook op Troostemberg, Beninksberg, in Boven Wingevallei, Vallei van de Tieltse Motte en Koebos (deelgebieden 1b, d-e en 2, 6 en 13).

Kwaliteitsverbetering tot een goede staat van instandhouding volgens LSVI-normen (zie algemene inleiding Landschap: Boslandschap en ook: vermindering van de verzurende of eutrofiërende atmosferische deposities).

Doel + +
9160 - Sub-Atlantische en Midden-Europese wintereikenbossen of eiken-haagbeukbossen behorend tot het Carpinion-betuli Omschrijving

Toename van de huidige 272 tot 355 ha, met als richtwaarde voor bosuitbreiding 39 ha. Vooral in de valleien van de Winge en Tieltse Motte (deelgebieden 1a, c-e en 6) en op kleine schaal ter buffering van de hellingbossen.

Zie habitattype 9120: Landschap: Boslandschap. Met als extra kwaliteitsdoelstelling een aangepaste waterhuishouding zowel kwalitatief als kwantitatief (incl. grondwater) en het oplossen van de erosieproblematiek in hellingsbossen. De zones in Walenbos met > 10 % dood hout blijven zo behouden.

Doel + +
91E0 - Alluviale bossen met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae) Omschrijving

Toename van de huidige 388 ha tot 472 ha, met als richtwaarde voor bosuitbreiding 36 ha. Vooral in de valleien van de Winge en Tieltse Motte (deelgebieden 1a, c-d en 6); op kleine schaal gebeurt bosomvorming ook in Koebos (deelgebied 13) en bosuitbreiding ter buffering van deze boshabitats in de Molendaalbeekvallei (deelgebied 14).

Zie habitattype 9120: Landschap: Boslandschap. Met als extra kwaliteitsdoelstelling een aangepaste waterhuishouding zowel kwalitatief als kwantitatief (incl. grondwater) en het oplossen van de erosieproblematiek in hellingsbossen. De zones in Walenbos met > 10 % dood hout blijven zo behouden.

Soorten - Boslandschap

Soort Populatiedoelstelling Kwaliteitdoelstelling
Doel =/+ +
Brandts vleermuis/Gewone baardvleermuis, Franjestaart, Gewone dwergvleermuis, Gewone/Grijze grootoorvleermuis, Ingekorven vleermuis, Kleine dwergvleermuis, Laatvlieger, Rosse vleermuis, Watervleermuis Omschrijving

Minstens behoud van de huidige* vaak kwetsbare vleermuispopulaties (*vermoedelijk minder dan 20 individuen per plek, paar plaatsen bekend, uitgezonderd in Lovenjoel waar zo’n 70 volwassen vrouwtjes geteld werden).

Kwaliteitsverbetering in en nabij de bossen: zie bij de boshabitattypes (Landschap: Boslandschap) met als extra meer mantel-zoomvegetaties en meer KLE’s. Kwaliteitsverbetering in en nabij waterpartijen: zie bij de waterhabitats (Landschap: Water- en moerasvegetaties), met als extra de afwezigheid van kunstverlichting.
Als zomer- en winterverblijfplaatsen kunnen gebouwen (bv. kerkzolders, bunkers of ijskelders) heringericht worden. De bestaande populaties in de kerken van Houwaart en Lovenjoel, dienen absoluut beschermd te worden.
Deze kwaliteitsverbeteringen gebeuren prioritair in de deelgebieden Wingevallei en het kasteel van Horst (deelgebied 1a,e), Walenbos (deelgebied 1c) en Koebos (deelgebied 13) incl. kerken van Houwaart en Lovenjoel.

Doel =/+ +
Hazelmuis Omschrijving

De zeer kwetsbare relicten binnen deze SBZ beschermen met eventueel een kleine uitbreiding.

Zie bij de boshabitattypes met als extra meer mantel-zoomvegetaties en meer KLE’s zoals bij de vleermuizen.

2.2 Prioritaire inspanningen

In samenhang met de hoger beschreven doelstellingen is in het S-IHD-besluit door de Vlaamse Regering een aantal prioritaire inspanningen vastgesteld. Dit is een globale omschrijving van de acties die noodzakelijk zijn voor de realisatie van deze doelstellingen. Voor de uitvoering van de prioritaire inspanningen zijn vaak meerdere acties nodig. Hoofdstuk 4 van dit voortgangsdocument (Inspanningsmatrix) geeft de concrete acties weer die uitvoering geven aan deze prioritaire inspanningen.

3 Oppervlaktebalans

Dit hoofdstuk geeft de stand van zaken weer van de realisatie van de taakstelling, met name van de oppervlaktedoelen, op basis van het passend beheer. Het passend beheer is wettelijk gedefinieerd in het Instandhoudingsbesluit van 20 juni 2014. Het is de oppervlakte waarvoor in een natuurbeheerplan of daarmee vergelijkbaar plannen of overeenkomsten, een of meer Europees te beschermen habitattype(s) of een leefgebied van een of meer Europees te beschermen soort(en) als natuurstreefbeeld is vastgesteld. 

De oppervlaktebalans in dit voortgangsdocument is enkel opgemaakt voor de Europees te beschermen habitats, op basis van de inventarisatie van het terreinbeheer door het ANB, verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen (met name Natuurpunt vzw, vzw Durme en Limburgs Landschap vzw). Voor leefgebieden van Europees te beschermen soorten was dergelijke inventarisatie niet mogelijk met de bestaande gegevens, zodat een oppervlaktebalans per Europees te beschermen soort niet opgenomen is. 

Onderstaande tabel geeft per Europees te beschermen habitat:

  • De habitat code: de code van het habitat waarvoor een doel is gesteld (zie §2.1 'Doelen', voor de benaming en beschrijving);
  • Het totaal doel: de tot doel gestelde oppervlakte per habitat;
  • Het passend beheer: de oppervlakte met passend beheer zoals vastgesteld in een goedgekeurd natuurbeheerplan of daarmee vergelijkbare plannen of overeenkomsten;
  • De openstaande taakstelling: de oppervlakte die wordt berekend als het verschil tussen het totaal doel en de oppervlakte met passend beheer.

In de oppervlaktebalans worden alle oppervlakten weergegeven in hectare, tenzij anders aangegeven. De tabel geeft de situatie in februari 2017 weer.

4 Inspanningsmatrix

Dit hoofdstuk formuleert de acties die uitvoering geven aan de prioritaire inspanningen die vastgesteld werden in het S-IHD-besluit. Daarbij wordt op basis van het Vlaams Natura 2000-programma 2016-2020 aangegeven welke acties behoren tot het bindend deel van de taakstelling (zie hoofdstuk 1). De overige acties behoren tot het richtinggevend deel van de taakstelling. 

Elke actie wordt in onderstaande tabel beschreven, met volgende rubrieken:

  • Nr. actie: het nummer van de actie is een samenstelling van het nummer van de prioritaire inspanning en het nummer van de actie zelf. 
  • Omschrijving actie: geeft beknopt aan wat er moet gebeuren, waarom, met welk resultaat en waar.
  • Prioritaire inspanning: de prioritaire inspanning waaraan deze actie invulling geeft. Vanaf prioritaire inspanning 100 worden acties weergegeven die niet onder de prioritaire inspanningen van hoofdstuk 2.2 vallen. Deze acties zijn toegevoegd aan het voortgangsdocument, aanvullend op de prioritaire inspanningen, omdat ze eveneens nodig zijn om tot de gunstige lokale staat van instandhouding te komen van de betreffende habitat(s) of soort(en).
  • Actie voor de verbetering van het natuurlijk milieu: indien in deze kolom een ‘ja’ staat, dan is deze actie ingeschreven voor de verbetering van het natuurlijk milieu als omschreven in hoofdstuk 5. 
  • Deelgebied(en): de deelgebieden waar deze actie uitgevoerd zal worden. Indien in de tabel geen nummer van een deelgebied is opgegeven, is de actie van toepassing op de volledige SBZ. 
  • Habitats/soort(en): de Europees te beschermen habitat(s) en/of soort(en) waarvoor de actie ondernomen wordt. Het gaat om habitats en soorten waarvoor doelen opgenomen zijn in het S-IHD-besluit en om (cursief aangegeven) habitattypische soorten. Habitattypische soorten zijn kenmerkend voor één of soms meerdere habitattypes. Een habitattype kan enkel in een regionaal gunstige staat van instandhouding verkeren als binnen Vlaanderen ook de habitattypische soorten gelinkt aan dit habitattype in een regionaal gunstige staat van instandhouding verkeren. Meer gedetailleerde informatie over habitattypische soorten is beschikbaar in referenties 1, 2 en 3 (zie hoofdstuk 8).
  • Trekker: de organisatie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de actie.
  • Andere betrokkenen: de organisaties of actoren die betrokken zijn bij de actie, als uitvoerder, omwille van mogelijke impact, het leveren van kennis,…
  • Timing: het moment waarop de uitvoering van de actie start. Kan pas ingevuld worden indien de status ‘gepland’ of ‘in uitvoering’ is.
  • Status: hierbij is onderscheid gemaakt tussen:
    • Op te starten: de actie is benoemd maar nog niet opgestart.
    • In onderzoek: het plan of project voor de uitvoering van de actie is in ontwikkeling. Een trekker is aangeduid en gestart met de voorbereiding van het plan of project .
    • Plan in opmaak: de opmaak van het uitvoeringsplan is gestart. 
    • Plan beschikbaar: het uitvoeringsplan is afgerond en door de betrokken partijen goedgekeurd. De uitvoering ervan moet nog opgestart worden. 
    • In uitvoering: de actie wordt momenteel uitgevoerd.
    • Uitgevoerd: de uitvoering van de actie is beëindigd.
    • Stopgezet: de uitvoering van de actie is stopgezet zonder dat ze helemaal is beëindigd; er is geen plan om ze terug op te starten.
  • Bindend: deze lijn verschijnt enkel als de actie deel uitmaakt van het bindend deel van de taakstelling (zie hoofdstuk 1). Hierbij is onderscheid gemaakt tussen:
    • Stand still: actie noodzakelijk voor de stand still of het tegengaan van achteruitgang.
    • 2020: actie noodzakelijk voor het bereiken van een gunstige of verbeterde staat van instandhouding voor 16 habitats tegen 2020.
    • Deelgebied(en): de deelgebied(en) waarvoor de actie bindend is (sommige acties zijn bindend voor een deelgebied maar richtinggevend voor een ander).
    • Habitats/soorten: de habitats en/of soorten waarvoor de actie bindend is (sommige acties zijn bindend voor een habitat en/of soort maar richtinggevend voor andere habitats en/of soorten).

De tabel geeft de situatie weer in augustus 2017.

5 Overzichtkaart

De overzichtskaart biedt informatie voor en een stand van zaken over de realisatie van de doelen voor deze SBZ. De verschillende onderdelen zijn te consulteren via een geoloket.

 

 5.1 Synthesekaart

De synthesekaart biedt een samengesteld, vereenvoudigd overzicht van de actuele Europees te beschermen habitats en de oppervlaktes Europees te beschermen habitats onder passend beheer (zie hoofdstuk 3).

In het geoloket wordt de synthesekaart weergegeven met dit symbool 

5.2 Situering van de actuele Europees te beschermen habitats

De kaarten ‘Actueel habitat’ geven indicatief de ligging van de actuele Europees te beschermen habitats in deze SBZ weer, op basis van referentie 9 (zie hoofdstuk 6). De kaart ‘Actueel habitat overzicht’ geeft een overzicht alle actuele habitats. De kaarten ‘Actueel habitat per cluster’ en ‘Actueel habitat per habitat’ maken de actuele habitats respectievelijk in clusters van verwante habitats en voor elk habitat apart zichtbaar.

In het geoloket wordt de kaart: 

  • actueel habitat overzicht weergegeven met dit symbool   
  • actueel habitat per cluster met dit symbool  
  • actueel habitat per habitat met dit symbool 

5.3    Situering van de gebieden beheerd met het oog op de realisatie van de doelen

De kaarten ‘Passend beheer’ (voor definitie, zie hoofdstuk 3) geven indicatief weer welke oppervlaktes Europees te beschermen habitats onder passend beheer zijn bij het ANB, verschillende openbare besturen en de erkende terreinbeherende verenigingen (zie hoofdstuk 3). De kaart ‘Passend beheer overzicht’ geeft het overzicht van alle oppervlaktes onder passend beheer voor habitats. De kaarten ‘Passend beheer per cluster’ en ‘Passend beheer per habitat’ maken de oppervlaktes onder passend beheer respectievelijk in clusters van verwante habitats en voor elk habitat apart zichtbaar.

De huidige kaart geeft de situatie weer in februari 2017.

In het geoloket wordt de kaart :

  • oppervlakte onder passend beheer overzicht weergegeven met dit symbool 
  • oppervlakte onder passend beheer per cluster weergegeven met dit symbool 
  • oppervlakte onder passend beheer per habitat weergegeven met dit symbool 

5.4 Situering van de vegetaties relevant als leefgebied voor Europees te beschermen soorten

Omdat voor de vegetaties relevant als leefgebied voor Europees te beschermen soorten geen terreininventarisatiegegevens bestaan, werd deze kaart opgemaakt door middel van een ruimtelijk model. Dit model werkt op basis van de ecologische karakteristieken van de soort, aangevuld met actuele verspreidingsgegevens en de verbreidingscapaciteit van de soort. De bekomen afbakening vormt op dit moment de best beschikbare benadering van de actuele leefgebieden van de betreffende soorten. Voor een gedetailleerde beschrijving van de methodiek wordt verwezen naar referenties 4, 5 en 6 (zie hoofdstuk 6).

De opmaak ervan was niet voor alle Europees te beschermen soorten mogelijk omdat

  • een aantal mobiele soorten zeer ruime en weinig gedifferentieerde leefgebieden kent (bv. slechtvalk, kokmeeuw);
  • voor de leefgebiedkarakteristieken van bepaalde soorten geen (gebiedsdekkende) kaartlaag voorhanden is (bv. bittervoorn en kleine modderkruiper);
  • voor een aantal soorten de wetenschappelijke kennis en de beschikbare data ontoereikend zijn (bv. vleermuizen).

In het geoloket worden de leefgebieden weergegeven met de symbolen symbool leefgebieden voor het overzicht,  Synthesekaart Groepen voor de groepen en symbool leefgebieden voor de soorten, en dit enkel voor soorten waarvoor de opmaak van de kaarten mogelijk was en waarvoor doelen zijn ingeschreven in het S-IHD-besluit.

5.5 Situering van de aanwezigheid van habitattypische soorten

Onderstaand overzicht geeft indicatief weer welke habitattypische soorten actueel voorkomen per deelgebied op basis van referenties 7 en 8 (zie hoofdstuk 6). Habitattypische soorten zijn soorten die kenmerkend zijn voor één of soms meerdere habitattypes. Voor het bereiken van de regionaal gunstige staat van instandhouding van het habitat, moeten de populaties van de habitattypische soorten, verbonden aan dat habitat, ook in een regionaal gunstige staat van instandhouding worden gebracht of gehouden. Meer gedetailleerde informatie over habitattypische soorten is beschikbaar in referenties 1, 2 en 3 (zie hoofdstuk 6).

 

6 Referenties

1.:  Geert De Knijf, Desiré Paelinckx (2012). Typische faunasoorten van de verschillende Natura 2000 habitattypes, in functie van de beoordeling van de staat van instandhouding op niveau Vlaanderen (ref. INBO.A.2013.139)

2.: Adriaens, Dries; Adriaens, Tim; Ameeuw, Griet (2008). Ontwikkeling van criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de habitattypische soorten (ref. INBO.R.2008.35)

3: Adriaens, P. & Ameeuw, G. (red) (2008). Ontwikkeling van criteria voor de beoordeling van de lokale staat van instandhouding van de vogelrichtlijnsoorten.  D/2008/3241/287 (ref.INBO.R.2008.36)

4.: Maes et al. (2015). Afbakenen van potentiële leefgebiedenkaarten voor Europese en Vlaamse prioritaire soorten in het kader van de voortoets. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2015. (versie 2.0). (ref. INBO.R.2015.10201559). 

5: : Maes D., Anselin A., De Knijf G., Denys L., Devos K., Gouwy J., Leyssen A., Packet J., Pauwels I., Pollet M., Speybroeck J., Stienen E., Thomaes A., T’jollyn F., Van Den Berge K., Van Landuyt W., Van Thuyne G., Vermeersch G. & Verhaeghe F. (2017). Afbakenen van actueel relevant potentieel leefgebied voor een selectie van Europees prioritaire soorten. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2017 (30) (ref. INBO.R.12602606 . Brussel: Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

6.: Dirk Maes, Koen Devos, Anny Anselin, Eric Stienen, David Buysse, Ine Pauwels & Thierry Onkelinx (2016). Advies over de leefgebiedenkaarten van Natura 2000-soorten (ref. INBO.A.3415)

7.: De Knijf, Geert; Vermeersch, Glenn (datum). Advies over de actuele verspreiding van de habitattypische soorten per SBZ-H deelgebied - deel fauna (ref. INBO.A.3233)

8.: Van Landuyt, Wouter; De Knijf, Geert (2014). Advies over de verspreiding van de habitattypische soorten per SBZ-H deelgebied - deel flora (ref. INBO.A.3192)

9. De Saeger, S., Guelinckx, R., Oosterlynck, P., De Bruyn, A., Debusschere, K., Dhaluin, P., ... Paelinckx, D. (2020). Biologische Waarderingskaart en Natura 2000 Habitatkaart, uitgave 2020. (Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek; Nr. 35). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. https://doi.org/10.21436/inbor.18840851